Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/5.1.2
5.1.2 Rewe/Comet: gelijkwaardigheid en effectiviteit
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS305849:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HvJ EU 9 maart 1978, C-106/77, Jur. 1978, p. 629 (Simmenthal), waar zich een dergelijke situatie voordeed.
HvJ EU 16 december 1976, C-33/76, Jur. 1976, p. 1989 (Rewe), pt. 5. Vgl. ook Meijer (2007, p. 60), die terecht opmerkt dat het EU-recht niet vereist dat een vordering die is gebaseerd op het nationale recht net zo gunstig wordt behandeld als een vordering die is gebaseerd op het EU-recht en verder de toetsing aan dit beginsel uitwerkt (p. 60-63).
HvJ EU 16 december 1976, C-45/76, Jur. 1976, p. 2043 (Comet), pt. 16. Vgl. HvJ EU 22 februari 2001, C-52-53/99, Jur. 2001, p. I-1395 (Camarotto), pt. 30; HvJ EU 14 december 1995, C-430-431/93, Jur. 1995, p. I-4705 (Van Schijndel), pt. 17. Zie in de literatuur: Krans 2010, p. 5-6; Hartkamp 2011, nr. 111 e.v.; Herb 2007, p. 12; Shelkoplyas 2003, p. 79. Vgl. voorts: HvJ EU 22 februari 2001, C-5253/99, Jur. 2001, p. I-1395 (Camarotto), pt. 40; HvJ EU 9 november 1983, C-199/82, Jur. 1983, p. 3595 (San Giorgio), pt. 17.
Vgl. Biondi 2005, p. 136; Van Gerven 2000, p. 533. Zie eveneens: HvJ EU 20 februari 1979, C-120/ 78, Jur. 1979, p. 649 (Rewe II), pt. 8; HvJ EU 16 december 1992, C-169/91, Jur. 1992, p. 6635 (Stoke-on-Trent), pt. 15.
Jans e.a. 2007, p. 56; Shelkoplyas 2003, p. 89; Van den Bossche 2001, p. 28; Hoskins 1996, p. 373.
HvJ EU 14 december 1995, C-430-431/91, Jur. 1995, p. I-4705 (Van Schijndel), pt. 19. De procedurele rule of reason werkt tot op zekere hoogte ook door in het gelijkwaardigheidsbeginsel, zij het op andere wijze. Om te bepalen of vorderingen gelijkwaardig zijn, dient de rechter deze vorderingen te bezien in de context van het rechtsstelsel waaruit zij ontsproten zijn. De bij de effectiviteitstoets behorende belangenafweging wordt echter achterwege gelaten. Vgl. hierover: Biondi 2005, p. 135, waar hij de procedurele rule of reason een grotere rol toedicht bij het toetsing aan het gelijkwaardigheidsbeginsel.
171.
Tegenover de hiervoor beschreven botsing tussen EU-recht en nationaal recht staat een ander type botsing. Bij die botsing voorziet het nationale recht niet in een regel die tot een ander materieelrechtelijk rechtsgevolg leidt, maar belemmert het de effectuering van het aan het EU-recht ontleende recht. Voor zover een dergelijke indirecte botsing gepaard gaat met een directe botsing – bijvoorbeeld: door een nationale procesregel kan een nationale rechter een nationale regel niet buiten toepassing laten, terwijl deze direct botst met een regel van EU-recht – dient de nationale, indirect met het EU-recht botsende, regel buiten toepassing te worden gelaten.1 In andere gevallen dient de regel getoetst te worden aan het gelijkwaardigheids- en effectiviteitsbeginsel, door het HvJ EU geformuleerd in Rewe en Comet. Zo mogen zij op het EU-recht gebaseerde vorderingen niet ongunstiger behandelen dan vorderingen die zijn gebaseerd op het nationale recht.2 Verder mag de nationale procesregel er niet toe leiden dat de uitoefening van een aan het EU-recht te ontlenen recht in de praktijk nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk wordt.3 Wanneer een bepaling van nationaal recht de effectiviteit van het EU-recht beperkt, dient de rechter te beoordelen wat het doel en de functie is van de nationale bepaling in het nationale rechtsstelsel. Vervolgens weegt hij het belang dat aan de nationale bepaling is verbonden af tegen het belang van het verzekeren van het nuttig effect van het EU-recht.4 Nationale (proces)regels worden met een bepaalde bedoeling in de nationale wet opgenomen en nationale rechters kunnen het beste inschatten of aan dit doel meer gewicht dient te worden toegekend, dan aan het belang van een effectieve handhaving van het EU-recht.5 Het belang van een effectieve handhaving van EU-recht moge dan een groot goed zijn, het kan door andere beginselen opzij worden gezet. Deze afweging wordt wel aangeduid als de procedurele rule of reason.6
Voor zover nationale bepalingen met betrekking tot de rechtsstrijd de effectiviteit van het EU-recht beperken zal er kunnen worden gesproken van een indirecte botsing. Immers, er bestaan geen (algemene) bepalingen van EU-recht met betrekking tot de rechtsstrijd.