Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/1.4
1.4 Methode
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491129:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:524; HR 30 januari 1959,ECLI:NL:HR:1959:AI1600(Quint/Te Poel); Giesen, Rechtsvorming in het privaatrecht (Mon. BW A3) 2020/25; C.J.H. Jansen 2016, p. 157-158; Smits 2015, p. 33-44; Asser/Vranken Algemeen deel **** 2014/8-10, 15; Bartels 2012, p. 486; Vranken 2010, p. 319; Tijssen 2009, p. 161-164; J.B. Vegter 1990; Asser/Scholten Algemeen deel * 1974/28; Suijling I 1948, nr. 24-29.
Tijssen 2009, p. 107.
C.J.H. Jansen 2016, p. 77-84, 158; Asser/Vranken Algemeen deel **** 2014/153; Vranken 2010, p. 321; Odekerk 1999, p. 228-231; Asser/Vranken Algemeen deel ** 1995/201, 203, 205, 215. Vgl. Giesen, Rechtsvorming in het privaatrecht (Mon. BW A3) 2020/34; Zweigert & Kötz 1998, p. 46-47.
Parl. Gesch. BW Algemeen deel, p. 131-134; Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 330; C.J.H. Jansen 2016, p. 111-114; C.J.H. Jansen 2015, p. 36-39, 56-58, 198-202, 295-296, 308-309, 316; Zweigert & Kötz 1998, p. 102-103. Vgl. Hartkamp, Aard en opzet vermogensrecht (Mon. BW A1) 2017/7; Hondius 2014; Asser/Vranken Algemeen deel ** 1995/210.
Vgl. Asser/Vranken Algemeen deel **** 2014/148.
Vgl. Asser/Vranken Algemeen deel ** 1995/212-215.
Lokin, Zwalve & Jansen 2020, p. 366-376, 379-400; C.J.H. Jansen 2015, p. 39-47, 55-58, 115-119, 121; Zwalve 2006, p. 16-31, 65-68; Zweigert & Kötz 1998, p. 101-103, 132-142; Asser/Vranken Algemeen deel ** 1995/210-211. Vgl. Parl. Gesch. BW Algemeen deel, p. 131-134. Vgl. ook Odekerk 1999, p. 231.
Vgl. § 469, 470, 526 en 1446 ABGB; § 58 GBG 1955; Art. 733, 735, 842, 854 en 860 ZGB.
Zie §9.3 en 9.5.
9. In dit proefschrift verricht ik juridisch-dogmatisch onderzoek. De onderzoeksvraag beantwoord ik door analyse van het systeem van het burgerlijk recht. Onderzocht wordt welke ordening in dat systeem besloten ligt.1 Daarbij maak ik gebruik van de wet, parlementaire stukken, literatuur, jurisprudentie, van vergelijking met verwante (binnen- en buitenlandse) rechtsfiguren en van het doen van gedachte-experimenten. Al deze methoden hebben tot doel om te vast te stellen in welke gevallen een eigenaar volgens het geldende recht een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben.
Literatuur en jurisprudentie heb ik gevonden door het systematisch doorzoeken van juridische digitale databases, bibliotheekcatalogi en andere databanken, aan de hand van verschillende zoektermen die verband houden met de onderzoeksvraag. Verder heb ik juridische handboeken systematisch doorzocht op relevante informatie. Ook heb ik bronnen gevonden door het fysiek doorzoeken van relevante deelcollecties van juridische bibliotheken en doordat collega-juristen mij attent hebben gemaakt op bepaalde bronnen. Verwijzingen in de gevonden bronnen heb ik eveneens bestudeerd, alsmede de daarin opgenomen verwijzingen, enzovoorts (de zogeheten sneeuwbalmethode).2 De op deze wijze gevonden bronnen heb ik geselecteerd op bruikbaarheid voor het onderzoek en zijn terug te vinden in de voetnoten. Daarbij verdient opmerking dat veel bestudeerde bronnen de selectie niet hebben doorstaan, omdat zij niet relevant bleken te zijn voor de beantwoording van de onderzoeksvraag. Het onderzoek is afgesloten op 1 september 2021.
10. De rechtsvergelijking gebruik ik voor het opdoen van inspiratie en voor het kunnen ‘lenen’ van argumenten. Dit houdt ermee verband dat in het Nederlandse rechtsgebied weinig literatuur en jurisprudentie aanwezig is over de onderzoeksvraag. Normen die in andere rechtsstelsels of in andere rechtsgebieden zijn geformuleerd, kunnen tot inspiratie dienen bij het formuleren van normen voor het Nederlandse goederenrecht. Daarbij gaat het niet zozeer om de normen in andere rechtsstelsels of rechtsgebieden op zichzelf, maar om de argumenten of belangenafwegingen die ten grondslag liggen aan die normen.3 Vragen die in andere rechtsstelsels worden gesteld, kunnen vaak ook in het Nederlandse recht worden gesteld.
De rechtsvergelijking richt zich voornamelijk op het Duitse recht. Ik heb gekozen voor dat rechtsstelsel, omdat daar relatief veel literatuur en jurisprudentie aanwezig is over het onderwerp van dit proefschrift. In de Duitse wetgeving zijn ook meer bepalingen te vinden over beperkte rechten op een eigen zaak dan in het Nederlandse recht. Het leerstuk is in Duitsland meer tot ontwikkeling gekomen. Verder komt de structuur van het Duitse goederenrecht in grote lijnen overeen met het Nederlandse goederenrecht.4 Dat is relevant, omdat dit een indicatie is dat oplossingen uit het Duitse recht gemakkelijk inpasbaar zijn in het Nederlandse recht.5 Het Duitse recht is daarom een goede inspiratiebron. Het feit dat het Duitse recht een inspiratiebron is, wil niet zeggen dat ik oplossingen uit het Duitse recht één op één transponeer naar het Nederlandse recht. Steeds onderzoek ik of de Duitse oplossingen passen in het systeem van het Nederlandse recht. Daarbij besteed ik aandacht aan de verschillen tussen het Nederlandse en het Duitse burgerlijk recht. Het kan zijn dat de afweging van argumenten – die ik aan het Duitse recht ontleen – in het Nederlandse recht anders uitpakt, zodat ik tot een andere uitkomst kom.6
Het Oostenrijkse, Zwitserse, Franse en Belgische recht heb ik ook bestudeerd. Die rechtsstelsels zouden in beginsel eveneens geschikt kunnen zijn voor vergelijking, omdat die rechtsstelsels veel overeenkomsten vertonen met het Nederlandse recht.7 Het Oostenrijkse en het Zwitserse recht hebben op het gebied van het onderwerp van dit proefschrift veel overeenkomsten met het Duitse recht.8 Over het Duitse recht heb ik echter aanzienlijk meer literatuur en jurisprudentie aangetroffen. Om die reden heb ik ervoor gekozen het Zwitserse en het Oostenrijkse recht niet bij het onderzoek te betrekken. In de Franse en Belgische literatuur en jurisprudentie heb ik onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor een vergelijking. Het leerstuk van beperkte rechten op een eigen zaak is in die rechtsstelsels daarvoor onvoldoende tot wasdom gekomen. Incidenteel maak ik wel een vergelijking met het Franse recht, omdat op enkele specifieke punten vergelijking wel tot nuttige inzichten leidt.9