Rb. Noord-Nederland, 24-07-2025, nr. 200628
ECLI:NL:RBNNE:2025:3219
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
24-07-2025
- Zaaknummer
200628
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2025:3219, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 24‑07‑2025; (Beschikking)
ECLI:NL:RBNNE:2025:3218, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 24‑06‑2025; (Beschikking)
Uitspraak 24‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Wvggz. Beslissing op klacht artikel 10:7 wvggz. Klachten ongegrond of niet-ontvankelijk.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
Zaak-/rekestnr.: C/17/200628 / FA RK 25-1389
Beslissing van 24 juli 2025 over een klacht ex artikel 10:7 lid 1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
op verzoek van:
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] , [geboorteplaats]
hierna: verzoekster,
wonende aan de [adres] ,
thans verblijvende bij GGZ Friesland, locatie [locatie] ,
advocaat: mr. H.W. de Jong, kantoorhoudende te Leeuwarden.
als belanghebbende wordt aangemerkt:
- zorgaanbieder GGZ Friesland (hierna: verweerder).
1. Het procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift ex artikel 10:7 Wvggz van verzoekster met bijlagen, tevens schorsingverzoek, ingekomen op 20 juni 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het schorsingsverzoek heeft plaatsgevonden op 23 juni 2025. Na afloop van de mondelinge behandeling van het schorsingsverzoek op 23 juni 2025 heeft de rechtbank nog kennis genomen van een schriftelijk addendum van verweerder, ingekomen bij de rechtbank op 24 juni 2025, alsmede een schriftelijke reactie daarop van mr. H.W. de Jong, namens verzoekster, eveneens ingekomen op 24 juni 2025. Vervolgens heeft de rechtbank het schorsingsverzoek bij beschikking van 24 juni 2025 afgewezen.
1.3.
Op 11 juli 2025 heeft de rechtbank in de bodemprocedure kennisgenomen van een verweerschrift van GGZ Friesland.
1.4.
De mondelinge behandeling van het bodemverzoek heeft plaatsgevonden op 17 juli 2025, bij GGZ Friesland, locatie [locatie] . Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- -
mr. H.W. de Jong, de advocaat van verzoekster;
- -
[naam] , psychiater en tevens de zorgverantwoordelijke.
2. De vaststaande feiten
2.1.
Bij beschikking van 28 april 2025 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoekster tot en met 28 juli 2025 een zorgmachtiging verleend. In deze beschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen. In de beschikking zijn de volgende vormen van verplichte zorg opgenomen:
- het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter
behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- -
beperken van de bewegingsvrijheid;
- -
insluiten;
- -
uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- -
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van
communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
2.2.
Op 26 mei 2025 heeft de zorgverantwoordelijke besloten tot het verlenen van verplichte zorg door middel van een artikel 8:9 Wvggz beslissing, bestaande uit toediening van medicatie, verrichten van medische controles en andere medische handelingen en therapeutische maatregelen.
2.3.
Verzoekster heeft op 27 mei 2025 een klacht ingediend bij de Regionale Klachtencommissie Wvggz Friesland (hierna: de klachtencommissie) tegen de beslissing van de zorgverantwoordelijke om de in rechtsoverweging 2.2 genoemde vormen van verplichte zorg te gaan verlenen.
2.4.
De behandeling van de klacht door de klachtencommissie heeft op 2 juni 2025 plaatsgevonden. Verweerder is verschenen en heeft ook een schriftelijk verweer ingediend. Verzoekster is op de zitting mondeling gehoord door de klachtencommissie
2.5.
Bij schriftelijke beslissing van 10 juni 2025 heeft de klachtencommissie de klacht ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
2.6.
Op 17 juni 2025 is een eerste depot Xeplion aan verzoekster toegediend. Het tweede depot is inmiddels toegediend en verzoekster is nadien op 30 juni 2025 met ontslag gegaan.
3. Het verzoek en de klachten
3.1.
Kort en zakelijk weergegeven verzoekt verzoekster om haar klacht van 27 mei 2025 gegrond te verklaren en de beslissing van de klachtencommissie van 10 juni 2025 te vernietigen, alsook om – kort gezegd – bij gegrondverklaring van de klacht een schadevergoeding aan verzoekster toe te kennen. Verzoekster voert daartoe drie klachtgronden aan. De rechtbank zal hierna eerst het juridisch kader schetsen, waarna de drie klachten en het gevoerde verweer afzonderlijk behandeld worden.
4. Juridisch kader
4.1.
Op grond van artikel 8:9 Wvggz neemt de zorgverantwoordelijke (samengevat) ter uitvoering van de zorgmachtiging een schriftelijk gemotiveerde beslissing tot het verlenen van verplichte zorg. Alvorens de zorgverantwoordelijke daartoe overgaat, dient de zorgverantwoordelijke zich op de hoogte te stellen van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene en de wilsbekwaamheid van betrokkene te toetsen.
4.2.
Op grond van artikel 10:7 Wvggz kan verzoekster, binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan de verzoekster is meegedeeld, een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klachten.
4.3.
Op grond van artikel 10:10 Wvggz strekt de beslissing van de rechtbank tot onbevoegdverklaring van de rechter, tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek, tot ongegrondheid van de klacht of tot gegrondverklaring van de klacht.
4.4.
Op grond van artikel 10:11, tweede lid, Wvggz kan verzoekster bij een verzoek als bedoeld in artikel 10:7, eerste lid, Wvggz bij de rechter tevens om schadevergoeding door de zorgaanbieder verzoeken. De schadevergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld.
5. Positie uitspraak klachtencommissie
5.1.
Verzoekster verzoekt de rechtbank om de beslissing van de klachtencommissie te vernietigen. Dat is echter geen uitspraakmogelijkheid. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 7 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:825) vloeit voort dat de rechtbank niet de uitspraak van de klachtencommissie dient te beoordelen, maar de oorspronkelijke klacht zelf. Aldus kan ook niet gesproken worden over een (zuivere) beroepsprocedure.
6. Klacht 1: verplichte medicatie
6.1.
Verzoekster acht medicatie niet nodig en daarbij stelt ze dat medicatie niet goed voor haar is. Betrokkene heeft eerder deze soort medicatie gebruikt, waarbij zij veel ernstige bijwerkingen ondervond. Haar zicht ging achteruit, ze had een hoge bloeddruk en druk op haar borst. Verzoekster heeft onderzoek laten doen door een optometrist, die volgens haar gesteld heeft dat de medicatie een contra-indicatie vormt. Ook is verzoekster recent onderzocht door haar cardioloog. De cardioloog zou hier in verband met zijn vakantie nog op terugkomen en zich verdiepen in de medicatie.
6.2.
Verweerster is van mening dat medicamenteuze behandeling noodzakelijk is. Hiermee kunnen de psychotische en maniforme symptomen die verzoekster doormaakt worden behandeld en hiermee wordt een terugval voorkomen. Ook is medicamenteuze behandeling noodzakelijk om psychotische symptomen te behandelen die ernstig nadeel veroorzaken. Verweerster heeft daarom de beslissing genomen om verplichte medicatie toe te dienen in de vorm van een depot. Op zorgvuldige wijze is beoordeeld of er een verband bestaat tussen mogelijke bijwerkingen van de beoogde behandeling en de somatische klachten van verzoekster, zoals haar aangeboren hartafwijking en de door haar ervaren oogproblemen. Er is een hartecho uitgevoerd waarop geen afwijkingen zijn geconstateerd. De cardiologiepolikliniek heeft aangegeven dat er geen contra-indicaties zijn voor toediening van de voorgestelde depotmedicatie. Ook de bevindingen van de optometrist, die verzoekster zelf heeft geraadpleegd, geven geen aanleiding om van contra-indicaties te spreken.
Er zijn geen aanwijzingen dat de door verzoekster genoemde somatische klachten, waaronder incontinentie en het onvermogen om ledematen te bewegen, gerelateerd zijn aan het gebruik van depotmedicatie. Bovendien heeft de psychiater opgemerkt dat verzoekster het betreffende middel eerder enige tijd in tabletvorm heeft gebruikt, zonder dat toen sprake was van vergelijkbare klachten.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van de psychiater ter zitting voldoende blijkt dat het voorgeschreven antipsychoticum in overeenstemming is met de geldende richtlijnen voor de behandeling van een aandoening zoals die van verzoekster. Daarbij is rekening gehouden met zowel de bij behandelaars bekende als de door verzoekster genoemde mogelijke bijwerkingen. De behandelaar heeft in dat kader zorgvuldig gehandeld door de bijvoorbeeld de waarnemend-cardioloog en de optometrist geraadpleegd. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat er op dit moment geen geschikt alternatief beschikbaar is. Verzoekster is niet betrouwbaar gebleken in de inname van orale medicatie en heeft deze in sommige gevallen geweigerd, waardoor de behandeling stagneert en ontslag eerder niet mogelijk was. Op dat moment heeft de behandelaar in redelijkheid kunnen besluiten om het medicijn in depotvorm te verstrekken. In het verleden (2023) is verzoekster ingesteld geweest op een vergelijkbaar middel, Haldol, waarmee een verbetering in haar psychische toestand werd waargenomen. Zij weigerde echter dit middel opnieuw te gebruiken, ondanks dat het ook in depotvorm beschikbaar is. Hoewel verzoekster onbetrouwbaar bleek in het gebruik van antipsychotica in tabletvorm, is tijdens de periode waarin zij deze nog wel innam – waaronder ook het medicijn dat zij nu in depotvorm ontvangt – enige verbetering in haar toestand geconstateerd. Destijds uitte zij geen fysieke klachten zoals die nu worden genoemd. De psychiater heeft samenvattend ter zitting aangegeven dat de recent door verzoekster genoemde klachten niet kunnen worden gekoppeld aan de depotmedicatie. Desondanks is opnieuw overleg gevoerd met de polikliniek cardiologie. De dienstdoende cardioloog heeft bevestigd dat er geen contra-indicaties bestaan voor het toedienen van de huidige depotmedicatie. Ook de bevindingen met betrekking tot het bezoek aan de spoedeisende hulp op 23 juni 2025 geven geen aanleiding tot een ander oordeel.
6.4.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de zorgverantwoordelijke in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen dat betrokkene medicamenteuze depotbehandeling moet ondergaan. Klacht 1 wordt dan ook ongegrond verklaard.
7. Klacht 2: diagnose
7.1.
Ten aanzien van klachtonderdeel 2 voert verzoekster aan dat zij de gestelde diagnose betwist. Zij is van mening dat er bij haar geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld. Verzoekster geeft aan te kampen met spanningsklachten. In haar optiek gaat het om burn-outklachten en is er geen sprake van een psychotische stoornis. Recent is er een second opinion verricht, waarbij – aldus verzoekster – eveneens is geconcludeerd dat er geen sprake is van een hypomanie. Overigens geeft verzoekster aan zich ook niet volledig te kunnen vinden in de bevindingen van deze second opinion, uitgevoerd door drs. [naam] .
7.2.
Verweerster heeft naar voren gebracht dat er in de second opinion is omschreven wat de symptomen van verzoekster zijn, maar hij heeft hierbij geen diagnose gesteld. Ook heeft verzoekster aangegeven het niet eens te zijn met de conclusie van drs. [naam] . Verweerster is van mening dat uit het dossier onmiskenbaar volgt dat verzoekster psychotische en manische episodes heeft doorgemaakt en dat de second opinion van dr. [naam] , psychiater, niet tot een ander inzicht leidt.
7.3.
De rechtbank overweegt dat er een zorgmachtiging is afgegeven op 28 april 2025. In deze beslissing is de psychische stoornis door de rechtbank vastgesteld. Artikel 10:3 Wvggz geeft de klachtgronden weer. Op grond van artikel 10:3 Wvggz kan verzoekster niet klagen over de vaststelling door de rechtbank dat sprake is van een psychische stoornis. Wanneer verzoekster het niet eens is met deze vaststelling, dient verzoekster daartegen in cassatie te gaan bij de Hoge Raad der Nederlanden. Verzoekster heeft geen cassatie ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat de klacht niet-ontvankelijk is ex artikel 10:10 sub b Wvggz.
8. Klacht 3: wilsbekwaamheid
8.1.
Verzoekster stelt dat zij van mening is dat zij wilsbekwaam is om over haar behandeling te oordelen. Verzoekster betreurt dat er niet naar haar geluisterd wordt en hetgeen zij aandraagt niet serieus genomen wordt, ondanks de door haar aangedragen documenten en onderbouwingen.
8.2.
Verweerster is van mening dat verzoekster onvoldoende inzicht heeft over haar ziektebeeld, waardoor zij ook niet instaat is om de gevolgen van besluiten over haar behandeling goed in te schatten. In dit kader is verzoekster op 26 mei 2025 door de zorgverantwoordelijke gesproken en onderzocht. Verzoekster is volgens verweerster niet in staat om ten aanzien van haar behandeling een weloverwogen keuze te maken. Verweerster heeft niet gesteld dat verzoekster op het gebied van de gehele behandeling wilsonbekwaam is, maar wel op het gebied van de medicamenteuze behandeling.
8.3.
De rechtbank is het volgende van oordeel. Uit de beslissing van de zorgverantwoordelijke blijkt niet dat het in artikel 8:9 lid 4. sub b Wvggz genoemde ernstig nadeel zich voor doet. Daarom komt men toe aan de toets of verzoekster tot een redelijke waardering van zijn of haar belangen in staat was op het moment dat de zorgverantwoordelijke de beslissing ex artikel 8:9 Wvggz genomen heeft. Daarbij gaat het in onderhavige situatie niet om een algemene toetst of verzoekster geheel wilsbekwaam is, maar slechts of zij in deze wilsbekwaam is ten aanzien van de medicamenteuze behandeling. Daar richt de beslissing van de zorgverantwoordelijke zich immers op. De rechtbank moet controleren of de zorgverantwoordelijke de wilsbekwaamheid getoetst heeft gemaakt heeft, en of de zorgverantwoordelijke in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen.
8.4.
De rechtbank overweegt dat de zorgverantwoordelijk verzoekster beoordeeld heeft en bij de beoordeling ook rekenschap heeft gegeven van de voorgeschiedenis en het dossier. De zorgverantwoordelijk heeft geoordeeld dat verzoekster op dat moment niet tot een redelijke waardering van haar belangen in staat is, omdat zij niet de gevolgen overziet van haar handelen. Daarbij komt dat verzoekster niet inziet dat zij symptomen van een psychiatrisch ziektebeeld vertoond. De rechtbank oordeelt daarmee dat de zorgverantwoordelijke op juiste gronden en op een juiste wijze tot de conclusie is gekomen dat verzoekster wilsonbekwaam is ten aanzien van de medicamenteuze behandeling. Klacht 3 wordt daarom ongegrond verklaard.
9. Slotconclusie
De rechtbank is van oordeel dat de klachten ongegrond zijn. Nu de klachten ongegrond of niet-ontvankelijk zijn verklaard, komt rechtbank niet toe aan de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding
10. De beslissing
De rechtbank:
10.1.
wijst af het verzoek tot vernietigen van de beslissing van de klachtencommissie alsmede het verzoek tot een schadevergoeding.
Deze beschikking is mondeling gegeven en ondertekend op 24 juli 2025
door mr. G.J. Baken, rechter, bijgestaan door de griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
.. | ||
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! | ||
fn. 888
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Uitspraak 24‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Verzoek tot schorsing ex artikel 10:9 lid 1 Wvggz afgewezen.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
Zaak-/rekestnr.: C/17/200628 / FA RK 25-1389
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 24 juni 2025 op het verzoek tot schorsing ex artikel 10:9 lid 1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
op verzoek van:
[Naam] ,
geboren op [geboortedatum] , [geboorteplaats]
hierna: verzoekster,
wonende aan de [adres] ,
thans verblijvende bij GGZ Friesland, [locatie] ,
advocaat: mr. H.W. de Jong, kantoorhoudende te Leeuwarden.
als belanghebbende wordt aangemerkt:
- zorgaanbieder GGZ Friesland (hierna: verweerder).
1. Het procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van het beroepschrift van verzoekster met bijlagen, tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, ingekomen op 20 juni 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 23 juni 2025, op het verblijfadres van verzoekster. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- -
mr. H.W. de Jong, de advocaat van verzoekster;
- -
[Naam] , psychiater en tevens de zorgverantwoordelijke;
- -
[Naam] , psychiater in opleiding.
1.3.
Verzoekster is niet verschenen. Op het moment van de mondelinge behandeling verbleef zij op de spoedeisende hulp (SEH). De advocaat van verzoekster heeft bij aanvang van de zitting telefonisch contact opgenomen met verzoekster, zodat zij telefonisch gehoord zou kunnen worden. Verzoekster heeft daarop laten weten dat haar advocaat het woord mocht voeren namens haar.
1.4.
Teneinde de uitkomsten van het verblijf van verzoekster op de SEH in de afweging te kunnen betrekken heeft de rechtbank na afloop van de mondelinge behandeling nog kennis genomen van een schriftelijk addendum van verweerder, ingekomen bij de rechtbank op 24 juni 2025, alsmede een schriftelijke reactie daarop van mr. H.W. de Jong, namens verzoekster, eveneens ingekomen op 24 juni 2025.
2. De vaststaande feiten
2.1.
Bij beschikking van 28 april 2025 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoekster tot en met 28 juli 2025 een zorgmachtiging verleend, waarin de volgende vormen van verplichte zorg zijn opgenomen:
- het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter
behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- -
beperken van de bewegingsvrijheid;
- -
insluiten;
- -
uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- -
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van
communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
2.2.
Op 26 mei 2025 heeft de zorgverantwoordelijke besloten tot het verlenen van verplichte zorg door middel van een artikel 8:9 Wvggz beslissing, bestaande uit toediening van medicatie, verrichten van medische controles en andere medische handelingen en therapeutische maatregelen.
2.3.
Verzoekster heeft op 27 mei 2025 een klacht ingediend bij de Regionale Klachtencommissie Wvggz Friesland (hierna: de klachtencommissie) tegen de beslissing van de zorgverantwoordelijke om de in rechtsoverweging 2.2 genoemde vormen van verplichte zorg te gaan verlenen.
2.4.
De behandeling van de klacht door de klachtencommissie heeft op 2 juni 2025 plaatsgevonden. Verweerder is verschenen en heeft ook een schriftelijk verweer ingediend. Verzoekster is op de zitting mondeling gehoord door de klachtencommissie
2.5.
Bij schriftelijke beslissing van 10 juni 2025 heeft de klachtencommissie de klacht ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
2.6.
Op 17 juni 2025 is een eerste depot Xeplion aan verzoekster toegediend. Toediening van een tweede depot staat gepland op 24 juni 2025.
3. Het verzoek en verweer
3.1.
Kort en zakelijk weergegeven verzoekt verzoekster om haar klacht van 27 mei 2025 gegrond te verklaren en de beslissing van de klachtencommissie van 10 juni 2025 te vernietigen, alsook om – kort gezegd – bij gegrondverklaring van de klacht een schadevergoeding aan verzoekster toe te kennen. Tevens verzoekt zij – zo begrijpt de rechtbank – om de beslissing tot het toedienen van depotmedicatie te schorsen.
3.2.
Op dit moment verblijft verzoekster nog in de accommodatie. Verzoekster betwist de gestelde diagnose en vindt dat zij geen medicatie nodig. Vanwege de door haar ervaren bijwerkingen na het eerste depot wil zij voorkomen dat een tweede depot wordt toegediend. De toediening van het eerste depot is bovendien zeer hardhandig verlopen, waarbij verzoekster door zes medewerkers naar de isoleerruimte gesleept is. Verzoekster heeft hierbij doodsangsten uitgestaan, omdat ze geen lucht kreeg en duizelig werd. Sinds de toediening van het eerste depot is verzoekster bedlegerig en verplaatst zij zich in een rolstoel. Zij voelt zich benauwd en heeft ook incontinentieklachten. Verzoekster denkt dat dit alles te maken heeft met het depot. Volgens verzoekster zou haar cardioloog nog onderzoek doen naar de mogelijke effecten van paliperidon (het medicijn dat nu in depotvorm wordt toegediend) op haar aangeboren hartafwijking. Er moet volgens verzoekster worden gewacht op de bevindingen van de cardioloog die nu met vakantie is.
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is door de zorgverantwoordelijke – kort en zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat behandeling van verzoekster met medicatie in depotvorm noodzakelijk is omdat verzoekster de orale medicatie niet (goed) inneemt of volledig weigert. De behandeling van verzoekster stagneert hierdoor. Verzoekster is vanuit de (crisis)opname (vanaf maart 2025) in [plaats 1] overgeplaatst naar [locatie] in [plaats 1] . Daar was ook al de beslissing genomen tot het inzetten van verplichte zorg. Omdat in die kliniek op dat moment geen mogelijkheden waren om de behandeling voort te zetten is verzoekster weer teruggekomen naar [plaats 1] . Daar is eerst opnieuw geprobeerd om verzoekster te bewegen tot het (structureel) innemen van orale medicatie. Dat is echter niet gelukt. Er is zorgvuldig gekeken naar mogelijke bijwerkingen in relatie tot de somatische klachten/problemen die verzoekster heeft, zoals de aangeboren hartafwijking en de door haar ervaren oogproblemen. Er is een echo gemaakt van het hart waarop geen bijzonderheden waren te zien en vanuit de polikliniek cardiologie is gemeld dat er geen contra-indicaties zijn voor het toedienen van de beoogde depotmedicatie. Ook de bevindingen van de door verzoekster geraadpleegde optometrist vormen geen contra-indicatie. Het nu volgende depot moet een week na het eerste depot worden toegediend. Als dat niet gebeurt moet er weer opnieuw worden begonnen hetgeen tot een extra injectie leidt en de voortgang van de behandeling vertraagt. Het is de bedoeling dat verzoekster na toediening van het tweede depot met ontslag naar huis gaat. Er zijn geen aanwijzingen dat de somatische klachten die verzoekster nu benoemt, waaronder de incontinentie en het niet kunnen bewegen van ledematen, aan het depot kunnen worden gekoppeld. Daarbij heeft de psychiater opgemerkt dat verzoekster het betreffende medicijn ook enige tijd in tabletvorm heeft geslikt en dergelijke klachten toen niet heeft geuit/laten zien.
4. De beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 10:9 lid 1 Wvggz kan de rechtbank de beslissing, waartegen de klacht is gericht, schorsen. De rechtbank hanteert daarbij een terughoudende toets. Naar het oordeel van de rechtbank moet het gaan om een beslissing die op basis van een voorlopige beoordeling zodanig onredelijk of onbillijk is, dat dit een schorsing rechtvaardigt, of dat er op het moment van beoordelen een spoedeisend belang speelt. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is en zal daarom het schorsingsverzoek afwijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:2, lid 2 sub a Wvggz de basisvoorwaarde voor dwangbehandeling is dat het gedrag van verzoekster als gevolg van de psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. Wat betreft de psychische stoornis en het daaruit voortvloeiend ernstig nadeel verwijst de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank van 28 april 2025, waarbij ten aanzien van verzoekster een zorgmachtiging is afgegeven. De second opinion die na die tijd tot stand is gekomen maakt het vorenstaand niet anders. De betreffende psychiater heeft weliswaar geen diagnose gesteld maar heeft wel dezelfde symptomen (waanideeën) beschreven.
4.3.
Uit de verklaring van de psychiater ter zitting volgt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat het voorgeschreven medicijn (een antipsychoticum) in lijn is met de richtlijnen voor de behandeling van een ziektebeeld zoals dat van betrokkene en dat rekening is gehouden met de bij behandelaars bekende en door verzoekster gestelde bijwerkingen. Ook is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat op dit moment geen passend alternatief kan worden geboden. Verzoekster is niet betrouwbaar gebleken bij de inname van orale medicatie en/of heeft deze ook geweigerd. De behandeling stagneert hierdoor, waardoor ontslag nog niet mogelijk is geweest. Verzoekster is in het verleden (2023) ingesteld geweest op een ander, vergelijkbaar medicijn, haldol, waarbij verbetering van haar toestandsbeeld is gezien, maar verzoekster wilde dat medicijn, dat ook in depotvorm kan worden toegediend, niet opnieuw gebruiken. Ondanks het feit dat verzoekster niet betrouwbaar is gebleken bij de inname van antipsychotica in tabletvorm is in de periode dat zij de tabletten nog nam – waaronder ook het medicijn dat zij nu in depotvorm heeft gekregen – enige verbetering gezien van haar toestandsbeeld. In die periode was ook geen sprake van de fysieke klachten waarvan zij nu melding maakt. Door de psychiater is tijdens de zitting opgemerkt dat zij de nu geuite klachten ook niet aan het depot kan koppelen. Er is desalniettemin opnieuw contact geweest met de polikliniek cardiologie en de dienstdoend cardioloog heeft laten weten dat er geen contra-indicaties zijn voor toediening van het depot.
4.4.
Ook de bevindingen over het bezoek aan de SEH op 23 juni 2025 leiden niet tot een ander oordeel. Uit het addendum volgt dat een urineweginfectie is geconstateerd waarvoor een antibioticum is voorgeschreven. Klinisch was geen sprake van benauwdheid, de saturatie kende geen bijzonderheden en de longfoto was goed. Ook het algeheel onderzoek kende, behoudens de urineweginfectie, geen bijzonderheden.
4.5.
Een en ander leidt tot de slotsom dat de rechtbank onvoldoende aanleiding ziet om te kunnen concluderen dat sprake is van een onredelijke of onbillijke beoordeling door de zorgverantwoordelijke en in het verlengde daarvan ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding en/of spoedeisend belang om gebruik te maken van haar (discretionaire) bevoegdheid tot schorsing van het besluit tot het verlenen van verplichte zorg zoals hiervoor onder 2.2. is beschreven, in het bijzonder het toedienen van depotmedicatie, in afwachting van de beslissing op het beroep van verzoekster door de rechtbank.
4.6.
Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
wijst af het verzoek tot schorsing van het besluit (van 26 mei 2025) tot toediening van depotmedicatie zolang nog niet op het beroep is beslist;
5.2.
bepaalt dat de rechtbank het beroep tegen de beslissing van de regionale klachtencommissie zal behandelen op [datum] op de GGZ locatie in [plaats 1] , [adres] , waarvoor betrokkene, haar advocaat en de GGZ zullen worden opgeroepen door de rechtbank.
Deze beschikking is mondeling gegeven op 24 juni 2025 door mr. I.M. Dölle, rechter, bijgestaan door de griffier en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 7 juli 2025.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! | !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! | |
.. | ||
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! | ||
fn. 888
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.