Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.3.7
4.3.7 Argumenten voor schrapping van lid 3
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644952:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 74 e.v.
MvA II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 74 e.v.
VC II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 81 e.v. Art. 3:266 BW: “Is een zaak aan hypotheek onderworpen en heeft de hypotheekgever hieraan na de vestiging van de hypotheek veranderingen of toevoegingen aangebracht zonder dat hij verplicht was deze mede tot onderpand voor de vordering te doen strekken, dan is hij bevoegd deze veranderingen en toevoegingen weg te nemen, mits hij de zaak in de oude toestand terugbrengt en desverlangd voor de tijd dat dit nog niet is geschied, ter zake van de waardevermindering zekerheid stelt. Degene die gerechtigd is tot te velde staande vruchten of beplantingen, is bevoegd deze te oogsten; kon dit voor de executie niet geschieden dan zijn hij en de koper verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de verplichtingen die afgaande en opkomende pachters op grond van de bepalingen betreffende pacht jegens elkaar hebben.”
NvW, art. 3.9.4.8b, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 819: “Dit nieuwe artikel komt tegemoet aan een moeilijkheid die bij het mondeling overleg over artikel 3.1.1.3 van de zijde van de Commissie is gesignaleerd en waarvoor toen van regeringszijde een oplossing als thans voorgesteld is aangekondigd.” Zie ook: V.C. II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 81 e.v.
VC II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 81 e.v; N.v.W, art. 3.9.4.8b, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 819 e.v.
VC II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 82.
NvW, art. 3.9.4.8b, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 819.
Zie Hoofdstuk 1, §1.10.
MvA, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 74 e.v.
Dit is niet het geval als sprake is van een opstalrecht.
De bedenkingen die in het VV zijn geuit, hebben paradoxaal genoeg niet geleid tot een verbreding, maar tot afschaffing van de regeling. Blijkens de MvA viel inderdaad niet in te zien dat in het ene geval (verkoop onder eigendomsvoorbehoud) wel en in het andere geval (bruikleen) de eigendom niet kon worden voorbehouden door inschrijving van een akte in de registers. Een verruiming van de bepaling zou echter om verschillende redenen tot problemen leiden, waardoor helemaal van de regeling werd afgezien. Een belangrijke reden voor de schrapping van lid 3 was de rechtszekerheid.
“Een stelsel waarin men zich onbeperkt zijn recht op een bestanddeel van een zaak zou kunnen voorbehouden, zou immers tot grote onzekerheid leiden, met name voor de crediteuren van degene aan wie de hoofdzaak toebehoort, waaronder hen die zich op de hoofdzaak een zakelijke zekerheid bedongen. Zo zou b.v. de hypotheekhouder er nimmer zeker van kunnen zijn dat bestanddelen als een centrale verwarmingsinstallatie of een scheepsmotor onder zijn onderpand zijn begrepen. Zij kunnen in dit stelsel immers aan een derde toebehoren.”1
Omwille van de rechtszekerheid werden zakelijke rechten op bestanddelen dus bij nader inzien niet toegestaan. Crediteuren moesten erop kunnen vertrouwen dat de bestanddelen niet aan een ander toebehoorden dan de eigenaar van de eenheidszaak. Daarnaast werd in de MvA een ander argument aangedragen, namelijk dat bij honorering van het eigendomsvoorbehoud waardeverlies kon optreden. De verbonden zaken gezamenlijk leveren doorgaans meer op dan afzonderlijk. De leverancier onder eigendomsvoorbehoud zal, bij het uitblijven van betaling door de koper, zijn zaak terug willen. Deze zaak is echter vaak aangepast aan de onroerende zaak. In de MvA wordt het voorbeeld gegeven van een verwarmingsinstallatie die in een gebouw is verwerkt. De installatie zal afzonderlijk een naar verhouding geringe waarde vertegenwoordigen, terwijl de waardevermindering van het gebouw en het daarmee gepaard gaande nadeel voor de eigenaar en diens overige schuldeisers (en dus de gemeenschap) vaak onevenredig veel groter zullen zijn. Vandaar dat de regeling niet wenselijk was, zo valt te lezen in de MvA.2
Een ander argument dat te berde is gebracht om lid 3 niet op te nemen, is dat het zou leiden tot scheve verhoudingen nu de ene leverancier, wiens zaak zonder beschadiging kan worden afgescheiden, wel zijn zaak kan terughalen, maar een andere leverancier, wiens prestatie niet kan worden teruggedraaid, dit niet kan. Dit leidt tot minder verhaalsmogelijkheden voor de tweede leverancier. De aannemer van het schilderwerk, wiens prestatie niet meer ongedaan te maken valt, heeft minder verhaal als de leverancier zijn verwarmingsinstallatie afscheidt van het gebouw, aangezien het gebouw daardoor minder waard is geworden.
De wetgever stelt dat andere oplossingen beter geacht worden om de leveranciers te beschermen tegen niet betaling van de koper. Zo zouden de leveranciers en de hypotheekhouders vóór de levering met elkaar om de tafel moeten gaan om zo meer zekerheid voor de leveranciers te creëren. Als het overleg niet tot resultaat leidt, dan doen de leveranciers er goed aan om de opdracht niet te aanvaarden. De leveranciers hebben volgens het Ontwerp BW ook een afscheidingsrecht, waardoor zij worden beschermd tegen eigendomsverlies:
“Ook liggen middelen om hun belangen even deugdelijk maar op meer redelijke wijze te beschermen niet buiten het bereik van de leveranciers aan wie het ontwerp het afscheidings-recht toedacht.”
Het afscheidingsrecht waarover hier wordt gesproken is het ius tollendi van art. 3.9.4.8b (thans art. 3:266 BW).3 Dit afscheidingsrecht kwam niet voor in het Ontwerp Meijers, maar is toegevoegd, mede als gevolg van het schrappen van 3.1.1.3 lid 3 BW.4 Blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 3.1.1.3 en art. 3.9.4.8b komt dit wegneemrecht ook toe aan de leverancier5 en heeft het zakelijke werking:
“Dat ius tollendi heeft zakenrechtelijke werking, zonder de natrekkingsregel te doorbreken. De hypotheekhouder kan er zich niet tegen verzetten dat een bepaald bestanddeel weer wordt losgemaakt door de hypotheekgever. Dat is een heel eenvoudige oplossing. Het bestanddeel gaat er af en gaat weer zijn eigen leven als zelfstandige zaak leiden.”6
Het wegneemrecht van art. 3.9.4.8b BW is, zo valt te lezen in de parlementaire geschiedenis, tot stand gekomen in overleg met de hypotheekbanken, die blijkbaar ook iets in deze oplossing zagen. Het ius tollendi werd verkozen boven een andere oplossing die werd geopperd, namelijk die van een quasi-verrijkingsactie. Deze “verrijkingsactie” moest leiden tot een schadevergoedingsplicht van de hypotheekhouder als deze meer krijgt dan waarop hij, redelijkerwijs, had mogen rekenen en dit ten koste was gegaan van degene die zijn eigendom door de natrekking had verloren.7 De hypotheekhouder zou dan een deel van de opbrengst naar evenredigheid moeten delen met de leverancier. Deze evenredigheid zou echter lastig vast te stellen zijn, waardoor de verdeling niet gemakkelijk tot stand zou komen. Het wegneemrecht was daarentegen een “eenvoudige oplossing”. Zij komt op hetzelfde neer als het slapende eigendomsrecht uit het Romeinse recht.8 Door de afscheiding wordt het bestanddeel weer zelfstandig met als gevolg dat deze zaak niet meer valt onder het hypotheekrecht. De oude (rechts)toestand “keert terug”. De leverancier heeft onder bepaalde voorwaarden het afscheidingsrecht. Zo zal hij de verhypothekeerde zaak in de oude toestand moeten kunnen herstellen. Daarnaast mag hij alleen toevoegingen of veranderingen afscheiden als deze niet bedoeld zijn om te strekken tot onderpand van de gesecureerde vordering.
Aan het slot van de MvA wordt aangevoerd dat het schrappen van lid drie een vereenvoudiging met zich mee brengt. Deze vereenvoudiging is deels te billijken, zo blijkt uit de MvA, omdat het ontwerp de mogelijkheid open houdt om een gewoonte te ontwikkelen waarbij bestanddeelvorming niet snel wordt aangenomen:
“In die gevallen waarin afscheiding zonder beschadiging van betekenis mogelijk is, berust het opgaan van een toegevoegde zaak in de hoofdzaak slechts op de ‘verkeersopvatting’. De ondergetekende meent dat deze verkeersopvatting naar haar huidige inhoud niet meebrengt dat iedere roerende zaak die bestemd is zijn functie in samenhang met een onroerende zaak te vervullen, tot bestanddeel daarvan wordt. (…) Het gewijzigd ontwerp laat aldus de mogelijkheid open dat zich een gewoonte ontwikkelt enerzijds om kostbare roerende zaken die bestemd zijn in samenhang met een onroerende zaak te worden gebruikt, aldus te construeren en de verbinding daarvan met deze onroerende zaak aldus in te richten, dat opheffing van deze verbinding zonder bezwaar kan geschieden, en anderzijds om overeen te komen dat de eigendom van deze roerende zaken zal blijven waar zij is. Aldus zal zich in de praktijk een verkeersopvatting kunnen vormen die aan een beding van eigendomsvoorbehoud werking toekent, juist in die gevallen dat afscheiding als economisch niet onwenselijk en als een reëel belang van de maker van het beding kan worden beschouwd.”9
De wetgever had blijkens bovenstaande tekst een praktijk voor ogen waarin de leverancier gemakkelijk af te scheiden (kostbare) bestanddelen kon afscheiden, opdat een beding van eigendomsvoorbehoud wordt erkend. Hieruit blijkt dat hij bestanddeelvorming niet snel heeft willen aannemen. De voorgestane praktijk is echter niet van de grond gekomen. Zoals hieronder in §4.4 e.v. zal worden besproken, is er in Nederland betrekkelijk snel sprake van een eenheidszaak en bestanddeelvorming. Aangezien het BW geen onderscheid maakt tussen wezenlijke en onwezenlijke bestanddelen zoals in Duitsland, leidt bestanddeelvorming dikwijls tot het tenietgaan van zakelijke rechten.10 Een eigendomsvoorbehoud komt dan juist te vervallen.