De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/1.1.1:1.1.1 Het onderwerp van dit onderzoek
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/1.1.1
1.1.1 Het onderwerp van dit onderzoek
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368495:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek gaat over de (onmiddellijke) voorzieningen die de ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam kan treffen in het kader van de enquêteprocedure en het regelen van de gevolgen daarvan. Dit onderzoek kent vier onderzoeksvragen:
Welke maatregelen zijn in beginsel mogelijk als (onmiddellijke) voorzieningen en welke maatregelen zijn nooit mogelijk?
Wat zijn de (rechts)gevolgen van de (onmiddellijke) voorzieningen die de ondernemingskamer kan treffen?
Aangenomen dat er aanleiding is om (onmiddellijke) voorzieningen te treffen, aan de hand van welke criteria moet worden bepaald welke (onmiddellijke) voorzieningen in een concreet geval getroffen kunnen worden?
Welke remedies biedt het Nederlandse recht (niet) indien na de aanwending van een rechtsmiddel komt vast te staan dat ten onrechte (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen?
De antwoorden op deze vragen hangen met elkaar samen.
Het centrale thema bij onderzoeksvragen 1, 2 en 3 is de wisselwerking tussen enerzijds de (onmiddellijke) voorzieningen en anderzijds de organisatie van de NV of BV waarop deze worden toegepast (en de belangen die daarachter schuil gaan). Het scharnierpunt in die wisselwerking is het feit dat eindvoorzieningen maatregelen van reorganisatorische aard zijn en dat dit bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen voor ogen dient te worden gehouden. De organisatie wordt dus beïnvloed door (onmiddellijke) voorzieningen, maar de organisatie beïnvloedt ook de (onmiddellijke) voorzieningen. Kort gezegd, bepalen de gebreken in de organisatie de keuze van (onmiddellijke) voorzieningen en dienen de met de organisatie gemoeide belangen waar mogelijk te worden ontzien.
Bij de vierde onderzoeksvraag speelt deze wisselwerking niet, maar speelt de beïnvloeding van de organisatie van de NV en BV door (onmiddellijke) voorzieningen niettemin een centrale rol. Het gaat dan om de vraag welke onderdelen van de organisatie te lijden hadden onder de ten onrechte getroffen (onmiddellijke) voorzieningen en welke belangen daardoor zijn aangetast. Het antwoord op die vraag bepaalt welke remedies nodig kunnen zijn. Dat leidt vervolgens tot de vraag of deze remedies ook beschikbaar zijn.