Ik merk op dat, in afwijking van de uitdraai in hoger beroep, in de BRP-uitdraai in cassatie van 9 november 2023 de betrokkene reeds op 20 februari 2014, dat wil zeggen voor het instellen van het hoger beroep, op het adres [b-straat 1] in [plaats] stond ingeschreven. Ik zie, in diezelfde uitdraai, dat de betrokkene zich op 20 februari 2014 eveneens had ingeschreven op het adres [c-straat 1] in [plaats] .
HR, 08-07-2025, nr. 23/02039 P
ECLI:NL:HR:2025:1085
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-07-2025
- Zaaknummer
23/02039 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1085, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:810
ECLI:NL:PHR:2025:810, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1085
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Art. 416.2 Sv. Aanwezigheidsrecht, art. 588a.1.c (oud) Sv. Moet vermelding van adres van betrokkene in akte instellen hoger beroep worden aangemerkt als adresopgave a.b.i. art. 588a.1.c (oud) Sv, zodat afschrift van oproeping voor tz. in h.b. naar dat adres had moeten worden verzonden? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Oproeping voor tz. in h.b. is ex art. 588.1.b.1 (oud) jo 588.3.c (oud) Sv rechtsgeldig betekend door uitreiking van die oproeping aan griffer Rb, waarbij is voldaan aan 5-dagentermijn, terwijl afschrift van oproeping is verzonden naar BRP-adres. Uit stukken kan niet blijken dat afschrift van oproeping aan adres in akte instellen h.b. is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Evenmin houden stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending o.g.v. art. 588a.3 (oud) Sv achterwege kon blijven. Daarom had hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was onderzoek ttz. te schorsen om betrokkene in de gelegenheid te stellen alsnog bij onderzoek ttz. aanwezig te zijn. Van zo’n onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van onderzoek ttz. in h.b. en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02039 P
Datum 8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 maart 2015, nummer 21-002578-14, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten M.M. Kuyp, J.L. Baar en W.S. de Zanger bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen betrokkene.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.8.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.
Conclusie 13‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Aanwezigheidsrecht, art. 588a lid 1 aanhef onder c Sv (oud). Middel klaagt dat een afschrift van de oproeping in hoger beroep ten onrechte niet naar het in de akte hoger beroep vermelde adres is gezonden (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BX4736; ECLI:NL:HR:2025:506). Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02039 P
Zitting 13 mei 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de betrokkene
1. Inleiding
1.1
De betrokkene is bij arrest van 2 maart 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (21-002578-14), niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. W.S. de Zanger en M.M. Kuyp, beiden advocaat in Laren NH, en J.L. Baar, advocaat in Arnhem, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
2.1
In deze ontnemingszaak heeft de betrokkene op 28 april 2014 hoger beroep ingesteld en heeft daarbij het adres [a-straat 1] in [plaats] opgegeven. Nadien stond de betrokkene in de GBA (thans ‘BRP’) ingeschreven op het adres [b-straat 1] in [plaats] . In hoger beroep is geprobeerd de oproeping te betekenen aan laatstgenoemd adres. Een afschrift van de oproeping is niet toegezonden aan het door de betrokkene in de akte instellen hoger beroep opgegeven adres. Het hof heeft verstek verleend tegen de betrokkene en deze niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 416 lid 2 Sv.
2.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
3. Het middel
3.1.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen betrokkene. Het cassatiemiddel klaagt in het bijzonder dat is verzuimd een afschrift van de oproeping in hoger beroep te sturen naar het in de akte hoger beroep vermelde adres van de verdachte.
3.2
Bij de op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:
- (i) een akte instellen hoger beroep van 28 april 2014 waarin is vermeld dat de betrokkene wonende is te [a-straat 1] in [plaats] , dat de betrokkene is gewezen op de mogelijkheid een adresopgave te doen die afwijkt van zijn GBA-adres, en dat de betrokkene heeft verklaard geen ander adres te hebben;
- (ii) de Informatiestaat SKDB-persoon van 27 februari 2015, waarin onder meer is vermeld (a) als huidig GBA-adres van de betrokkene, met als ingangsdatum 24 juli 2014, [b-straat 1] in [plaats] ,1.(b) als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, met als registratiedatum 10 november 2014, [c-straat 1] in [plaats] en (c) dat de betrokkene niet is gedetineerd. Voorts is in de informatiestaat, vanaf 14 december 2010 tot 19 april 2013, [a-straat 1] in [plaats] vermeld als GBA-adres van de betrokkene;
- (iii) een oproeping van veroordeelde in hoger beroep, aangemaakt op 2 februari 2015, inhoudende dat de betrokkene, wonende te [b-straat 1] in [plaats] , wordt opgeroepen om op 2 maart 2015 ter terechtzitting te verschijnen;
- (iv) een akte van uitreiking van de oproeping voor de terechtzitting van 2 maart 2015, ingevuld op 13 februari 2015, waaruit blijkt dat de oproeping niet is uitgereikt, omdat volgens mededeling van degene die zich op het adres [b-straat 1] in [plaats] bevond, de betrokkene daar niet woont noch verblijft. Uit de akte blijkt eveneens dat de oproeping op 18 februari is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Overijssel omdat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene was ingeschreven op het adres [b-straat 1] in [plaats] . Voorts blijkt uit de akte dat op 18 februari een afschrift van de oproeping op voornoemd adres is verzonden.
3.3
Het proces-verbaal ter terechtzitting van 2 maart 2023 houdt onder meer het volgende in:
“De betrokkene genaamd:
[betrokkene]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
wonende te [plaats] , [b-straat 1] ,
is niet verschenen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen betrokkene en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en deelt mee, zakelijk weergegeven:
Betrokkene is niet verschenen en er is geen schriftuur ingediend. Om die reden ben ik van oordeel dat betrokkene op grond van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.”
3.4
Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Bij arrest van heden is het hoger beroep van veroordeelde tegen het vonnis van de politierechter van 17 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof ziet ook in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de veroordeelde geen schriftelijke of mondelinge bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de veroordeelde daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
3.5
“1. In de navolgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
(…)
c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
(…)
3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege worden gelaten indien:
a. het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge artikel 588 moet worden uitgereikt;
b. de verdachte, nadat hij bij een eerdere gelegenheid als bedoeld in het eerste lid een adres heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, bij een volgende gelegenheid uitdrukkelijk te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven;
c. de dagvaarding of oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon dan wel aan een andere persoon als bedoeld in artikel 588, derde lid, onder b, is uitgereikt.”
3.6
Overeenkomstig art. 588 lid 1 onder b sub 1° (oud) Sv is geprobeerd de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep uit te reiken aan het adres waar de geadresseerde op dat moment als ingezetene was ingeschreven volgens de GBA ( [b-straat 1] ). Verder is met het oog op de afschriftverplichting van art. 588a lid 1 aanhef en onder c (oud) Sv van belang dat de betrokkene blijkens de Akte hoger beroep bij het instellen van het hoger beroep heeft verklaard “geen ander adres te hebben”. Ik begrijp daaruit dat de betrokkene geen ander adres had dan het adres dat in die akte is vermeld, namelijk [a-straat 1] in [plaats] . De vermelding van dit adres in de Akte hoger beroep kan, gelet op het voorgaande, niet anders worden begrepen dan als de opgave van een adres in de zin van art. 588a lid 1 aanhef en onder c (oud) Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.2.
3.7
Uit de omstandigheid dat in het kader van de betekening van de oproeping in hoger beroep bekend is geworden dat de betrokkene na het instellen van hoger beroep op een ander adres in de GBA ingeschreven stond ( [b-straat 1] ), kon het Hof niet zonder meer afleiden dat de verdachte het adres [a-straat 1] in [plaats] niet wenste te handhaven als adres waar hij een afschrift wenste te ontvangen. Niet van belang is de omstandigheid dat het door de betrokkene in de Akte hoger beroep opgegeven adres (ook) een oud GBA-adres is, nu de betrokkene reeds bij het instellen van het hoger beroep niet meer op dit adres in de GBA stond ingeschreven.3.
3.8
Uit de stukken kan niet blijken dat een afschrift van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep aan het adres [a-straat 1] in [plaats] is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending op grond van art. 588a lid 3 (oud) Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om de betrokkene in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van zo’n onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.4.
3.9
Het middel slaagt.
4. Afronding
4.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑05‑2025
Vgl. HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2079, NJ 2011/457 (strafzaak; art. 588a lid 1 aanhef en onder), rov. 2.5-2.9; HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736, NJ 2012/695 (ontnemingszaak; art. 588a lid 1 aanhef en onder c); vgl. meer recent HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1856 en HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:506 (welke arresten betrekking hebben op het huidige art. 36g lid 1 aanhef en onder c Sv).
Dat geldt ook indien moet worden uitgegaan van de juistheid van de BRP-uitdraai in cassatie en de betrokkene reeds op 20 februari 2014, dat wil zeggen voor het instellen van het hoger beroep, op het adres [b-straat 1] in [plaats] en/of [c-straat 1] in [plaats] stond ingeschreven. Vgl. o.a. het hiervoor al genoemde arrest HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2079, NJ 2011/457.
Vgl. HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736, NJ 2012/695; HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2666 (art. 588a lid 1 aanhef en onder b); HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3210 (art. 588a lid 1 aanhef en onder c).