De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/6.4.1:6.4.1 Spreekrecht
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/6.4.1
6.4.1 Spreekrecht
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS384873:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 2003-2004, 28179, nr. B, p. 9. Zie hierover ook: J.J.M. van Mierlo, ‘Corporate governance en insolventie’, in: N.E.D. Faber e.a., De bewindvoerder een octopus, Serie onderneming en recht deel 44, Deventer: Kluwer 2008, p. 42-43.
Kamerstukken II, 2001-2003, 28179, nr. 3, p. 19.
Hoge Raad 13 juli 2007, NJ 2007, 434, ARO 2007,120, JOR 2007/178, RO 2007/69 (ABN AMRO).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de memorie van toelichting bij art. 2:107a BW blijkt, dat het aanvragen van het eigen faillissement een besluit is dat ter goedkeuring aan de AV(A) van de NV moet worden voorgelegd.1 Het karakter van de onderneming is hierdoor zodanig veranderd, dat de aandeelhouders nu aandeelhouder van een andere onderneming zijn geworden.2 Op grond van lid 2 heeft de or een spreekrecht in de AV(A) ten aanzien van dit goedkeuringsrecht. Voor de bespreking van het spreekrecht verwijs ik naar paragraaf 2.6.4. Het goedkeuringsrecht van art. 2:107a BW zal mijns inziens alleen een rol spelen indien – in afwijking van art. 2:136/246 BW – het bestuur de bevoegdheid heeft zonder opdracht van de AV(A) het eigen faillissement aan te vragen. Op grond van art. 2:136 BW moet de AV(A) immers – door het geven van een opdracht – het initiatief nemen tot de eigen aanvraag, tenzij anders is bepaald in de statuten. In dat geval ligt niet voor de hand dat over het daadwerkelijke besluit tot faillietverklaring nog eens de goedkeuring van de AV(A) wordt gevraagd. De or wordt dus niet in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Het ligt daarom meer voor de hand het standpuntbepalingsrecht ten aanzien van de aanvraag tot faillietverklaring (tevens) te koppelen aan art. 2:136 BW. In hoofdstuk 3 concludeerde ik dat het wenselijk is het spreekrecht uit te breiden naar de BV. Dit betekent dat dan ook een spreekrecht wordt gekoppeld aan art. 2:246 BW.
Voor het aanvragen van surseance van betaling is geen opdracht van de AV(A) vereist. Een besluit hiertoe lijkt tevens niet onderworpen aan het goedkeuringsrecht van art. 2:107a BW, nu geen sprake is van een wijziging van de identiteit van de onderneming.3 De or heeft dan ook geen spreekrecht ten aanzien van het (voorgenomen) besluit tot het aanvragen van de eigen surseance.