De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.3.7:4.3.7 Het waarborgfonds
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.3.7
4.3.7 Het waarborgfonds
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS398367:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot van deze korte beschrijvingen van de taken en verantwoordelijkheden van de verschillende door de benadeelde aan te spreken figuren en instanties, het waarborgfonds, het klassieke 'vangnet' onder de motorrijtuigverzekeringsplicht. Kan van de andere figuren en instanties een vrij algemene beschrijving worden gegeven die voor alle lidstaten (of voor zover het de Bureaus en de benoemde correspondenten betreft: voor alle aan het groenekaartstelsel deelnemende landen) in grote lijnen opgaat, voor het waarborgfonds ligt dat anders. De rol van de waarborgfondsen verschilt sterk van land tot land, een vaststelling die zelfs voor de lidstaten van de EU opgaat. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten beperkingen of uitbreidingen van de rol van het waarborgfonds.
Enerzijds verschilt de aard van de gevallen waarin het waarborgfonds kan worden aangesproken. Zo zullen de waarborgfondsen altijd kunnen worden aangesproken voor ongevallen die zijn veroorzaakt door onverzekerde en door onbekende aansprakelijken. Maar daarnaast bieden de waarborgfondsen in een aantal lidstaten (en niet-lidstaten) ook dekking in geval van insolventie van een Wam-verzekeraar of in geval van schade veroorzaakt door gestolen voertuigen (in welk geval onder de polis van de gestolen auto geen dekking zal bestaan).
Anderzijds kan de bescherming die het waarborgfonds biedt weer worden beperkt. Veel waarborgfondsen keren bijvoorbeeld geen vergoeding uit van materiële schade veroorzaakt door onbekende aansprakelijken (tenzij, althans in de lidstaten, de zaakschade gepaard gaat met aanzienlijk letsel). Ook op andere wijze wordt het beroep op het waarborgfonds veelal ingeperkt, bijvoorbeeld door regresnemers van de dekking uit te sluiten of door het waarborgfonds op andere wijze een 'subsidiaire rol' toe te kennen.
De vraag naar de inhoudelijke dekking die het waarborgfonds biedt komt uitvoeriger aan de orde in hoofdstuk 5. Hier gaat het in het bijzonder om de vraag welke rol het waarborgfonds speelt bij ongevallen met een internationaal karakter.
Bij een ongeval in een lidstaat kan de benadeelde het waarborgfonds aanspreken als dat ongeval is veroorzaakt door een bezoekend motorrijtuig dat ten onrechte niet is verzekerd. Omdat gewoonlijk in andere lidstaten en daarmee gelijk gestelde derde landen gestalde voertuigen geacht worden verzekerd te zijn en voertuigen uit andere landen moeten zijn voorzien van een groene kaart dan wel een grensverzekeringspolis (in welke gevallen de benadeelde zich tot het Bureau van het land van het ongeval kan wenden), zal het alleen gaan om voertuigen uit niet-lidstaten die niet op grond van art. 8 lid 1, tweede alinea van de Richtlijn met lidstaten zijn gelijk gesteld en die niet aan de voorwaarde van een geldige groene kaart of van een grensverzekering voldoen.
Een tweede categorie ongevallen waarbij het waarborgfonds een rol speelt, is die van de op grond van art. 5 lid 2 van de Richtlijn van de verzekeringsplicht vrijgestelde voertuigen. Niet alleen kan een benadeelde zich tot het waarborgfonds van de lidstaat van zijn woonplaats wenden als het aldus vrijgestelde voertuig gewoonlijk op het grondgebied van die lidstaat is gestald, maar ook als het een bezoekend motorrijtuig uit een andere lidstaat betreft.
In theorie kunnen de waarborgfondsen van de lidstaten niet alleen door 'eigen' ingezetenen worden aangesproken, maar ook door ingezetenen van derde landen. Voor zover het echter bezoekende benadeelden betreft met woonplaats in een andere lidstaat, zal van deze weg nog maar weinig gebruik worden gemaakt. Zij kunnen zich immers wenden tot het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van hun woonplaats (dat vervolgens een verhaalsrecht heeft op het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval, dan wel van de lidstaat waar het onverzekerde motorrijtuig gewoonlijk is gestald).1
Het is bij dit alles van belang in het oog te houden dat het waarborgfonds in het stelsel van de Richtlijn in beginsel door de benadeelde alleen kan worden aangesproken voor ongevallen die in de lidstaat van vestiging van het waarborgfonds hebben plaatsgevonden. Voor ongevallen die door onverzekerde of onbekend gebleven voertuigen zijn veroorzaakt in andere lidstaten dan die van de woonplaats van de benadeelde, staat immers de weg naar het schadevergoedingsorgaan open. Naar Nederlands recht kan de benadeelde van een ongeval in een andere lidstaat dat is veroorzaakt door een niet-verzekerd Nederlands motorrijtuig, het Nederlandse Waarborgfonds wel aanspreken2 . In de praktijk is deze mogelijkheid alleen van belang voor Nederlandse benadeelden, aangezien ingezetenen van andere lidstaten zich tot het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van hun woonplaats kunnen wenden.