Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.2.4.3
2.4.3 De en/of-betaalrekening
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948063:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.10.
Zie F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.10. Zie voorts R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 244 en 254; Asser/Perrick 3-V 2023/104; Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/9 en P.C. van Es, ‘De en/of rekening binnen een verzorgingsrelatie’, WPNR 2013/6987.
Zie F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.10 en R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 244 en 254. Zie voorts Asser/Perrick 3-V 2023/104; Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/9 en P.C. van Es, ‘De en/of rekening binnen een verzorgingsrelatie’, WPNR 2013/6987.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (MvA II), p. 133.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (MvA II), p. 133. Vgl. Asser/Perrick 3-V 2023/104 en Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/9. Zie tevens punt 2.14 en 2.15 van de conclusie van A-G Rank-Berenschot vóór HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5636, met verdere literatuurverwijzingen, en onder vermelding van de andersluidende opvattingen van P.W. van der Ploeg sr., ‘De en/of rekening’, WPNR 5968/1990, p. 447 en 451, alsmede F.J.M. Janssen, ‘Gemeenschap en haar ontstaan’, in: BW-krant Jaarboek 18 2002, p. 17-21.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (MvA II), p. 133. Vgl. F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. 15) 2019/14.10; Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/9; Asser/Perrick 3-V 2023/104 en P.C. van Es, ‘De en/of rekening binnen een verzorgingsrelatie’, WPNR 2013/6987, p. 691.
Zie F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.10; Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/9; Asser/Perrick 3-V 2023/104 en P.C. van Es, ‘De en/of rekening binnen een verzorgingsrelatie’, WPNR 2013/6987, p. 691. In de literatuur wordt dit ook wel zo uitgedrukt dat het tegoed op de rekening toekomt aan degene van wiens zijde het geld op de rekening terecht is gekomen. Zie Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/9. Zie in gelijke zin P.C. van Es, ‘De en/of rekening binnen een verzorgingsrelatie’, WPNR 2013/6987, p. 691.
Zie Asser/Perrick 3-V 2023/104; Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/9 en F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/14.10. Zie ook punt 2.14 van de conclusie van A-G Rank-Berenschot vóór HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5636.
Deze opvatting lijkt besloten te liggen in punt 2.15 van de conclusie van A-G Rank-Berenschot vóór HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5636, waar zij over de uitspraak van de Hoge Raad van 9 februari 2007 schrijft: “De gebruikte terminologie wijst erop dat naar het oordeel van Uw raad de vader aanvankelijk deelgenoot van het saldo op de rekening was en dit niettegenstaande de wijzing in de tenaamstelling ook heeft kunnen blijven, afhankelijk van de bedoeling van de rekeninghouders. […].” Vgl. Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/9, die ten aanzien van de uitspraak van de Hoge Raad een vergelijkbare opvatting lijken te huldigen.
Zie Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/9.
Zie P.C. van Es, ‘De en/of rekening binnen een verzorgingsrelatie’, WPNR 2013/6987, p. 692, die schrijft (onderstreping TS): “Wanneer men nu zo’n beding is overeengekomen (en in de onderlinge verhouding tussen de schuldeisers de prestatie slechts aan een van hen toekomt zodat van een gemeenschap geen sprake kan zijn), geldt dat de in geval van gemeenschap geldende regels van overeenkomstige toepassing zijn op de rechtsverhouding van de schuldeisers jegens de schuldenaar.”
Zie paragraaf 2.3 hiervóór.
Zie over die absolute werking van de regels van Titel 3.7 BW ook paragraaf 6 van hoofdstuk 3.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (MvA II), p. 133.
Zie paragraaf 6.6.2 van hoofdstuk 3.
Zie paragraaf 6.7 van hoofdstuk 3.
Vgl. R.E van Esch, Giraal betalingsverkeer (R&P nr. FR7) 2019, p. 355, die stelt dat onder omstandigheden een derdenbeslag gelegd ten laste van een van de rekeninghouders van een en/of-rekening of een andere meerhoofdige rekening onrechtmatig kan zijn als daarmee wordt beoogd verhaal te nemen op het saldo van de betaalrekening dat in de interne verhouding tussen de rekeninghouders toekomt aan een andere rekeninghouder dan de beslaglegger. Daarbij verwijst hij naar de uitspraak Rb. Amsterdam 1 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2982, in welke zaak de rechtbank oordeelde dat een derde geen beslag kon leggen ten laste van dochter op het saldo van een en/of-bankrekening op naam van vader en dochter. Daartoe overwoog de rechtbank: “13. Nu het saldo van de en/of–rekening uitsluitend afkomstig is van [eiser] en op basis van de interne relatie tussen [eiser] en de dochter – zolang [eiser] niets overkomt – uitsluitend [eiser] gerechtigd is tot het saldo van de en/of–rekening, is dit saldo niet vatbaar voor verhaal door Hoist Kredit ter voldoening van haar vordering op de dochter. Nu Hoist Kredit dat wel heeft gedaan – als gevolg van het beslag heeft de bank het beslagsaldo immers afgeboekt – heeft Hoist Kredit onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]. […].”
Vgl. voor de huwelijksgemeenschap het bepaalde in artikel 1:96 lid 6 BW, waarover paragraaf 3.2.3, randnummer 621, hierna.
Zie Broekveldt, Derdenbeslag (BPP nr. I) 2003, p. 908-909; P.C. van Es, ‘De en/of rekening binnen een verzorgingsrelatie’, WPNR 2013/6987, onder 7, en S. Brenninkmeijer, ‘Bankbeslag, wat moet worden verklaard? Perikelen voor banken bij het afleggen van verklaringen derdenbeslag’, BER 2019/133, p. 15. Zie tevens Gem. Hof NA en Aruba 6 februari 1996, ECLI:NL:OHJNA:1996:AB9328, NJ 1996/457; Rb. Alkmaar 30 november 2006, ECLI:NL:RBALK:2006:AZ3397; Rb. Assen 8 mei 2012, ECLI:NL:RBASS:2012:BW7958, JOR 2013/117 en Rb. Den Haag 1 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2372 (allen kenbaar uit voornoemd artikel van S. Brenninkmeijer).
Zie Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/9; Asser/Perrick 3-V 2023/104; P.C. van Es, ‘De en/of rekening binnen een verzorgingsrelatie’, WPNR 2013/6987, p. 693. Zie tevens Parl. Gesch. Boek 6 BW (TM), p. 132, waar wordt gesproken over ‘interne participatie’. Zie ook de punten 2.14 en 2.15 van de conclusie van A-G Rank-Berenschot vóór HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5636.
611. Tot nu toe is uitgegaan van een betaalrekening die op naam van één rekeninghouder staat geadministreerd. Volgens artikel 7:514 sub i BW is een betaalrekening echter een op naam van éénof meer betaaldienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt. Uit deze beschrijving volgt dat het dus ook mogelijk is dat een bankrekening wordt aangehouden door twee of meer betaaldienstgebruikers.1 Vaak is dan sprake van een en/of-bankrekening. Een en/of-rekening is een bankrekening waarbij de bank en de betaaldienstgebruikers met elkaar hebben afgesproken dat de bank voldoet aan zijn verplichting jegens alle betaaldienstgebruikers met nakoming aan een van hen.2 Vertoont de bankrekening een creditsaldo, dan zal ieder van hen ten laste van dat saldo chartaal geld kunnen opnemen of een betaalopdracht kunnen geven.3 De wettelijke grondslag voor een dergelijke afspraak is gelegen in artikel 6:16 BW.4 Dat artikel bepaalt dat wanneer met de schuldeiser is overeengekomen dat twee of meer personen als schuldeiser de prestatie van hem voor het geheel kunnen vorderen, des dat de voldoening aan de een hem ook jegens de anderen bevrijdt, op hun rechtsverhouding jegens de schuldenaar de in geval van gemeenschap geldende regels van overeenkomstige toepassing zijn.
612. Dat met de bank is afgesproken dat ieder van de rekeninghouders ten laste van het creditsaldo van de bankrekening chartaal geld kan opnemen of een betaalopdracht kan geven, en dat de bank jegens alle rekeninghouders afzonderlijk bevrijdend kan presteren, betekent niet dat er van een gemeenschap tussen de rekeninghouders sprake is.5 Om die reden spreekt artikel 6:16 BW ook van de regels van gemeenschap die ‘in de verhouding tussen de schuldenaar en de schuldeisers’ van ‘overeenkomstige toepassing’ zijn. Zou er in alle gevallen van een gemeenschap sprake zijn, dan was artikel 6:15 lid 2 BW, en daarmee de regels van gemeenschap, rechtstreeks van toepassing. De met de bank gemaakte afspraak staat dus volledig los van de vraag aan welke rekeninghouder het saldo van de en/of-rekening in goederenrechtelijke zin toebehoort.6 Vorderingen die ontstaan omdat de bank de en/of-rekening crediteert, komen toe aan de rekeninghouder ten gunste van wie de betaling heeft plaatsgevonden. Diegene heeft door creditering een vordering op de bank verkregen, en aan diegene behoort die vordering en dat deel van het saldo dus toe.7 De goederenrechtelijke gerechtigdheid tot het saldo van een en/of-bankrekening – i.e. het antwoord op de vraag welk deel van het saldo tot wiens vermogen behoort – is op ieder moment dus afhankelijk van de vraag ten gunste van wie de vorderingen zijn ontstaan die dat moment van het saldo van de bankrekening deel uitmaken. Dit kan dus ook betekenen dat het saldo van een en/of-rekening volledig aan een van de rekeninghouders toebehoort.8 Wat dat betreft vormt dus óók de en/of-rekening een uitzondering op het hiervóór in paragraaf 2.4.1 aangehaalde principe dat het saldo van een bankrekening in beginsel toebehoort aan degene op wiens naam de rekening is gesteld. In die zin ook de uitspraak HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5636, in welke uitspraak de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand liet dat het saldo van een en/of-effectenrekening volledig door de vrouw was gevoed en zij dus als enige in goederenrechtelijke zin tot dit saldo gerechtigd was, waar niet aan afdeed dat de effectenrekening mede op naam van de man stond. In dit verband kan bovendien worden gewezen op de uitspraak HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6525. In die uitspraak ging het om een en/of-rekening die een vader samen met zijn zoon aanhield, welke bankrekening vervolgens alleen op naam van de zoon werd gesteld. Ervan uitgaande dat de betreffende bankrekening vóór de wijziging van de tenaamstelling een en/of-rekening was, overwoog de Hoge Raad in het kader van de verdeling van de door echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap tussen vader en moeder (onderstreping TS):
“3.5.2 […] Bij dit uitgangspunt is voor de beantwoording van de vraag of de helft van het saldo tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort niet beslissend dat de rekening op 24 november 2000 op naam van de zoon van [verweerder] stond. Die (wijziging in de) tenaamstelling sluit niet uit dat [verweerder] ten opzichte van zijn zoon gerechtigd is gebleven tot enig deel – naar [eiseres] stelt: de helft – van het saldo. Of dit laatste het geval is, hangt af van de bedoeling die [verweerder] en zijn zoon hadden met de door [eiseres] gestelde wijziging van de tenaamstelling in de loop van 2000. […].”
Dit oordeel impliceert dat vóórdat de bankrekening alleen op naam van de zoon werd gesteld, vader en zoon ieder gerechtigd waren tot een deel van het saldo van die bankrekening, welk deel voor ieder van hen niet per definitie de helft van dat saldo hoefde te zijn. De Hoge Raad spreekt immers over ‘enig deel’, en niet over de helft. Ook in dit oordeel ligt derhalve besloten dat bij een en/of-rekening niet zonder meer van een gemeenschap en/of een gelijke gerechtigdheid tot het saldo sprake is, maar dat die gerechtigdheid wordt bepaald door de wijze waarop die rekening is gevoed. Daarbij zij wel opgemerkt dat uit dit oordeel van de Hoge Raad nietafgeleid mag worden dat vader ook ná de wijziging van de tenaamstelling in goederenrechtelijke zin nog tot enig deel van het saldo gerechtigd was gebleven.9 Na de wijziging van de tenaamstelling geldt immers het uitgangspunt van de Hoge Raad in het Procall-arrest, dat uit artikel 3:276 BW voortvloeit dat een bankrekening behoort tot het vermogen van degene op wiens naam die rekening is gesteld. Voor wat betreft de periode ná de wijziging van de tenaamstelling moet de uitspraak van de Hoge Raad dus louter in obligatoire zin worden begrepen; het saldo van de bankrekening behoorde na de wijziging van de tenaamstelling in goederenrechtelijke zin alleen aan de zoon toe, hetgeen echter niet uitsloot dat de vader in de verhouding tot zijn zoon – dus in obligatoire zin – gerechtigd was gebleven tot enig deel van het saldo (precies zoals de Hoge Raad het in r.o. 3.5.2 ook formuleert).
613. Dat de tenaamstelling van en/of-bankrekening nog niets zegt over de gerechtigdheid tot het saldo, of het bestaan van een goederenrechtelijke gemeenschap tussen de rekeninghouders in de zin van Titel 3.7 BW, wil niet zeggen dat er bij een en/of-rekening nooit sprake kan zijn van een dergelijke gemeenschap. De vraag is alleen wel wannéér daar dan sprake van is. In de literatuur lijkt de gedachte te bestaan dat reeds van een gemeenschap tussen de en/of-rekeninghouders sprake zou zijn als ieder van hen geld op de rekening heeft gestort of doen storten. In die zin bijvoorbeeld van Mourik & Schols, die schrijven:10
“Als meer personen geld op de rekening storten of doen storten, vermengen de gelden zich. In dat geval zal een gemeenschap moeten worden aangenomen waartoe de deelgenoten zijn gerechtigd overeenkomstig het aandeel in het tegoed op de rekening. Dat aandeel is gerelateerd aan de herkomst van de gelden. Men herinnere zich HR 12 januari 1968, NJ 1968/274 (Teixeira de Mattos).”
In gelijke zin Perrick, die schrijft dat indien in de interne relatie tussen de schuldeisers slechts een van hen rechthebbende is, er geen gemeenschap van het vorderingsrecht op de bank kan zijn, waardoor de gemeenschapstitel niet rechtstreeks van toepassing is.11 Dit impliceert dat wanneer ieder van de rekeninghouders een bedrag op de rekening heeft gestort of doen storten, er tussen hen wél een gemeenschap zou bestaan. Ook Van Es huldigt deze opvatting.12 Wat mij betreft moet deze opvatting niet gevolgd worden. Zij gaat er ten onrechte van uit dat er slechts één vorderingsrecht op de bank zou bestaan. Hiervóór is reeds uiteengezet dat dit niet het geval is, omdat ook de bankrekening-courant geen ondeelbaar geheel is.13 Weliswaar kan op grond van artikel 6:140 lid 1 BW géén nakoming worden gevorderd van een afzonderlijke in de bankrekening-courant opgenomen vordering, maar het op ieder tijdstip verschuldigde saldo is samengesteld uit de in de bankrekening-courant opgenomen en nog niet verrekende posten. Ervan uitgaande dat het creditsaldo van een bankrekening is opgebouwd uit meerdere afzonderlijke vorderingen op de bank, zal per afzonderlijke vordering vastgesteld moeten worden wie rechthebbende op die vordering is. Rechthebbende is degene die door creditering de betreffende vordering op de bank heeft verkregen. Zijn er door verschillende transacties ten gunste van verschillende rekeninghouders vorderingen ontstaan, dan is iedere rekeninghouder slechts gerechtigd tot de vordering die hijzelf door creditering van de bankrekening op de bank heeft verkregen. Van een gemeenschap is dan dus geen sprake. De afzonderlijke vorderingen behoren de rekeninghouders niet gemeenschappelijk toe. Van een gemeenschap is slechts sprake indien en voor zover een vordering op de bank is ontstaan door creditering ten gunste van meerdere rekeninghouders. Tussen die rekeninghouders bestaat dan ten aanzien van dat deel van het saldo een gemeenschap. Voor dat deel van het creditsaldo geldt dan het bepaalde in artikel 6:15 lid 2 BW. Daardoor zijn op dat deel van het creditsaldo de regels van gemeenschap (i.e. Titel 3.7 BW) niet slechts op grond van artikel 6:16 BW van overeenkomstige toepassing op de (obligatoire) verhouding tussen de rekeninghouders en de bank, maar bepalen deze regels hun positie jegens eenieder.14
614. Uit het voorgaande volgt dat bij een en/of-rekening onderscheid gemaakt moet worden tussen dat deel van het saldo dat daadwerkelijk gemeenschappelijk aan de rekeninghouders toebehoort, en dat deel van het saldo dat niet gemeenschappelijk aan hen toebehoort, maar waarop in de onderlinge verhouding tussen de rekeninghouders en de bank op grond van artikel 6:16 BW de regels van gemeenschap wél van overeenkomstige toepassing zijn. De van-overeenkomstige-toepassingsverklaring van de regels van Titel 3.7 BW op het niet-gemeenschappelijke deel van het saldo van de en/of-rekening is immers louter obligatoir van aard. De regels van Titel 3.7 BW bepalen ten aanzien van dat deel van het saldo alléén de verhouding tussen de rekeninghouders onderling en hun verhouding tot de bank. Derden, zoals schuldeisers, kunnen daar géén rechten aan ontlenen. Zij zijn gebonden aan de goederenrechtelijke positie die ieder van de rekeninghouders ten aanzien van het saldo op de bankrekening inneemt. Bij de vaststelling van die goederenrechtelijke positie staat voorop dat iedere afzonderlijke vordering die van het creditsaldo deel uitmaakt, toebehoort aan de rekeninghouder(s) ten gunste van wie die vordering door creditering van de bankrekening is ontstaan. Voor het ‘echt’ gemeenschappelijke deel van het saldo is dat geen probleem (dus dat deel dat de rekeninghouders in goederenrechtelijke zin ook écht gemeenschappelijk toebehoort). Uit de parlementaire geschiedenis volgt immers dat de wetgever ervan uitgaat dat voor dat deel van het saldo dat daadwerkelijk gemeenschappelijk aan de rekeninghouders toebehoort, in de raamovereenkomst die de rekeninghouders met de bank hebben gesloten een regeling besloten ligt waarmee zij afwijken van de regel die uit artikel 3:170 lid 2 BW volgt dat zij slechts gezamenlijk tot ‘inning’ van het saldo kunnen overgaan.15 Aldus ligt in de overeenkomst met de bank een beheersovereenkomst in de zin van artikel 3:168 lid 1 BW besloten, welke overeenkomst op grond van artikel 3:168 lid 4 BW absolute werking heeft.16 Dat betekent dat ook schuldeisers van ieder van de rekeninghouders zich volledig op het gemeenschappelijke deel van het saldo van de en/of-rekening kunnen verhalen, ook al behoort dit deel niet volledig aan hun schuldenaar toe. Hun positie is ten aanzien van het gemeenschappelijke deel van het saldo immers afgeleid van de absolute positie van de rekeninghouders zelf.17 Dit geldt echter nietvoor dat deel van het saldo dat niet (in goederenrechtelijke zin) gemeenschappelijk aan de rekeninghouders toebehoort. Op dat deel van het saldo van de bankrekening kunnen alléén de schuldeisers zich verhalen van de rekeninghouder(s) aan wie dat deel van het saldo toebehoort. Daaraan doet niet af dat ieder van de rekeninghouders op grond van de overeenkomst met de bank bevoegd is om het gehele saldo te innen (artikel 6:16 BW). Die afspraak heeft immers enkel werking in de verhouding tussen de rekeninghouders en de bank onderling, en beheerst niet de positie van de rekeninghouders jegens andere derden. Dat betekent dat schuldeisers van een rekeninghouder zich dus niet altijd zullen kunnen verhalen op het volledige saldo van een en/of-bankrekening. Schuldeisers van ieder van de rekeninghouders kunnen zich enkel verhalen op het volledige deel van het saldo dat gemeenschappelijk aan de rekeninghouders toebehoort, alsmede op het niet-gemeenschappelijke deel van het saldo, indien en voor zover dit aan zijn/of haar schuldenaar toebehoort.18 Wel kan wat mij betreft op de grond van de en/of-tenaamstelling het vermoeden worden aangenomen dat iedere schuldeiser van een rekeninghouder er, behoudens tegenbewijs, van uit mag gaan dat hij zich op het volledige saldo van de en/of-bankrekening kan verhalen.19 In de literatuur en jurisprudentie wordt over dit alles ook wel anders gedacht.20 Daarbij wordt dan uit de bevoegdheid van ieder van de rekeninghouders om jegens de bank over het gehele saldo van de bankrekening te kunnen ‘beschikken’ afgeleid dat de schuldeisers van ieder van de rekeninghouders zich op het gehele saldo van de bankrekening zouden kunnen verhalen. Naar mijn mening wordt met deze opvatting dus miskend dat het feit dat ieder van de rekeninghouders jegens de bank bevoegd is om ten laste van het volledige saldo chartaal geld op te nemen of een betaalopdracht, (nog) niet betekent dat het saldo ook aan alle rekeninghouders volledig toebehoort. Aan iedere rekeninghouder behoort slechts dat deel van het saldo toe, dat is gevormd uit die vorderingen die zijn ontstaan omdat de rekening – mede – ten gunste van hem is gecrediteerd. Alleen op dát deel van het saldo kunnen zijn schuldeisers zich op grond van artikel 3:276 jo. 3:168 lid 1 en 4 BW verhalen. Op het andere deel kunnen zijn géén verhaal nemen, ook al is de rekening mede op hun naam gesteld. Zet men dit alles op een rij, dan is ook helder dat de gerechtigdheid tot het saldo van de en/of-rekening niet louter ‘de interne verhoudingen’ tussen de rekeninghouders betreft, zoals regelmatig wordt geschreven.21 De vraag naar ieders gerechtigdheid tot het saldo betreft een goederenrechtelijke aangelegenheid, en heeft daarmee absolute werking (wie is rechthebbende van welk deel van het creditsaldo?). Aldus heeft het antwoord op deze vraag óók voor derden gevolgen, waaronder de schuldeisers van ieder van de rekeninghouders.