De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.5.2.1:4.5.2.1 Doorbreking van een uitsluitingsclausule
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.5.2.1
4.5.2.1 Doorbreking van een uitsluitingsclausule
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948055:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
489. Gaat men ervan uit dat een in- of uitsluitingsclausule óók doorwerkt bij een daaropvolgende verdeling, dan is vervolgens de vraag of artikel 1:95 lid 1 BW nog verandering in het daaruit voortvloeiende resultaat kan brengen. Bij beantwoording van die vraag moet een onderscheid worden gemaakt tussen een uitsluitingsclausule enerzijds en een insluitingsclausule anderzijds. Werkt een uitsluitingsclausule bij de verdeling door, dan valt het goed op grond van die uitsluitingsclausule buiten de wettelijke gemeenschap van goederen. Dat resultaat kan dan niet meer veranderen, óók niet als meer dan de helft van de bij de verdeling verschuldigde tegenprestatie ten laste van het vermogen van de huwelijksgemeenschap is gekomen en in dat opzicht dus aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW zou zijn voldaan. Daar zijn twee redenen voor. De eerste reden is in paragraaf 4.4.1 al aan de orde gekomen. Dat is dat artikel 1:95 lid 1 BW uitsluitend als een uitzondering op de werking van boedelmenging kwalificeert. Daardoor kunnen op grond van artikel 1:95 lid 1 BW überhaupt geen goederen tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren.1 Zelfs wanneer bij de verdeling meer dan de helft van de verschuldigde tegenprestatie ten laste van vermogen van de huwelijksgemeenschap is gekomen, zal vanwege dit ‘beperkte’ karakter van artikel 1:95 lid 1 BW het door verdeling verkregen goed door de werking van de uitsluitingsclausule nog steeds buiten de huwelijksgemeenschap vallen.
490. Zou men menen dat goederen op grond van artikel 1:95 lid 1 BW wél tot de huwelijksgemeenschap kunnen gaan behoren – en dat wordt door een behoorlijk aantal schrijvers verdedigd2 –, dan geldt als tweede reden dat de dwingende werking van de uitsluitingsclausule eraan in de weg staat dat het door verdeling verkregen goed alsnog tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren. Dit dwingende karakter is reeds in hoofdstuk 6 beschreven.3 Het dwingende karakter zorgt ervoor dat zowel de echtgenoten zelf als derden op geen enkele manier inbreuk kunnen maken op de werking van de uitsluitingsclausule. Hieruit volgt dat óók via artikel 1:95 lid 1 BW nietbewerkstelligd kan worden dat het door verdeling verkregen goed alsnog tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren. Is bij de verdeling een deel van de totaal verschuldigde tegenprestatie ten laste van middelen van de huwelijksgemeenschap voldaan, dan zal dus slechts een vergoedingsrecht op de betreffende echtgenoot in privé ontstaan, óók als dat deel meer dan de helft van de totaal verschuldigde tegenprestatie heeft bedragen.
491. Dit alles geldt óók wanneer de andere deelgenoten bij de verdeling de door de echtgenoot verschuldigde tegenprestatie onder insluitingsclausule ‘direct’ of ‘indirect’ kwijtschelden of wanneer in de verdeling een materiële bevoordeling onder insluitingsclausule besloten ligt.4 Ook in dat geval zorgt de beperkte werking van artikel 1:95 lid 1 BW en/of de dwingende werking van de uitsluitingsclausule ervoor dat de insluitingsclausule de werking van de door erflater of gever gemaakte uitsluitingsclausule niet kan doorbreken. Aldus zal ook in dat geval het door verdeling verkregen goed op grond van de uitsluitingsclausule buiten de huwelijksgemeenschap blijven, ook als de kwijtschelding of materiële bevoordeling meer dan de helft van de bij de verdeling verschuldigde tegenprestatie betrof. Verstappen denkt daar anders over. In zijn noot onder de uitspraak HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, NJ 2017/437 merkt hij daar het volgende over op:
“20. Interessant wordt het onder het nieuwe recht, als in de casus van het onderhavige arrest de vader wel een uitsluitingsclausule zou hebben gemaakt die kleeft aan de verkrijging krachtens erfrecht van zowel moeder als zoon (ieder een kwart) en zij vervolgens overeenkomen dat de woning aan de zoon wordt toegedeeld met kwijtschelding door de moeder van de overbedelingsschuld waaraan zij de zogenaamde insluitingsclausule verbindt (art. 1:94 lid 3 aanhef onder b (nieuw) BW). Wat gaat dan voor? Het lijdt mijns inziens geen twijfel dat de moeder een dergelijke bevoordeling rechtsgeldig kan bewerkstelligen en dat de uitsluitingsclausule die vader heeft gemaakt niet ‘doorwerkt’ bij een dergelijke bevoordelende verdeling. Dat betekent dat als de zoon er driekwart bij krijgt met insluitingsclausule, de woning voortaan geheel tot de gemeenschap gaat behoren omdat meer dan de helft van de tegenprestatie ten laste van de gemeenschap van goederen is gekomen. Uiteraard resteert voor het privévermogen van de zoon een vergoedingsvordering ten bedrage van een kwart van de waarde, verondersteld dat daarop art. 1:87 BW van toepassing is.”
Uit het voorgaande volgt dat de visie van Verstappen wat mij betreft niet gevolgd dient te worden. Ten eerste gaat Verstappen er naar mijn mening ten onrechte van uit dat goederen op grond van artikel 1:95 lid 1 BW tot de huwelijksgemeenschap zouden kunnen gaan behoren. Daarmee miskent hij het ‘beperkte’ karakter dat artikel 1:95 lid 1 BW als uitzondering op de werking van boedelmenging heeft. Ten tweede gaat Verstappen er wat mij betreft ten onrechte van uit dat de insluitingsclausule die bij de verdeling is gemaakt de werking van de uitsluitingsclausule zou kunnen doorbreken. Dat kan volgens mij niet, omdat het dwingende karakter van de uitsluitingsclausule daaraan in de weg staat. Aldus zal in het door Verstappen geschetste voorbeeld de woning ook ná de verdeling op grond van de uitsluitingsclausule buiten de huwelijksgemeenschap blijven, waarbij de zoon uit hoofde van de kwijtschelding onder insluitingsclausule wel een vergoedingsvordering op de huwelijksgemeenschap verkrijgt.