Arrest van 28 augustus 2007; de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 27 november 2007.
HR, 08-05-2009, nr. 07/13579
ECLI:NL:HR:2009:BH3915
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
08-05-2009
- Zaaknummer
07/13579
- Conclusie
Mr. D.W.F. Verkade
- LJN
BH3915
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BH3915, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 08‑05‑2009; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH3915
ECLI:NL:PHR:2009:BH3915, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑02‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH3915
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑05‑2009
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht; betaling van openstaande factuur; bewijslevering, partijgetuige (81 RO).
8 mei 2009
Eerste Kamer
07/13579
RM/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiseres] heeft bij exploot van 1 juli 2003 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd, kort gezegd, [verweerder] te veroordelen tot betaling van primair een bedrag van € 158.605,16 en subsidiair een bedrag van € 90.000,--, met rente en kosten.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na een comparitie van partijen te hebben gelast en een mondeling vonnis te hebben gewezen, bij eindvonnis van 23 maart 2005 [verweerder] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 90.000,--, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft voorts [verweerder] veroordeeld in de beslagkosten en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 28 augustus 2007 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiseres] alsnog afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 6 maart 2009 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.771,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 mei 2009.
Conclusie 20‑02‑2009
Mr. D.W.F. Verkade
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Eiseres]
(hierna: [eiseres])
advocaat: mr. K.G.W. van Oven
tegen
[Verweerder]
(hierna: [verweerder])
advocaat: mr. H.J.W. Alt
Deze zaak leent zich m.i. voor een verkorte conclusie.
1. Feiten en procesverloop
1.1.
Samengevat komen de in rov. 4.1–4.3 van het bestreden arrest bedoelde feiten erop neer dat [eiseres] voor diverse leveranties aan [A] BV facturen heeft verzonden die onbetaald zijn gebleven. [Eiseres] heeft daarop [verweerder] (die bestuurder is van Caselli BV, die op haar beurt bestuurder is van [A] BV) tot betaling aangesproken omdat [verweerder] zou hebben toegezegd het betreffende bedrag zo nodig privé te betalen.
1.2.
De rechtbank te 's‑Hertogenbosch heeft [eiseres] te bewijzen opgedragen dat [verweerder] heeft toegezegd een bedrag van in totaal € 90.000 uit zijn privévermogen aan [eiseres] te betalen. [eiseres] heeft in enquête drie getuigen doen horen: [getuige 1] (statutair directeur van [eiseres]), [getuige 2] (accountmanager bij [eiseres]) en [getuige 3] (tot het faillissement van [A] calculator inkoop voor [A]). [verweerder] heeft in contra-enquête eveneens drie getuigen doen horen: [verweerder] zelf, [betrokkene 1] (vriendin van [verweerder], die voorheen als secretaresse voor [A] werkzaam was) en [betrokkene 2] (voormalig advocaat van [A]). De rechtbank heeft [eiseres] in het haar opgedragen bewijs geslaagd geacht en de vordering bij vonnis van 23 maart 2005 toegewezen.
1.3.
Op het hoger beroep van [verweerder] heeft het hof geoordeeld (rov. 4.16) dat [eiseres] het haar opgedragen bewijs niet geleverd heeft. Daartoe heeft het hof overwogen dat naast de verklaring van partijgetuige [getuige 1] geen aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is dat dit de partijgetuigenverklaring van [getuige 1] voldoende geloofwaardig maakt. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verklaring van [getuige 3] onvoldoende met concrete feiten is onderbouwd (rov. 4.14), dat tegenover de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] de verklaring van [verweerder] staat, welke verklaring deels, zij het op ondergeschikte punten wordt ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], dat [getuige 2] als werknemer van [eiseres] belang heeft bij de uitkomst van de procedure en dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] elkaar op verschillende punten tegenspreken. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van [eiseres] afgewezen.
1.4.
Namens [eiseres] is tijdig1. cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [Verweerder] heeft in cassatie verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1.
Het middel komt met motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof dat de verklaring van [getuige 3] onvoldoende met concrete feiten is onderbouwd en het oordeel dat naast de verklaring van [getuige 1] geen aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is dat dit de partijgetuigenverklaring van [getuige 1] voldoende geloofwaardig maakt.
2.2
Het middel faalt. De in cassatie bestreden oordelen betreffen de waardering door het hof van het bewijs. Die waardering is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, waarbij de rechter een grote vrijheid en een beperkte motiveringsplicht heeft.2. Tegen die achtergrond is 's hofs bewijswaardering — gelet op de motivering daarvan in rov. 4.14 t/m 4.16 — begrijpelijk. Dat geldt ook 's hofs (in het cassatiemiddel nadrukkelijk bestreden) waardering dat de verklaring van de getuige [getuige 3] onvoldoende met concrete feiten is onderbouwd om te kunnen aannemen dat de volgens die verklaring door [verweerder] toegezegde privébetalingen betrekking zouden hebben op de in rov. 4.14 bedoelde cellenbeton dakplaten voor een bepaald project te Amsterdam. 's Hofs bewijswaardering behoefde ook geen nadere motivering in het licht van HR 14 november 2003, NJ 2005, 269, waarin de Hoge Raad oordeelde dat van de appelrechter die de getuigen niet zelf gehoord heeft (waarvan in casu sprake is) en die tot een andere waardering van het bewijs komt dan de eerste rechter, mag worden verwacht dat deze voldoende inzicht geeft in de gedachtegang die ertoe heeft geleid dat hij tot een ander oordeel komt dan de eerste rechter. Het hof heeft met de in rov. 4.14 t/m 4.16 gegeven motivering voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang, die heeft geleid tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank.
3. Conclusie
Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑02‑2009
HR 5 december 2003, NJ 2004, 74.