WR 2014/71
230a-bedrijfsruimte – schadevergoeding: retentierecht aannemer tegenover verhuurder wegens vordering van (inmiddels failliete) aannemer op (inmiddels failliete) huurder van de teruggehouden onroerende zaak; opeisbare vordering; feitelijke macht; houderschap; eigenrichting verhuurder
Rb. Oost-Brabant 15-01-2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:185, m.nt. mrs. P.V. Kleijn en A.A.T. Werner
- Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
- Datum
15 januari 2014
- Magistraten
Mr. J.J.A. Donkersloot
- Zaaknummer
C/01/262001 / HA ZA 13-295
- Noot
mrs. P.V. Kleijn en A.A.T. Werner
- JCDI
JCDI:ADS918158:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBOBR:2014:185, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 15‑01‑2014
- Wetingang
(art. 3:291 lid 2, art. 3:108 en art. 6:162 BW)
Essentie
230a-bedrijfsruimte – schadevergoeding: retentierecht aannemer tegenover verhuurder wegens vordering van (inmiddels failliete) aannemer op (inmiddels failliete) huurder van de teruggehouden onroerende zaak; opeisbare vordering; feitelijke macht; houderschap; eigenrichting verhuurder
Samenvatting
Volgens de huurovereenkomst zal huurder bepaalde voorzieningen aanbrengen en werkzaamheden laten uitvoeren aan het gehuurde kantoorpand. Verhuurder/eigenaar zal daarvoor een investeringsbijdrage betalen. Voor de werkzaamheden schakelt huurder een aannemer in. Huurder betaalt de aannemer niet waarop de aannemer het retentierecht uitoefent. Huurder gaat failliet. Verhuurder zegt de huurovereenkomst op en maakt aanspraak op toegang tot het gebouw en verschaft zich toegang tot het pand door eigenhandig de sleutels ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.