Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.2.1
3.2.1 Algemene of contextuele betekenis
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476850:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Galen 1996, p. 393; Van Galen & Van Apeldoorn 1998/220; Verhagen & Rongen 2000, p. 53-54; en Rongen 2012/912.
Zie hierover Hartkamp 2005/13 e.v. en Hartkamp 2010/11.
Vgl. Van Galen 1996, p. 393; Van Galen & Van Apeldoorn 1998/220; Verhagen & Rongen 2000, p. 53-54; en Rongen 2012/912.
HR 11 juli 2014, NJ 2014/407, m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2015/175, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (Berzona).
Vgl. art. 24 en 26 jo. 128-131 Fw en HR 5 januari 1923, NJ 1923/359 (Petkovic/Modderman q.q.). Het uitgangspunt lijkt echter verlaten met HR 19 april 2013, JOR 2013/224, m.nt. G.A.J. Boekraad, NJ 2013/291, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Koot Beheer/Tideman q.q.).
Van Galen 1996, p. 395, 397 en 413.
Vgl. art. 20, 193 lid 1 en 194 Fw. Vgl. ook HR 19 december 2014, JOR 2015/213, m.nt. S.R. Damminga, NJ 2015/168, m.nt. F.M.J. Verstijlen (X/Benedictus q.q.).
Zie ook HR 5 januari 1990, NJ 1990/325 (Dubbeld/Laman).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/424.
Vgl. Out 2002, p. 63-64, die de onverschuldigde betaling als toetssteen gebruikt voor het vaststellen van het al dan niet bestaan van een vordering.
Van Galen & Van Apeldoorn 1998/220. Anders: Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/325.
HR 3 december 2010, JOR 2011/63, m.nt. B.A. Schuijling (ING/Nederend q.q.).
Vgl. Boekraad 1997, p. 18-19 en Rijckenberg 2009, p. 137.
Vgl. art. 6:2 lid 2 BW. Vgl. ook Verstijlen 2013a over het (beperkte) nut van een gedifferentieerd ontstaansmoment bij vorderingen. Zie ook nr. 279.
Zie HR 9 januari 1987, NJ 1987/506, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Delta Lloyd/Zwolsche) en HR 10 juni 1988, NJ 1989/30, m.nt. J.B.M. Vranken (Skipool/Rotterdam). Zie ook Faber 2005/39 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/228.
Zie art. 37a en 136 Fw. De resterende vraag is of deze uitzonderingen limitatief zijn. Zie daarover Boekraad 1997, p. 17-30, 52-56 en 63-66; en Rijckenberg 2009, p. 140-141. Zie ook HR 19 april 2013, JOR 2013/224, m.nt. G.A.J. Boekraad, NJ 2013/291, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Koot Beheer/Tideman q.q.).
45. Het is de vraag in hoeverre een eenduidige betekenis kan worden toegekend aan de begrippen “toekomstige goederen” of “toekomstig goed”. In de literatuur is wel bepleit dat het begrip “toekomstig” contextgebonden is.1 De betekenis van het begrip zou in dat geval kunnen verschillen per wetsartikel of per toepassingsvorm. Zo zou een goed voor de ene toepassing kunnen worden aangemerkt als toekomstig en voor de andere toepassing als reeds bestaand.
Als uitgangspunt geldt dat het niet is uitgesloten dat gelijke bewoordingen verschillende betekenissen kunnen hebben in een verschillende context. Dat kan ook het geval zijn bij begrippen uit het Burgerlijk Wetboek. In het huidige wetboek is weliswaar gestreefd naar een strakkere en meer vaste terminologie dan het geval was onder het voormalige wetboek, maar van een volledige eenheid is geen sprake. Aan een wettelijk begrip komt derhalve niet steeds dezelfde betekenis toe. Een term moet steeds mede aan de hand van de context worden uitgelegd. Het kan daarom voorkomen dat een bepaald begrip in verschillende wetsbepalingen verschillend moet worden begrepen.2
Een contextuele benadering is in het bijzonder bepleit ten aanzien van de afbakening tussen toekomstige en bestaande vorderingen.3 Het ontstaansmoment van een vordering is niet alleen van belang voor een cessie of verpanding bij voorbaat van de vordering en een tussentijds faillissement van de cedent of pandgever. Het ontstaansmoment is ook relevant bij enkele andere faillissementsrechtelijke kwesties. Zo is het al dan niet bestaan van een vordering beslissend voor het antwoord op de vraag of een vordering kan dienen als steunvordering bij faillietverklaring. Een toekomstige vordering is daartoe namelijk niet geschikt.4 Daarnaast is (of wellicht beter gezegd: was) het tijdstip van ontstaan van belang voor de beoordeling of een vordering van een schuldeiser geverifieerd kan worden in het faillissement van zijn schuldenaar. In beginsel kunnen slechts diegenen opkomen in het faillissement die op het moment der faillietverklaring schuldeiser zijn, en wel voor het bedrag dat zij op dat moment te vorderen hebben. De (dag van de) faillietverklaring fixeert de passiva van de failliet. Vorderingen die nadien ontstaan zijn in principe niet verifieerbaar.5 Van Galen heeft bijvoorbeeld betoogd dat de afbakening tussen toekomstige en bestaande vorderingen ter zake van cessie en verpanding een andere is dan die ter zake van de verificatie in faillissement.6 Het ontstaansmoment is, tot slot, ook van belang om te bepalen of een vordering in de boedel valt – al dan niet als een nagekomen bate.7
Daarnaast, en ook buiten het faillissementsrecht, zijn nog enkele andere voorbeelden te bedenken waar het onderscheid tussen een toekomstige en bestaande vordering van beslissend belang kan zijn. In de eerste plaats bij verhaal krachtens een recht van pand of hypotheek. Een toekomstige vordering kan zonder probleem door een zekerheidsrecht worden gedekt,8 maar bij de verdeling van de opbrengst kunnen deze vorderingen niet onverkort worden verhaald.9 Of een vordering reeds bestaat is voorts van belang voor verrekening. Verrekening op grond van art. 6:127 vereist het over en weer bestaan van vorderingen tussen dezelfde partijen. De vereiste wederkerigheid ontbreekt indien een van de betrokken vorderingen vooralsnog toekomstig is. Voor verrekening in faillissement geldt op grond van art. 53 lid 1 Fw dat vorderingen die ten tijde van de faillietverklaring reeds bestonden verrekend mogen worden, maar vorderingen die eerst nadien zijn ontstaan slechts indien zij voortvloeien uit een handeling vóór de faillietverklaring met de gefailleerde verricht. In het huwelijksvermogensrecht is het ontstaansmoment van een vordering bijvoorbeeld relevant voor het antwoord op de vragen of de schuldeiser zijn verhaalsrecht houdt op de goederen van de gemeenschap, na de ontbinding maar vóór de verdeling daarvan (art. 1:100 lid 2 BW) en of de voormalig echtgenoten aansprakelijk blijven voor de gemeenschapsschulden op grond van art. 1:102 BW.10 Een laatste voorbeeld vormt de figuur van onverschuldigde betaling. Een prestatie is onder meer onverschuldigd verricht indien de prestant het betaalde (nog) niet was verschuldigd.11 De betaling van een toekomstige vordering kan, in tegenstelling tot de betaling van een bestaande vordering, als onverschuldigd worden teruggevorderd.12
Voor een contextgebonden uitleg is mede een beroep gedaan op de rechtspraak van de Hoge Raad. Zo boog de Hoge Raad zich in het arrest WUH/Emmerig q.q. over de vraag of de cessie van huurtermijnen die eerst na de faillietverklaring van de verhuurder opeisbaar werden, kon worden tegengeworpen aan de faillissementsboedel. Hij overwoog hier:
“Het lot van het middel hangt derhalve af van het antwoord op de vraag of zodanige huurtermijnen met het oog op de voormelde toepassing van art. 23 Fw als op de dag van de faillietverklaring nog toekomstige vorderingen moeten worden beschouwd.” (cursivering, BAS)
In deze formulering wordt door sommigen een bevestiging gelezen van een bijzondere benadering voor het faillissementsrecht.13 Naast het arrest WUH/Emmerig q.q. kan worden gewezen op het meer recente arrest ING/Nederend q.q.14 Het oordeel omtrent het ontstaansmoment van bepaalde restitutievorderingen werd door de Hoge Raad toegespitst op de toepassing van art. 35 lid 2 Fw. Hij oordeelde dat:
“Vorderingen tot ongedaanmaking of restitutie als gevolg van ontbinding of opzegging van een overeenkomst, moeten voor de toepassing van art. 35 lid 2 F. worden aangemerkt als vorderingen die pas ontstaan door de genoemde beëindigingshandeling, zodat de schuldeiser die vorderingen pas op dat moment verkrijgt.” (cursivering, BAS)
De bewoordingen van de Hoge Raad lijken ruimte laten om voor de toepassing van andere wetsartikelen tot een ander oordeel te komen. Niettemin lijkt mij het uiteenlopen van betekenissen in ieder geval ondenkbaar waar het bepalingen betreft die in wezen dezelfde figuur reguleren, zoals art. 3:97 BW en art. 35 lid 2 Fw ten aanzien van de levering bij voorbaat.15 Ook buiten dit terrein meen ik dat een contextuele benadering moet worden afgewezen. Het strookt niet goed met het wettelijk stelsel, en in het bijzonder het goederenrechtelijk systeem, om met het oog op het ene rechtsgevolg wel het bestaan van een goed aan te nemen en met het oog op een ander rechtsgevolg niet. Een dergelijke relativering van het bestaan of toebehoren van goederen zou leiden tot een praktisch niet goed hanteerbaar systeem. Daarbij komt dat de rechtszekerheid is gediend met een eenduidige uitleg van begrippen die binnen het vermogensrecht worden gebezigd.16 Ik meen dat het begrip toekomstig goed en de afbakening tussen toekomstige en tegenwoordige goederen een algemeen karakter dient te hebben. Simpel gezegd: een goed bestaat, of het bestaat niet en een goed maakt onderdeel uit van iemands vermogen, of doet dat niet. De algemene afbakening van het begrip kan daardoor in elke relevante context worden toegepast.
Mocht het onderscheid tussen een toekomstig en tegenwoordig goed bij de toepassing van een bepaalde regel tot een onaanvaardbaar resultaat leiden, dan ligt het voor de hand om niet zozeer het onderscheid tussen bestaand en toekomstig te “contextualiseren”, maar veeleer om een uitzondering op de regel of een uitzondering voor het concrete geval te aanvaarden.17 Ten aanzien van een aantal figuren waar het onderscheid tussen toekomstige en bestaande vorderingen relevant is, zijn dergelijke uitzonderingen reeds aan te wijzen. Zo is bijvoorbeeld ter zake van verrekening een nuancering aanvaard op het wederkerigheidsvereiste voor toekomstige (regres- en vrijwarings)vorderingen die de schuldenaar met en door zijn betaling aan zijn schuldeiser zal verkrijgen.18 Een ander voorbeeld ziet men bij de verificatie van vorderingen in faillissement. Daar bestaan enkele nuanceringen waardoor de schuldeisers van bepaalde vorderingen die ten tijde van de faillietverklaring nog toekomstig waren, maar voortvloeien uit toen reeds bestaande rechtsverhoudingen, niettemin kunnen opkomen in het faillissement van de schuldenaar.19 Deze voorbeelden lijken te staven dat ook de rechter en de wetgever de aanvaarding van uitzonderingen in knellende toestanden verkiezen boven een contextuele aanpak.