NJB 2014/630
Bedreiging van Geert Wilders in raplied: ook indien de rap als kunstwerk zou moeten gelden in de zin van art. 10 EVRM, biedt die enkele omstandigheid geen rechtvaardiging voor bedreigingen tegen het leven gericht als bedoeld in art. 285 Sr. Dat het hof de stelling dat een Tweede Kamerlid ‘een dikkere huid’ dient te hebben en meer kritiek dient te aanvaarden onbesproken heeft gelaten, maakt dit in casu niet anders
HR 04-03-2014, ECLI:NL:HR:2014:485
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
4 maart 2014
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan
- Zaaknummer
12/04690
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2014:485, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 04‑03‑2014
ECLI:NL:PHR:2014:101, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑01‑2014
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑05‑2013
- Wetingang
Essentie
Bedreiging van Geert Wilders in raplied: ook indien de rap als kunstwerk zou moeten gelden in de zin van art. 10 EVRM, biedt die enkele omstandigheid geen rechtvaardiging voor bedreigingen tegen het leven gericht als bedoeld in art. 285 Sr. Dat het hof de stelling dat een Tweede Kamerlid ‘een dikkere huid’ dient te hebben en meer kritiek dient te aanvaarden onbesproken heeft gelaten, maakt dit in casu niet anders
Uitspraak
Inleiding:
Verdachte is veroordeeld omdat hij – kort gezegd – in 2007 in Nederland G. Wilders heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.