Einde inhoudsopgave
ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
Bijlage 10
Geldend
Geldend vanaf 06-08-2019
- Redactionele toelichting
De wijzigingsopdracht komt niet overeen met de te wijzigen tekst.
- Bronpublicatie:
01-08-2019, Stcrt. 2019, 43036 (uitgifte: 05-08-2019, regelingnummer: ANVS-2019/9949)
- Inwerkingtreding
06-08-2019
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
01-08-2019, Stcrt. 2019, 43036 (uitgifte: 05-08-2019, regelingnummer: ANVS-2019/9949)
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsomstandigheden en beroepsschade
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Gezondheidsrecht / Individuele gezondheidszorg
Milieurecht / Straling
Openbare orde en veiligheid / Preventie
Energierecht / Energieopwekking
behorende bij artikelen 4.37 tot en met 4.39
Rekenregels Analyse Gevolgen Ioniserende Straling (AGIS)
1. Inleiding
1.1. Algemeen
Artikel 4.37 tot en met 4.39 van de verordening en deze bijlage betreffen handelingen met bronnen van ioniserende straling.
Voor handelingen, dat wil zeggen het bereiden, voorhanden hebben, bewerken, toepassen of zich ontdoen van radioactieve stoffen of het gebruik van toestellen en versnellers, is in veel gevallen een registratie of een vergunning volgens de Kernenergiewet nodig1.. Dat geldt ook voor handelingen met van nature voorkomend materiaal2..
Volgens artikel 3.9 van de verordening bevat elke kennisgeving ten behoeve van een aanvraag om een registratie van een handeling, onder andere, een opgave van de maximale totale effectieve dosis die een persoon per jaar buiten de locatie kan ontvangen ten gevolge van handelingen met die bron. Volgens artikel 3.2 van de verordening bevat elke kennisgeving ten behoeve van een aanvraag om een vergunning voor een handeling, onder andere, de maximale totale effectieve dosis die een persoon in een kalenderjaar kan ontvangen op enig punt buiten de locatie waarop aanvraag van toepassing is, zowel ten gevolge van lozingen als ten gevolge van externe straling. Het besluit stelt voorts in artikel 4.29 dat door de Autoriteit regels kunnen worden gesteld voor de bepaling van de doses3. en methoden kunnen worden aangewezen voor de wijze waarop de berekende doses worden getoetst. Deze bijlage bevat de hierboven bedoelde regels en methoden.
De volgende dosisniveaus worden gehanteerd:
- •
een dosisbeperking van 10 μSv in een jaar, indien de handeling behoort tot een in artikel 3.10 van het besluit genoemde categorie,
- •
een locatielimiet van 100 μSv in een jaar, waarboven, indien de handeling behoort tot een in artikel 3.8 van het besluit genoemde categorie, geen vergunning wordt verleend, en
- •
een Secundair Niveau (SN) van 1 μSv (voor lucht- en waterlozingen) en 10 μSv (voor externe straling) in een jaar waar beneden vanuit milieu-oogpunt nooit bezwaar bestaat tegen autorisatie4., mits de handeling gerechtvaardigd is.
Het SN is een niveau waaronder de invulling van het ALARA-beginsel5. vanuit de overheid minder prioriteit heeft en de verantwoordelijkheid voor het toepassen hiervan bij de ondernemer wordt gelegd. De ondernemer heeft de verplichting om het ALARA-beginsel in de praktijk door te voeren.
In deze bijlage wordt niet ingegaan op de toepassing van het ALARA beginsel en ook niet op de vraag of een handeling al dan niet gerechtvaardigd is.
1.2. Doel en opzet van deze bijlage
Het doel van deze bijlage is regels te geven voor het uitvoeren van een dosisberekening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van stroomschema's. Tevens zijn beleidskeuzes aangegeven. Figuur 1.1 geeft in een stroomschema de werkwijze van deze bijlage in zijn geheel weer. De regels zijn alleen bedoeld voor geplande handelingen met bronnen van ioniserende straling en de daaruit voortvloeiende emissies en lozingen. Deze bijlage bestaat uit twee delen.
Deel I. ‘Rekenregels’ (beschreven in onderdelen 2 t/m 4 van deze bijlage)
In eenvoudige gevallen (bijvoorbeeld voor radionuclidenlaboratoria en ingekapselde bronnen voor meet- en regeltechniek) zal volstaan kunnen worden met de vereenvoudigde rekenregels van Deel I. Het doel van Deel I is een antwoord te krijgen op de vraag of een handeling een stralingsdosis onder het SN geeft. Het antwoord wordt op een globale, conservatieve wijze geschat met behulp van simpele rekenregels zonder een uitvoerige dosisberekening.
Deel II. ‘Nadere Analyse’ (beschreven in onderdelen 5 t/m 7 van deze bijlage)
Voor meer complexe situaties en voor die emissiesoorten waarvoor volgens de rekenregels uit Deel I het SN wordt overschreden, moet een zogenoemde nadere analyse worden uitgevoerd waarbij Deel II van deze bijlage van toepassing is. In Deel II wordt met behulp van stroomschema's en het aangeven van beleidskeuzes de methodiek van het uitvoeren van een nadere analyse beschreven, en worden de belangrijkste te beschouwen standaardwaarden en de bijbehorende standaardrelaties gegeven. In het algemeen zal bij de uitvoering van de nadere analyse meer ervaring en kennis van de achterliggende modellen nodig zijn dan bij toepassing van de rekenregels uit Deel I.
De rapporten ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling deel A: Lozingen in lucht en water’ DOVIS-A [DOA02] en ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling deel B: Externe straling’ DOVIS-B [DOB02] dienen te worden gehanteerd voor de uitvoering van een nadere analyse.
Tevens wordt in Deel II aangegeven hoe de uitkomsten van de nadere analyse, getoetst moeten worden aan de dosislimiet en het SN.
1.3. Bronnen en blootstellingsroutes
Bronnen worden ingedeeld in:
- •
ingekapselde bronnen, waaronder apparaten die zo'n bron bevatten
- •
toestellen6., voornamelijk röntgentoestellen en versnellers
- •
open bronnen
Handeling met bronnen binnen een locatie7., zoals gedefinieerd in het besluit, kunnen drie verschillende soorten emissies tot gevolg hebben:
- •
externe straling (ook directe straling genoemd)
- •
lozingen in lucht
- •
lozingen in water
Toestellen geven uitsluitend externe straling. Hetzelfde geldt, bij normaal gebruik, voor ingekapselde bronnen. Open bronnen kunnen aanleiding geven tot externe straling, maar kunnen zich ook via lozingen in lucht en water verspreiden in de omgeving. De wegen waarlangs deze verspreidingen plaatsvinden, worden belastingpaden genoemd.
De daadwerkelijke blootstelling van personen ten gevolge van de emissies via de belastingpaden kan dan op verschillende manieren geschieden, blootstellingswegen genoemd. De drie belangrijkste zijn:
- —
externe blootstelling hetzij direct uit de bron, hetzij indirect bijvoorbeeld vanuit een geloosde wolk met radioactieve stoffen, of na depositie daarvan;
- —
inhalatie van in de lucht zwevende radioactieve stofdeeltjes;
- —
ingestie van voedsel en water dat door de verspreide radionucliden besmet is geraakt.
Figuur 1.1: Overzicht van de methode voor de analyse van de gevolgen van straling beschreven in deze bijlage

De combinatie van emissies, belastingpaden en blootstellingswegen is in het besluit gedefinieerd als blootstellingsroute, de wijze waarop ioniserende straling of radionucliden personen kunnen bereiken en blootstelling kunnen veroorzaken.
Figuur 1.2 Vereenvoudigd schema van bron tot doses via emissiesoorten en blootstellingsroutes (belastingpaden en blootstellingwegen)

Deel I. Rekenregels
2. Toepasbaarheid rekenregels
2.1. Toepasbaarheidbeoordeling vóóraf
De rekenregels van Deel I zijn voor externe straling, lozingen in lucht en lozingen in water van toepassing indien, met betrekking tot de verschillende emissies uit de bron(nen), aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Externe straling
- 1.
de enige belangrijke te verwachten dosisbijdrage van externe straling is die ten gevolge van gammastraling en röntgenstraling (d.w.z. dat andere stralingssoorten, zoals neutronenstraling, α- en β-straling, op het relevante punt naar verwachting een verwaarloosbare dosisbijdrage leveren);
- 2.
de bron kan met betrekking tot de mogelijke dosisbijdrage gezien worden als een puntbron8..
Indien niet aan voorwaarde 1 of 2 wordt voldaan, wordt voor deze emissiesoort verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Lozing in lucht
- 3.
de enige belangrijke te verwachten dosisbijdrage van lozing in lucht is die ten gevolge van inhalatie.
Indien niet aan voorwaarde 3 wordt voldaan, wordt voor deze emissiesoort verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Lozing in water
- 4.
de enige belangrijke te verwachten dosisbijdrage van lozing in water is die ten gevolge van ingestie.
- 5.
lozing in water geschiedt op een rioolsysteem dat via een waterzuiveringsinstallatie op het oppervlaktewater loost.
Indien niet aan voorwaarde 4 of 5 wordt voldaan, wordt voor deze emissiesoort verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
2.2. Toepasbaarheidbeoordeling na berekening
Voor iedere emissiesoort afzonderlijk worden, met behulp van de rekenregels en op grond van de toegepaste hoeveelheden radionucliden, de maximale (theoretisch mogelijk) emissies berekend (zie hiervoor onderdelen 3 en 4):
- —
het maximale (theoretisch mogelijke) omgevingsdosisequivalent (H*max) voor externe straling (vanaf een puntbron);
- —
de maximale (theoretisch mogelijke) emissie in lucht (Lmax) voor lozingen in lucht;
- —
de maximale (theoretisch mogelijke) emissie in water (Wmax) voor lozingen in water.
Voor iedere emissiesoort zijn toetsingsniveaus vastgesteld (H*SN, LSN en WSN) die worden geacht het SN te vertegenwoordigen (zie onderdelen 3.3.4, 4.3.4, 4.4.4).
Toetsing geschiedt voor iedere emissiesoort afzonderlijk:
- —
voor externe straling wordt het berekende H*max getoetst aan H*SN;
- —
voor lozingen in lucht wordt het berekende Lmax getoetst aan LSN;
- —
voor lozingen in water wordt het berekende Wmax getoetst aan WSN.
Voor de emissiesoorten waarvoor het toetsingniveau wordt overschreden, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
2.3. Onderscheid ingekapselde bronnen, toestellen en open bronnen
In deze rekenregels worden op basis van de mogelijke emissiesoorten twee stroomschema's gehanteerd: één voor de categorie ‘ingekapselde bronnen en toestellen’ (onderdeel 3) en één voor de categorie ‘open bronnen’ (onderdeel 4).
3. Stroomschema ingekapselde bronnen en toestellen
3.1. Algemeen
Dit onderdeel geeft rekenregels voor de externe straling vanuit toestellen en ingekapselde bronnen, maar dezelfde berekeningsmethodiek geldt ook voor de externe straling afkomstig van open bronnen.
Een toestel is een ioniserende straling uitzendend toestel als gedefinieerd in artikel 1 van de Kernenergiewet. Bedoeld wordt een toestel dat ioniserende straling kan uitzenden en geen radioactieve stof, splijtstof of erts bevat. Toestellen worden bijvoorbeeld veel aangetroffen in de medische sector (röntgentoestellen voor diagnostiek) en bij materiaalonderzoek. Een versneller is een toestel of installatie welke deeltjes versnelt en ioniserende straling met een energie van meer dan 1 mega-elektronvolt (MeV) uitzendt, als gedefinieerd in bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingbescherming.
Een ingekapselde bron wordt gevormd door radioactieve stoffen die zijn ingebed in of gehecht aan vast dragermateriaal of zijn omgeven door een omhulling van materiaal met dien verstande dat hetzij het dragermateriaal hetzij de omhulling voldoende weerstand bieden om onder normale gebruiksomstandigheden elke verspreiding van radioactieve stoffen te voorkomen, zoals gedefinieerd in bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming. Ingekapselde bronnen komen in grote verscheidenheid voor en worden voor veel doeleinden toegepast. In de industrie worden ze bijvoorbeeld gebruikt in apparaten voor meet- en regeldoeleinden en in de medische sector bij bestralingsapparatuur.
Bij toestellen en ingekapselde bronnen wordt uitgegaan van slechts één belastingpad, namelijk de externe straling die vrijkomt bij gebruik. Daarnaast wordt in dit onderdeel aangenomen (zie ook onderdeel 2.1) dat alleen sprake is van röntgenstraling en gammastraling en dat modelmatig gesproken kan worden van een puntbron (zie voetnoot 10[lees: 8] in onderdeel 2.1) waarvoor de kwadratenwet van toepassing is.
In figuur 3.1 is het stroomschema gegeven voor de berekening, volgens de rekenregels beschreven in dit onderdeel, van de dosis voor dit belastingpad.
De volgende stukken van dit onderdeel vormen de toelichting bij elk van de stappen van het stroomschema.
In het vervolg wordt onder ‘stralingsbron’ verstaan dat wat straling uitzendt, te weten:
- •
een toestel of versneller, of
- •
een ingekapselde bron, al dan niet in de vorm van een apparaat, of
- •
een open bron
Figuur 3.1 Stroomschema voor berekening doses t.g.v. externe straling zowel uit toestellen en ingekapselde bronnen, als uit open bronnen

3.2. Toepassingsgebied rekenregels
3.2.1. Ingekapselde bronnen en open bronnen
Afstand
Indien de afmetingen van de stralingsbron groot zijn ten opzichte van de afstand tot het punt waar de dosis wordt berekend, kan de kwadratenwet niet worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:
De puntbronbenadering (kwadratenwet) is alleen toepasbaar indien de afstand tussen stralingsbron en het punt waarvoor de dosis berekend wordt of is (het dosispunt) groter is dan 5 maal de grootste afmeting van het stralende oppervlak aan de kant van het dosispunt.
Voor kortere afstanden wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Bundels door diafragma's
Door de aanwezigheid van afscherming of diafragma's rondom de stralingsbron(nen) is er in de praktijk geen sprake van een isotrope ruimteverdeling van de straling, dat wil zeggen er is sprake van een bundel. Indien de openingshoek van de bundel klein is, is er sprake van een evenwijdige bundel in het midden waarvan het dosistempo vrijwel constant blijft (afgezien van verzwakking door verstrooiing in lucht) en waarvoor de kwadratenwet niet kan worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:
In het centrum van een stralingsbundel is de kwadratenwet alleen toepasbaar indien de bundel divergerend is, dat wil zeggen indien de ruimtehoek (openingshoek) waarbinnen de fotonen vrijkomen minstens 10° is.
In het geval van een kleinere ruimtehoek, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
3.2.2. Toestellen
Bundels uit (röntgen)toestellen
Bij gebruik van (röntgen)toestellen wordt een bundel van fotonen (primaire bundel) geproduceerd. Indien de openingshoek waarbinnen de fotonen van de primaire bundel vrijkomen klein is, is er sprake van een evenwijdige bundel, in het midden waarvan het dosistempo vrijwel constant blijft (afgezien van verzwakking door verstrooiing in lucht) en waarvoor de kwadratenwet niet kan worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:
In het centrum van een primaire stralingsbundel is de kwadratenwet alleen toepasbaar indien de bundel divergerend is, dat wil zeggen indien de ruimtehoek (openingshoek) waarbinnen de fotonen vrijkomen minstens 10° is.
Indien sprake is van een kleinere ruimtehoek, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Na verzwakking en verstrooiing van de primaire bundel door een voorwerp (een wand of een patiënt) ontstaat er een verstrooide bundel. Indien de invallende bundel divergerend is, zal ook voor de verstrooide bundel, vanaf enige afstand van dat voorwerp9. de kwadratenwet van toepassing zijn. De voorwaarde luidt [DOB02]:
In een verstrooide stralingsbundel is de kwadratenwet alleen van toepassing indien de invallende bundel divergerend is en indien het dosistempo berekend wordt voor afstanden groter dan 1 meter achter het door de invallende bundel getroffen voorwerp.
Indien sprake is van kortere afstanden of van dosisbepaling in een andere richtingen dan achter het voorwerp, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
3.3. Externe blootstellingdosis
3.3.1. Algemeen
Voor de berekening van de effectieve dosis ten gevolge van externe straling Eext (de externe blootstellingdosis) wordt bij deze rekenregels in eerste benadering gebruik gemaakt van het omgevingsdosisequivalent H*(10) [μSv/h].
In onderdeel 3.3.3 wordt H*(10) aan de terreingrens berekend, uitgaande van het omgevingsdosisequivalenttempo Ḣ*(10,r) op een punt (dosispunt) gelegen op r meter afstand van de bron. Hiervoor zijn vaak fabrieksgegevens of metingen beschikbaar. Indien deze niet voorhanden zijn, kan Ḣ*(10,r) worden berekend volgens de methodiek aangegeven in onderdeel 3.3.2.
3.3.2. Berekening omgevingsdosisequivalenttempo
Ingekapselde bronnen en open bronnen
Het omgevingsdosisequivalenttempo Ḣ*(10,r) in een punt (dosispunt) gelegen op afstand r [m] van een ingekapselde bron of een zekere hoeveelheid radioactieve stof kan worden berekend met onderstaande formule:

waarin: | ||
Ḣ*(10,r) | = | omgevingsdosisequivalenttempo op afstand r van de stralingsbron [μSv /h] |
A | = | activiteit van de bron van het beschouwde radionuclide [MBq] |
h | = | bronconstante voor het beschouwde radionuclide bij niet afgeschermde bron op basis van het omgevingsdosistempo [μSv.m2/(MBq.h)] |
r | = | afstand tussen bron en dosispunt [m] |
O | = | transmissiefactor voor het beschouwde radionuclide van vaste of niet eenvoudig verplaatsbare afscherming tussen bron en dosispunt |
Toestellen
Het omgevingsdosisequivalenttempo Ḣ*(10,r) rond toestellen wordt bepaald aan de hand van fabrieksgegevens, of aan de hand van metingen.
Bij toestellen wordt in het algemeen de primaire bundel geproduceerd door beschieting van een trefplaat. Voor de bepaling van de afstand r [m] tussen stralingsbron en dosispunt dient dan, als conservatieve benadering, te worden aangenomen dat de stralingsbron zich bevindt op de plaats van de trefplaat.
3.3.3. Berekening van het maximale omgevingsdosisequivalent aan de terreingrens (H*max)
Zoals in onderdeel 3.3.1 reeds is aangegeven, wordt bij de berekening van de externe blootstellingsdosis uitgegaan van het omgevingsdosisequivalent hetgeen in beginsel een overschatting geeft. In de volgende paragrafen wordt de (geringe) overschatting verwaarloosd en wordt het omgevingsdosisequivalent H*(10) berekend.
De waarde van het jaarlijkse omgevingsdosisequivalent aan de terreingrens gesommeerd over alle betrokken nucliden (of stralingssoorten in het geval van toestellen) wordt H*max genoemd.
Indien de gemeten, berekende of door de fabriek opgegeven waarde van het omgevingsdosisequivalenttempo op een dosispunt op afstand r [m] van een stralingsbron gelijk is aan Ḣ*(10,r) en aan de terreingrens de kwadratenwet van toepassing is, dan kan H*max worden berekend volgens onderstaande formule:

waarin: | ||
H*max | = | omgevingsdosisequivalent in een jaar aan de terreingrens ten gevolge van de stralingsbron [μSv] |
Ḣ*(10,r) | = | omgevingsdosisequivalenttempo op het dosispunt r ten gevolge van het beschouwde radionuclide of stralingssoort [μSv /h] |
r | = | afstand tussen stralingsbron en dosispunt [m] |
l | = | afstand tussen stralingsbron en terreingrens [m] |
F | = | transmissiefactor voor het beschouwde radionuclide of stralingssoort van niet eenvoudig verplaatsbare afscherming tussen dosispunt en terreingrens |
T | = | aantal uren in een jaar dat de stralingsbron in gebruik is [h] |
Indien verschillende waarden voor het omgevingsdosisequivalenttempo in verschillende richtingen zijn bepaald, moet de waarde van H*max berekend worden op basis van die richting die het hoogste omgevingsdosisequivalent aan de terreingrens geeft, met inachtneming van het bij deze richting behorend aantal gebruiksuren per stralingsbron in een jaar.
Indien de stralingsbron op verschillende plaatsen binnen de locatie wordt gebruikt, dan wordt de waarde van H*max berekend op basis van die plaatsen die, in vergelijking met de andere, het hoogste omgevingsdosisequivalenttempo aan de terreingrens geeft, uitgaande van het aantal gebruiksuren op die plaatsen.
Meer dan één stralingsbron
Indien meer dan één stralingsbron binnen een locatie aanwezig is, wordt voor het te beschouwen punt aan de terreingrens het omgevingsdosisequivalent voor iedere bron afzonderlijk berekend en vervolgens wordt de totale H*maxverkregen door de bijdragen te sommeren.
De bronnen die ruw geschat minder dan 1 μSv in een jaar aan enig punt van de terreingrens veroorzaken, behoeven bij deze sommatie niet te worden meegenomen.
3.3.4. Afgeleid toetsingsniveau voor externe straling (H*SN)
Voor externe straling wordt uitgegaan van een toetsingsniveau dat overeenkomt met een jaarlijkse omgevingsdosisequivalent binnenshuis gelijk aan het SN (10 μSv). Om rekening te houden met de afscherming bij verblijf binnenshuis, wordt bij directe straling vanuit een (punt)bron, een verzwakking van het omgevingsdosisequivalent buitenshuis met een factor 4 (zie onderdeel 6.5.2) aangenomen.
Het toetsingsniveau voor externe straling buitenshuis is gelijk aan:

3.3.5. Toetsing H*max aan H*SN
De berekende waarde voor H*max dient te worden getoetst aan het afgeleide toetsingsniveau H*SN.
Indien:

wordt de externe straling uit de locatie geacht een externe blootstellingdosis kleiner dan het SN te veroorzaken.
Indien aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
4. Stroomschema open bronnen
4.1. Algemeen
Elke radioactieve stof wordt beschouwd als open bron indien onder normale gebruiksomstandigheden het vrijkomen van radioactiviteit niet kan worden uitgesloten. Daarom moet hierbij rekening worden gehouden met de mogelijkheid van blootstelling van omwonenden als gevolg van in de lucht of in het water verspreide radionucliden. Daarnaast kan er sprake zijn van externe straling zoals het geval is bij toestellen en ingekapselde bronnen.
Voorbeeld van toepassingen van open bronnen is het gebruik van radioactief materiaal in radionuclidenlaboratoria, nucleaire geneeskunde en wetenschappelijk onderzoek.
In figuur 4.1 is het stroomschema gegeven voor de berekening volgens de rekenregels van de dosis voor de drie soorten emissies te weten:
- •
externe straling
- •
lozingen in lucht
- •
lozingen in water
De volgende delen van dit onderdeel vormen de toelichting bij elk van de stappen van het stroomschema.
Figuur 4.1 Stroomschema voor open bronnen

4.2. Externe straling
Bij de berekening volgens de rekenregels van het maximale (theoretisch mogelijke) omgevingsdosisequivalent (H*max) wordt er van uit gegaan dat de open bronnen te beschouwen zijn als puntbronnen, waarvoor de kwadratenwet kan worden toegepast.
De berekening geschiedt op analoge wijze als voor toestellen en ingekapselde bronnen. Voor de wijze waarop deze berekeningen worden uitgevoerd, wordt verwezen naar hoofdstuk 3.
4.3. Lozing in lucht
Voor de bepaling en de beoordeling van lozingen in lucht worden de volgende stappen doorlopen:
- •
berekening van het radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie van de geloosde radionucliden (onderdeel 4.3.1);
- •
berekening van de (gecorrigeerde) maximale jaarlijkse lozingen (onderdelen 4.3.2 en 4.3.3);
- •
bepaling van het toetsingsniveau (onderdeel 4.3.4);
- •
toetsing van de lozingen daaraan (onderdeel 4.3.5).
4.3.1. Berekening van het radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie (Reinh)
Eén radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie (Reinh [Bq]) is de activiteit die bij inhalatie een effectieve volgdosis van 1 Sv tot gevolg heeft, als gedefinieerd in onderdeel E van bijlage 2 van het besluit. Voor ieder radionuclide i kan het Reinh,i worden berekend volgens:

waarin: | ||
Reinh, i | = | radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie van radionuclide i [Bq] |
einh, i | = | inhalatiedosiscoëfficiënt van radionuclide i voor volwassenen [Sv/Bq] (zie Annex G en H, bedoeld in bijlage 9 van deze verordening, onderdeel B) |
4.3.2. Berekening van de maximale jaarlijkse lozing van elk radionuclide (AL,i)
Op basis van de hoeveelheid radioactiviteit dat in één jaar wordt gebruikt, de soort handeling(en) en de mogelijkheid tot verspreiding, kan voor ieder radionuclide de maximaal theoretisch mogelijke hoeveelheid activiteit (AL,i [Bq]) worden berekend die in een jaar in de lucht kan worden geloosd. Bij de berekening van AL,i wordt gesommeerd over de verschillende handelingen met het betreffende radionuclide en wordt, door middel van de correctiefactor CRL,i, rekening gehouden met de mogelijke cumulatie in het milieu van langlevende radionucliden.
De volgende formule is van toepassing:

waarin: | ||
AL,i | = | maximale (theoretisch mogelijke) lozing van radionuclide i in een jaar in lucht, gecorrigeerd voor cumulatie in het milieu [Bq] |
Ainkoop,i | = | hoeveelheid van radionuclide i dat in één jaar wordt gekocht voor een bepaalde handeling [Bq] |
pi | = | parameter voor verspreidingskans van radionuclide i bij de beschouwde handeling, zie tabel 4.1. |
si | = | effectiviteitsparameter voor het filtersysteem voor radionuclide i, zie tabel 4.2. |
CRL,i | = | correctiefactor voor lozingen in lucht voor de fysische halveringstijd van radionuclide i, zie tabel 4.3. |
Verspreidingsparameter p
De kans dat en de mate waarin een radionuclide zich in lucht verspreidt, bijvoorbeeld in de zuurkast of laboratoriumruimte en vervolgens naar buiten komt, is afhankelijk van de eigenschappen van de stof of verbinding en van de handelingen die ermee worden verricht. De waarden voor de verspreidingsparameter p zijn afgeleid van deze verspreidingskans. In tabel 4.1 zijn de waarden gegeven die in formule 4.2 gebruikt dienen te worden voor een aantal vaak voorkomende handelingen. Indien de handelingen waarvoor vergunning wordt aangevraagd aanmerkelijk daarvan afwijken, dient een toepasselijke keuze te worden gemaakt uit de in tabel 4.1 vermelde waarden.
Handeling | p |
|---|---|
Eenvoudige handeling met gassen | -4 |
Hanteren van poeders in ‘open’ systeem bijvoorbeeld mengen of malen | -4 |
Vloeistof met temperatuur tegen kookpunt | -4 |
Sterk spattende bewerkingen | -4 |
Labeling met vluchtig nuclide (bijv. jodium) | -4 |
Koken van vloeistoffen in ‘gesloten’ systeem | -4 |
Centrifugeren en mengen op vortex | -3 |
Eenvoudige bewerking van poeders in ‘gesloten’ systeem | -3 |
Opslag van edelgas in toediensysteem | -3 |
Labeling met niet-vluchtig nuclide | -3 |
Eenvoudige chemische bepaling met tracers (bijv. RIA) | -2 |
Kortdurend zeer eenvoudig nat werk, zoals pipetteren van een klein volume van een niet-vluchtige verbinding uit een voorraad-oplossing | -2 |
Eenvoudige werkzaamheden in ‘gesloten’ systemen zoals: | |
— Elutie Tc-generator | -1 |
— Optrekken van spuiten | -1 |
— Labeling in gesloten systemen | -1 |
— Calibratie I-131 capsule | -1 |
Metingen aan stoffen in moeilijk verspreidbare vorm (bijvoorbeeld in ampul) | -1 |
Opslag van radioactief afval in werkruimte | -1 |
Effectiviteitsparameter filtersysteem s
De eventuele aanwezigheid van een filter in het lozingskanaal, kan grote invloed hebben op de geloosde hoeveelheid radioactiviteit. Afhankelijk van de effectiviteit van een dergelijk filter voor het beschouwde radionuclide, dienen in formule 4.2 de in tabel 4.2 vermelde waarden te worden gebruikt. Voor de bepaling van de effectiviteit van het filter kunnen hetzij fabrieksgegevens worden gebruikt, hetzij metingen worden uitgevoerd. Indien de effectiviteit van het filter niet bekend is, dient men uit te gaan van een ineffectief filter (s = 0).
Effectiviteit van het filtersysteem | s |
|---|---|
Effectiviteit ≥ 99,99% | 4 |
Effectiviteit ≥ 99,9% | 3 |
Effectiviteit ≥ 99% | 2 |
Effectiviteit ≥ 90% | 1 |
Effectiviteit < 90% (geen filter of ineffectief filter) | 0 |
Correctiefactor CRL
Gezien de korte tijdsperiode tussen lozing en inhalatie, wordt bij lozingen in lucht voor het blootstellingspad inhalatie fysisch verval niet nadrukkelijk verdisconteerd. Om rekening te houden met de cumulatie in het milieu, wordt een correctiefactor (CRL) gebruikt afhankelijk van de fysische halveringstijd van het betrokken radionuclide. Hiermee wordt de lozing van langlevende nucliden zwaarder gerekend dan de lozing van kort levende. In tabel 4.3 worden de waarden van CRL gegeven die in formule 4.2 gebruikt dienen te worden.
Fysische halveringstijd T½, fys | Correctiefactor voor lozingen in lucht CRL |
|---|---|
T½, fys ≤ 25 jaar | 1 |
T½, fys ≤ 250 jaar | 10 |
T½, fys > 250 jaar | 100 |
4.3.3. Berekening van de maximale jaarlijkse emissie vanuit een locatie (Lmax)
De verhouding tussen AL,i en Reinh,i geeft, voor iedere radionuclide, het maximale (theoretisch mogelijke) aantal radiotoxiciteitsequivalenten van dat nuclide dat in een jaar in lucht wordt geloosd.
De maximale (theoretisch mogelijke) emissie in lucht vanuit een locatie (Lmax), uitgedrukt in aantal radiotoxiciteitsequivalenten, wordt verkregen na sommatie over alle radionucliden volgens:

waarin: | ||
Lmax | = | maximale jaarlijkse emissie in lucht vanuit een locatie (uitgedrukt in aantal Reinh), gesommeerd over alle geloosde nucliden |
AL,i | = | maximale (theoretisch mogelijke) lozing van een bepaald radionuclide in een jaar in lucht [Bq] (zie formule 4.2) |
Reinh, i | = | radiotoxiciteitsequivalent van radionuclide i voor inhalatie [Bq] |
4.3.4. Afgeleid toetsingsniveau voor lozingen in lucht (LSN)
De geloosde hoeveelheid radioactiviteit zal zich in de lucht verspreiden en dus in (sterk) verminderde concentratie de terreingrens bereiken. Op basis van een conservatieve benadering resulteert dit in een tenminste miljoenvoudige verdunning, afhankelijk van de afstand tussen lozingspunt en terreingrens.
Het afgeleide toetsingsniveau (LSN) wordt gedefinieerd als de lozing, uitgedrukt in aantal Reinh, die een inhalatiedosis aan de terreingrens ter grootte van het SN (1 μSv) veroorzaakt. In tabel 4.4 worden, voor verschillende afstanden van het lozingspunt tot de terreingrens, de afgeleide toetsingsniveaus gegeven.
Afstanden van de terreingrens tot lozingspunt op het gebouw [m] | Toetsingsniveau voor lozingen in LUCHT, LSN |
|---|---|
afstand ≤ 50 m | 1 |
afstand ≤ 150 m | 10 |
afstand > 150 m | 100 |
4.3.5. Toetsing Lmax aan LSN
De met behulp van formule 4.3 verkregen waarde voor Lmax dient te worden getoetst aan de afgeleide toetsingniveaus LSN.
Er zijn twee situaties mogelijk. De eerste is die waarbij er sprake is van één (effectief) lozingspunt. De tweede situatie is die waarbij er sprake is van een aantal lozingspunten die op verschillende afstanden van het te beschouwen punt van de terreingrens zijn gelegen.
In deze twee situaties dient als volgt te worden gehandeld:
- 1)
Eén (effectief) lozingspunt
Indien:

wordt de lozing geacht een dosis kleiner dan of gelijk aan het SN te veroorzaken.
Indien dat niet het geval is, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
- 2)
Meer dan één lozingspunt
Indien lozing in lucht kan plaatsvinden via meer dan één (effectief) lozingspunt, dient, voor ieder lozingspunt afzonderlijk de waarde van Lmax berekend te worden rekening houdend met het verbruik per lozingspunt, de afstand tussen lozingspunt en terreingrens en het afgeleide toetsingsniveau LSN.
Toetsing geschiedt aan de hand van de volgende formule:

Alleen waarden van Lmax groter dan 0,1 (dwz een tiende van het kleinste toetsingsniveau), behoeven bij deze sommatie te worden betrokken. Indien wordt voldaan aan bovenstaande vergelijking wordt de totale lozing uit de locatie geacht een dosis kleiner dan of gelijk aan het SN te veroorzaken. Indien niet wordt voldaan aan bovenstaande vergelijking wordt voor de lozing in lucht verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
4.4. Lozing in water
Voor de bepaling en de beoordeling van lozingen in water worden de volgende stappen doorlopen:
- •
berekening van het radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie van de geloosde radionucliden (onderdeel 4.4.1);
- •
berekening van de maximale jaarlijkse lozingen (onderdelen 4.4.2 en 4.4.3);
- •
vaststelling van het toetsingsniveau (onderdeel 4.4.4);
- •
toetsing van de lozingen daaraan (onderdeel 4.4.5).
4.4.1. Berekening van het radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie (Reing)
Eén radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie (Reing [Bq]) is de hoeveelheid activiteit die bij ingestie een effectieve volgdosis van 1 Sv tot gevolg heeft, als gedefinieerd in onderdeel E van bijlage 2 van het besluit. Voor iedere radionuclide i kan Reing worden berekend volgens:

waarin: | ||
Reing,i | = | radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie van radionuclide i [Bq] |
eing,i | = | ingestiedosiscoëfficiënt van radionuclide i door volwassenen [Sv/Bq] (zie de Annex F, bedoeld in bijlage 9 van deze verordening, onderdeel B) |
4.4.2. Berekening van de maximale jaarlijkse lozing van elk radionuclide (Aw,i)
Op basis van de hoeveelheid radioactiviteit die in één jaar wordt gebruikt, de wijze van verwerking en de mogelijkheid tot lozing in water, kan voor ieder radionuclide de maximaal theoretisch mogelijke hoeveelheid activiteit (AW,i [Bq]) worden berekend die in een jaar in water kan worden geloosd. Bij de berekening van AW,iwordt gesommeerd over de verschillende handelingen van het betreffende radionuclide en wordt, door middel van de correctiefactor CRW,i, rekening gehouden met de mogelijke cumulatie in het milieu van langlevende radionucliden.
De volgende formule is van toepassing:

waarin: | ||
AW,i | = | maximale (theoretisch mogelijke) lozing van radionuclide i in een jaar in water, gecorrigeerd voor cumulatie in het milieu [Bq] |
Ainkoop,i | = | hoeveelheid van radionuclide i dat in één jaar wordt gekocht voor een bepaalde handeling [Bq] |
Zi | = | correctiefactor voor uitscheiding van patiënten, zie tabel 4.5 |
Vi | = | correctiefactor voor kans op lozing op het riool, zie tabel 4.6 |
Wi | = | correctiefactor voor uitscheiding van proefdieren, zie tabel 4.7 |
si | = | effectiviteitsparameter voor het filter- of tanksysteem voor radionuclide i, zie tabel 4.8 |
CRW,i | = | correctiefactor voor lozingen in water voor de fysische halveringstijd van radionuclide i, zie tabel 4.9. |
De parameterwaarden voor Z, V en W zijn afhankelijk van de chemische of metabole eigenschappen van de betrokken stoffen en van de handeling waarvoor deze worden gebruikt.
Voor de bepaling van de waarden kunnen hetzij resultaten uit (eerder uitgevoerd) onderzoek worden gebruikt, hetzij metingen worden verricht. Bij gebrek aan gegevens of indien de correctiefactor niet van toepassing is, dient te worden uitgegaan van een waarde van 1.
Correctiefactor voor uitscheiding van patiënten Z
Bij het toedienen van radiopharmaca aan patiënten vervalt een (groot) deel van de activiteit in het lichaam, maar ook zullen radionucliden na kortere of langere tijd via excreta worden uitgescheiden en geloosd op het riool. Om rekening te houden met de effectieve uitscheiding wordt een radiopharmacon- en toepassingafhankelijk correctiefactor Z (tabel 4.5) gehanteerd die aangeeft welk deel van de toegediende activiteit nog tijdens het verblijf binnen de locatie (meestal het ziekenhuis) wordt uitgescheiden en geloosd op het riool.
In tabel 4.5 zijn de waarden gegeven die in formule 4.7 gebruikt dienen te worden voor de verschillende soorten van uitscheidingsgedrag van de radiopharmaca.
Deel van de toegediende activiteit dat binnen de locatie wordt uitgescheiden en geloosd op het riool (inclusief fysisch verval) | Z |
|---|---|
Toediening aan patiënten is niet van toepassing | 1 |
Lozing ≥ 50% | 1 |
Lozing ≥ 10% | 0,5 |
Lozing ≥ 1% | 0,1 |
Lozing ≤ 1% | 0,01 |
Poliklinische toediening (d.w.z. ontslag uit het ziekenhuis direct na toediening) | 0 |
Correctiefactor voor kans op lozing op het riool V
Sommige radionucliden bevinden zich in een dusdanige vorm dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze niet via de waterafvoer in het riool zullen geraken (bijvoorbeeld vaste, niet oplosbare stoffen of gassen); andere stoffen zullen makkelijk(er) oplosbaar en dus wegspoelbaar zijn. Daarom is er ook een correctiefactor V (tabel 4.6) die in formule 4.7 gebruikt dient te worden en die de kans aangeeft op lozing van het beschouwde radionuclide op het riool.
Kans op lozing op het riool | V |
|---|---|
Stoffen in niet verspreidbare vorm, gassen | 0 |
Alle overige stoffen | 0,1 |
Correctiefactor voor uitscheiding van proefdieren W
Bij het toedienen aan proefdieren worden de uitwerpselen deels opvangen (vast afval) en niet op het riool geloosd; deels zullen de uitwerpselen worden weggespoeld. Hiervoor geldt een correctiefactor W (tabel 4.7) die in formule 4.7 gebruikt dient te worden en die aangeeft welk deel van de toegediende activiteit op het riool van de locatie wordt geloosd.
Deel van toegediende activiteit dat op het riool van de locatie wordt geloosd | W |
|---|---|
Toediening aan proefdieren is niet van toepassing | 1 |
Lozing ≥ 10% | 1 |
Lozing ≥ 1% | 0,1 |
Lozing < 1% | 0,01 |
Effectiviteitsparameter filter- of tanksysteem s
De eventuele aanwezigheid van een waterzuiveringsfilter in het lozingskanaal of van een (verval)tank waarin de geloosde radionucliden enige tijd verblijven alvorens zij op het riool geloosd worden, kan grote invloed hebben op de geloosde hoeveelheid radioactiviteit. Afhankelijk van de effectiviteit van een dergelijk filter- of tanksysteem voor het beschouwde radionuclide, dienen de in tabel 4.8 vermelde waarden in formule 4.7 te worden gebruikt. Voor de bepaling van de effectiviteit van de filter- of tanksysteem kunnen hetzij fabrieksgegevens worden gebruikt, hetzij metingen worden uitgevoerd. Indien de effectiviteit van het systeem niet bekend is, dient men uit te gaan van een ineffectief systeem (s=0).
Effectiviteit van het waterzuiveringsfilter of tanksysteem | s |
|---|---|
Effectiviteit ≥ 99,99% | 4 |
Effectiviteit ≥ 99,9% | 3 |
Effectiviteit ≥ 99% | 2 |
Effectiviteit ≥ 90% | 1 |
Effectiviteit < 90% (geen of ineffectief filter of tank) | 0 |
Correctiefactor CRW
Om rekening te houden met het radioactief verval en de cumulatie in het milieu wordt een correctiefactor (CRW) gebruikt afhankelijk van de fysische halveringstijd van het betrokken radionuclide (zie tabel 4.9). Hiermee wordt de lozing van langlevende nucliden zwaarder gerekend dan de lozing van kort levende. In tabel 4.9 worden de waarden van CRWi gegeven die gebruik dienen te worden.
Fysische halveringstijd T½, fys | Correctiefactor voor lozingen in water CRW |
|---|---|
T½, fys ≤ 5 dagen | 0,001 |
T½, fys ≤ 7,5 dagen | 0,01 |
T½, fys ≤ 15 dagen | 0,1 |
T½, fys ≤ 25 jaar | 1 |
T½, fys ≤ 250 jaar | 10 |
T½, fys > 250 jaar | 100 |
4.4.3. Berekening van de maximale jaarlijkse emissie vanuit een locatie (Wmax)
De verhouding tussen AW, i en Reing, i geeft, voor ieder radionuclide, het maximale (theoretisch mogelijk) aantal radiotoxiciteitsequivalenten dat in een jaar in water wordt geloosd.
De maximale (theoretisch mogelijk) emissie in water vanuit een locatie (Wmax), uitgedrukt in aantal radiotoxiciteitsequivalenten wordt verkregen na sommatie over alle radionucliden volgens:

waarin: | ||
Wmax | = | maximale jaarlijkse emissie in water, vanuit een locatie (uitgedrukt in aantal Reing) gesommeerd over alle geloosde nucliden |
AW. i | = | maximale (theoretisch mogelijke) lozing van radionuclide i in een jaar in water [Bq] |
Reing, i | = | radiotoxiciteitsequivalent van radionuclide i voor ingestie [Bq] |
4.4.4. Afgeleid toetsingsniveau voor lozingen in water (WSN)
De op het riool geloosde radioactiviteit zal niet direct de bevolking bereiken, maar pas na (langdurig) verblijf en verspreiding in het milieu. Op basis van een conservatieve benadering resulteert dit in een verdunning met tenminste een factor 108.
Het afgeleide toetsingsniveau (WSN) wordt gedefinieerd als de lozing, uitgedrukt in Reing, die, volgens deze benadering, een ingestiedosis ter grootte van het SN (1 μSv) veroorzaakt.
Aangezien de ingestiedosis die het gevolg is van een lozing in water homogeen verdeeld wordt verondersteld over een groot gebied, is WSN niet afhankelijk van de afstand tussen lozingspunt en terreingrens (dit in tegenstelling met hetgeen van toepassing is voor lozingen in lucht en LSN).
De waarde van het afgeleide toetsingsniveau voor lozingen in water (WSN), uitgedrukt in Reing, is gelijk aan:

4.4.5. Toetsing Wmax aan WSN
De met behulp van formule 4.8 verkregen waarde voor Wmax dient te worden getoetst aan het afgeleide toetsingsniveau WSN.
Aangenomen wordt dat een locatie vanuit alle lozingspunten op hetzelfde riool loost, waardoor voor lozingen in water niet nodig is een deelberekening per lozingspunt uit te voeren (dit in tegenstelling met hetgeen van toepassing is voor lozingen in lucht).
Indien:

wordt de lozing geacht een dosis kleiner dan of gelijk aan het SN te veroorzaken.
Indien dat niet het geval is, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
4.5. Methode voor de bepaling van doses ten gevolge van handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal
Bij de bepaling van de dosis ten gevolge van ingestie, inhalatie of externe straling worden in principe alle aanwezige radionucliden (en hun dosiscoëfficiënten) meegenomen. Echter, deze bepaling kan ook met behulp van zogenoemde key- of triggerradionucliden uitgevoerd worden. Voor leden van de bevolking kunnen de doses in eerste instantie conservatief doch realistisch worden geschat.
Met betrekking tot de externe stralingsdosis kan, naarmate de afstand tussen de bron en de locatiegrens groter is, een grovere, doch realistisch conservatieve, schatting plaatsvinden. Indien de externe stralingsdosis met deze grove schatting uitkomt op een omgevingsdosisequivalent aan de terreingrens van minder dan 10 μSv in een kalenderjaar (H*max) is een nadere berekening niet nodig. Deze 10 μSv is het secundaire niveau voor externe straling. De H*max is weliswaar niet geheel gelijk aan de effectieve dosis ten gevolge van 24 uur verblijf, maar kan hieraan gelijk geacht worden. Uiteraard kan indien voorhanden en gewenst ook een meer precieze uitkomst opgegeven worden.
Indien een grove, doch realistisch conservatieve, schatting van de inhalatie- of ingestiedosis uitkomt op een effectieve dosis van minder dan 1 μSv in een kalenderjaar, is nadere precisering daarvan ook niet nodig.
In de gevallen waarin de uitkomsten van de schattingen van de effectieve doses hoger zijn dan 1 μSv en 10 μSv in een kalenderjaar voor ingestie- of inhalatiedosis respectievelijk externe stralingsdosis, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Deel II. Nadere Analyse
5. Stroomschema en werkwijze voor Nadere Analyse
5.1. Stroomschema
Zoals al in onderdeel 1.2 is aangegeven, dient in die gevallen waarin de rekenregels uit Deel I niet toereikend zijn, een ‘Nadere Analyse’ (volgens onderdelen 5 tot en met 7 van deze bijlage) te worden uitgevoerd. Dat is het geval indien:
- •
niet wordt voldaan aan de voorwaarden van onderdeel 2.1 (zie ook onderdeel 3.2),
- •
één of meer toetsingsniveau's worden overschreden (zie onderdelen 3.3.5, 4.3.5 en 4.4.5).
De uitvoering van deze nadere analyse vindt plaats zoals weergegeven in het stroomschema in figuur 5.1.
In het algemeen zal bij de uitvoering meer ervaring en kennis van de achterliggende modellen nodig zijn dan bij de toepassing van de rekenregels uit Deel I. De rapporten ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling (DOVIS) deel A: Lozingen in lucht en water’ DOVIS-A [DOA02] en ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling (DOVIS) deel B: Externe straling’ DOVIS-B [DOB02] dienen te worden gehanteerd voor de uitvoering van een nadere analyse.
De methodologie voor de nadere analyse gaat uit van een aantal aannames, bijvoorbeeld omtrent de deeltjesgrootte-verdeling van de geïnhaleerde radionucliden of de transferfactoren (zie daarvoor [DOA02] en [DOB02]). Indien in de beschouwde situatie afwijkende aannames worden gebruikt, dient dit bij de vergunningaanvraag gemotiveerd te worden.
5.2. Overzicht van de Werkwijze
5.2.1. Te beschouwen emissiesoorten en vaststelling emissieomvang
Voor iedere emissiesoort waarvoor de rekenregels uit Deel I niet toepasbaar zijn, dient een ‘Nadere Analyse’ te worden uitgevoerd om de dosis in de omgeving te berekenen.
Bepaling emissie
De omvang van iedere emissiesoort (dus de omvang van de lozing of de omgevingsdosisequivalent) waarvoor een nadere analyse wordt uitgevoerd, kan op twee manieren worden bepaald:
- •
de omvang wordt, indien dat niet tot een onderschatting leidt, gelijkgesteld aan de maximale lozing of (voor externe straling) de maximale omgevingsdosisequivalent zoals in Deel I uitgerekend (zie formules 3.2, 4.2 en 4.7)
of
- •
er wordt een realistische berekening gemaakt volgens [DOA02] en [DOB02] van de jaarlijkse emissies voor ieder emissiepunt, gebaseerd op eigen metingen of op fabrieksgegevens. Metingen dienen zoveel mogelijk te worden uitgevoerd overeenkomstig daartoe strekkende normen of voornormen van het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) of, bij ontbreken daarvan, overeenkomstig DIN, ISO of CEN normen. De emissieomvang voor verschillende emissiepunten van dezelfde emissiesoort worden gesommeerd.
Aantal radionucliden
Indien het aantal radionucliden en hun eventuele dochters zeer groot is, kan de nadere analyse worden beperkt tot een representatieve selectie uit die (dochter)nucliden. De keuze daarvoor dient te zijn onderbouwd (bv. door middel van onderzoek).
Externe straling
Alle relevante stralingssoorten en energieën dienen in de nadere analyse te worden betrokken; in de praktijk zal voor milieuaspecten voornamelijk sprake zijn van gamma- en röntgenstraling.
Reguliere en incidentele lozingen
Bij de berekeningen worden zowel reguliere emissies als potentiële emissies meegenomen. Deze laatste zijn voorziene onbedoelde gebeurtenissen, welke voor aanvang van de handelingen zijn bepaald in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie en waarmee bij de vergunningverlening dan ook rekening wordt gehouden.
Figuur 5.1 Stroomschema voor de berekeningsmethodiek bij ‘Nadere Analyses’

Continue vs gepulste lozing
Indien sprake is van een gepulste of anderszins niet-continue emissie (bijvoorbeeld lozingen in water na tijdelijke opslag in tanks ter controle van de geloosde activiteit) moet, indien niet aannemelijk kan worden gemaakt dat de gevolgen significant zullen afwijken van een continue emissie, van een continue emissie worden uitgegaan10.. Als jaarlijkse emissie wordt de som genomen van alle pulslozingen in een jaar.
Filterinstallaties en vervaltanks
Voor de bepaling van de lozingsomvang mag rekening worden gehouden met in gebruik zijnde installaties die gericht zijn op zuivering van emissies, bijvoorbeeld met filtersystemen in een riolering of schoorsteen of met vervaltanks.
Zuiveringslib, baggerspecie
Indien een materiaal (bijvoorbeeld zuiveringslib of baggerspecie) ten gevolge van lozingen al dan niet onbedoeld een verhoogde radioactiviteit krijgt, worden de doses die daar het gevolg van zijn, toegerekend aan de lozende bron.
5.2.2. Verspreiding en besmetting in het milieu
Uitgaande van de hiervoor berekende emissies wordt de besmetting van alle relevante milieucompartimenten en van daarin voorkomende voedselproducten (vis, vee, landbouw) bepaald, alsmede de daardoor in het milieu veroorzaakte stralingsniveaus.
Voor de berekeningen ten behoeve van luchtlozingen en waterlozingen wordt verwezen naar DOVIS-A [DOA02]. Hierin wordt de berekening van verspreiding en depositie van radioactieve stoffen in het milieu besproken alsmede de berekening van de doses die het gevolg daarvan zijn.
Voor de berekeningen ten behoeve van externe straling wordt verwezen naar DOVIS-B [DOB02]. Hierin wordt de berekening van de externe stralingsdosis besproken van een (afgeschermde) bron.
5.2.3. Belastingpaden
Bij een ‘Nadere Analyse’ van een bepaalde emissiesoort dienen in principe alle mogelijke belastingpaden te worden beschouwd. Echter, afhankelijk van de omstandigheden, zullen sommige belastingpaden een belangrijkere rol spelen dan andere en zal het dus meestal mogelijk zijn een aantal belastingpaden te verwaarlozen.
DOVIS-A geeft voor lucht- en waterlozingen aan welke paden wel en niet relevant zijn en welke modellen, parameters en parameterwaarden bij de nadere analyse gebruikt moeten worden. Vergelijkbare gegevens met betrekking tot externe straling zijn te vinden in DOVIS-B [DOB02].
5.2.4. Cumulatie in de tijd en te beschouwen tijdshorizon
Bij jarenlang lozen zal de besmetting in het milieu, onder andere door verspreiding, afzetting, cumulatie, verval en ingroei van dochternucliden, veranderen in de tijd.
De besmetting in het milieu dient steeds te worden berekend voor de situatie die na 25 jaar continu lozen wordt bereikt, ook indien er dan nog geen evenwicht is bereikt. Indien van tevoren vaststaat dat een bron een kortere tijd aanwezig is, mag die kortere periode worden gehanteerd.
6. Bepaling van de effectieve dosis
6.1. Algemeen
Uitgaande van de berekende besmetting van milieu en voedselproducten, wordt de effectieve dosis berekend voor de personen uit een aandachtsgroep.
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de berekeningswijze van deze dosis en op een aantal begrippen die daarbij een rol spelen. In onderdeel 6.2 wordt ingegaan op de vraag welke blootstellingswegen bij de berekening in beschouwing genomen dienen te worden; in onderdeel 6.3 wordt de aandachtsgroep gedefinieerd, d.w.z. het gedrag wordt gedefinieerd van de personen voor wie de dosis dient te worden berekend; in onderdeel 6.4 worden de dosismodellen besproken en tenslotte in onderdeel 6.5 wordt aangegeven hoe de multifunctionele individuele dosis (MID) en de actuele individuele dosis (AID) berekend moeten worden.
De te gebruiken parameterwaarden (zoals de dosiscoëfficiënten) worden gegeven in bijlage 9 van deze verordening.
6.2. Blootstelling
De belangrijkste manieren waarop blootstelling van de mens kan plaatsvinden zijn: via externe blootstelling, inhalatie, submersie en ingestie. Een verdere onderverdeling is mogelijk naar belastingpad zoals hieronder aangegeven.
Externe blootstelling
Bij het berekenen van de externe blootstellingdosis dient, voor zover relevant, rekening te worden gehouden met de volgende belastingpaden:
- •
straling vanuit een puntbron,
- •
straling vanuit een groot oppervlak,
- •
straling vanaf besmette bodem (groundshine),
- •
aan de lucht weerkaatste straling vanuit een stralingsbron (skyshine),
- •
straling vanuit een besmette wolk (cloudshine).
Inhalatie
Bij het berekenen van de inhalatiedosis die het gevolg is van het inademen van radioactieve stoffen in lucht, dient rekening te worden gehouden met:
- •
verspreiding, verval en ingroei van dochtersnucliden van in lucht geloosde radioactieve deeltjes,
én, voor zover een relevante dosisbijdrage verwacht mag worden, met:
- •
resuspensie,
- •
‘coastal spraying’ (dwz fijne waternevel afkomstig van zee).
Submersie
Bij verblijf in besmette lucht dient, voor zover relevant, ook rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van opname van radioactieve stoffen via de huid en door submersie. Submersie is in het bijzonder relevant indien de in lucht aanwezige radionucliden edelgassen zijn.
Ingestie
Bij het berekenen van de ingestiedosis die het gevolg is van de opname in het lichaam van radionucliden via drank en voedsel, dient rekening te worden gehouden met de besmetting van:
- •
landbouwproducten
- •
veeteeltproducten
- •
visproducten
- •
drinkwater (inclusief leidingwater)
Rekening dient te worden gehouden met besmetting van gewassen als gevolg van:
- •
directe depositie van radioactiviteit vanuit de lucht (interceptie), en
- •
opname via de wortels van in de bodem aanwezige radionucliden
6.3. Aandachtsgroep, selectiegroep en representatief persoon
De aandachtsgroep is de (hypothetische) groep waarvoor de dosis voor een bepaalde emissiesoort en belastingpad wordt berekend. Deze groep krijgt aandacht in verband met een mogelijke dosis ten gevolge van blootstelling aan ioniserende straling. Voor deze groep worden aannames gemaakt met betrekking tot gedrag en fysiologische parameters. Het betreft in dit geval gedrag dat, gegeven een bepaalde besmetting in het milieu, tot de blootstelling van de aandachtsgroep leidt. Het begrip gedrag houdt alle levensgewoontes in: wonen, werken, eten, etc. Bij de bepaling van het gedrag worden conservatieve, doch realistische, aannames gedaan en wordt ‘extreem' gedrag of gedrag van een enkeling niet wordt beschouwd. Voor verschillende emissiesoorten en belastingpaden zullen doorgaans verschillende aandachtsgroepen worden beschouwd.
Een selectiegroep behoort altijd bij een bepaalde bron of locatie. Een selectiegroep is de aandachtsgroep die de hoogste individuele dosis ontvangt ten gevolge van één emissiesoort.
De representatieve persoon is de persoon die blootstaat aan een dosis die representatief is voor die van de meest aan ioniserende straling blootgestelde personen van de bevolking, met uitsluiting van personen met extreme of zeldzamen gewoonten. In de nadere analyse is dit een gemiddeld lid van die aandachtsgroep die de hoogste individuele dosis ontvangt als gevolg van alle beschouwde emissiesoorten tezamen.
Externe blootstelling
Voor de berekening van de externe blootstellingsdosis op een bepaalde locatie, wordt uitgegaan van personen in een aandachtsgroep die op de betreffende locatie wonen en die zich 24 uur per dag gedurende hun hele leven in of nabij de woning bevinden en waarbij die woning een zekere mate van afscherming biedt.
De aandachtsgroep met de hoogste externe stralingsblootstelling zal bestaan uit personen die wonen op de plaats waar het omgevingsdosistempo ten gevolge van de beschouwde bron of locatie het hoogste is. Deze personen zullen in het algemeen aan de terreingrens wonen.
Indien een emissie alleen externe straling als relevante blootstelling heeft, is deze groep tevens de selectiegroep behorende bij deze emissie. Bovendien, als deze emissie de enige emissie is die een relevante dosisbijdrage heeft, kan het gemiddelde lid van deze groep gedefinieerd worden als representatief persoon.
Inhalatie
Voor de berekening van de inhalatiedosis op een bepaalde locatie, wordt uitgegaan van personen in een aandachtsgroep die op de betreffende locatie wonen en die zich 24 uur per dag gedurende hun hele leven in of nabij de woning bevinden. De luchtconcentratie binnenshuis wordt verondersteld dezelfde te zijn als de berekende luchtconcentratie buiten de woning.
Voorts wordt uitgegaan van een jaarlijkse inhalatie van 8.300 m3 lucht, overeenkomend met het ademdebiet van een volwassen man die rustige werkzaamheden verricht.
De aandachtsgroep met de hoogste inhalatieblootstelling zal bestaan uit personen die wonen op de plaats waar de luchtconcentratie ten gevolge van de beschouwde bron of locatie het hoogste is. Deze personen zullen in het algemeen aan of vlakbij de terreingrens wonen.
Indien een emissie alleen inhalatie als relevante blootstelling heeft, is deze groep tevens de selectiegroep behorende bij deze emissie. Bovendien, als deze emissie de enige emissie is die een relevante dosisbijdrage heeft, kan het gemiddelde lid van deze groep gedefinieerd worden als representatief persoon.
Submersie
Voor de berekening van de submersiedosis op een bepaalde locatie, wordt, net als bij inhalatie, uitgegaan van personen in een aandachtsgroep die op de betreffende locatie wonen en die zich 24 uur per dag gedurende hun hele leven in of nabij de woning bevinden. De luchtconcentratie binnenshuis wordt verondersteld dezelfde te zijn als de berekende luchtconcentratie buiten de woning.
De aandachtsgroep met de hoogste submersieblootstelling zal bestaan uit personen die wonen op de plaats waar de luchtconcentratie ten gevolge van de beschouwde bron of locatie het hoogste is. Deze groep zal dezelfde zijn als voor inhalatie en de personen uit deze groep zullen in het algemeen aan of vlakbij de terreingrens wonen.
Indien een emissie alleen submersie als relevante blootstelling heeft, is deze groep tevens de selectiegroep behorende bij deze emissie. Bovendien, als deze emissie de enige emissie is die een relevante dosisbijdrage heeft, kan het gemiddelde lid van deze groep gedefinieerd worden als representatief persoon.
Ingestie
Voor de berekening van de ingestiedosis op een bepaalde locatie, wordt uitgegaan van personen in een aandachtsgroep die een deel van hun voedsel uit eigen volks- of moestuin eten, welke gelegen is op de betreffende locatie, en de rest van hun voedsel elders inkopen.
Voor de voedingsmiddelen die gekocht worden, wordt een zekere mate van menging van meer of minder besmette producten aangenomen. Hiervan uitgaande wordt voor de betreffende voedselproducten de gemiddelde radioactiviteitsconcentratie berekend in een gebied van 30 km rond de bron (voedselgebied). Voor de herkomst van het voedselpakket zijn de volgende aannames van toepassing:
• bladgroenten | - | de helft uit eigen moestuin |
- | de helft uit het betreffende voedselgebied | |
• veeteelt en akkerbouwproducten | - | uit het betreffende voedselgebied |
• visproducten | - | uit betreffende visbekken (hierin wordt volledige menging aangenomen) |
Voorts wordt uitgegaan van de gemiddelde jaarlijkse consumptie van voedingsmiddelen van een volwassen man (zie tabel 6.1).
Omdat de ingestiedosis slechts ten dele plaatsgebonden is, kan in het algemeen niet met zekerheid gezegd worden welke aandachtsgroep de hoogste blootstelling met betrekking tot ingestie heeft. Veelal zal deze echter bestaan uit die personen die een moestuin hebben dáár, waar de depositie radioactieve stoffen op planten (interceptie) het hoogste is, of waar de concentratie radioactieve stoffen in de bodem het hoogste is. Met betrekking tot ingestie van vis zal echter de gemiddelde Nederlandse bevolking zijn.
Voedingsproducten | Gemiddelde jaarconsumptie kg/a of l/a | |
|---|---|---|
Granen | brood, koek etc | 71 |
Aardappelen | 43 | |
Rijst | 6 | |
Knolgewassen | gekookt | 7 |
Knolgewassen | rauw | 1 |
Bladgroenten | gekookt | 4 |
Bladgroenten | rauw | 3 |
Groenten | gekookt | 24 |
excl. Knollen en bladgroenten | rauw | 8 |
Peulvruchten | 3 | |
Vers fruit | inheems | 19 |
Vers fruit | uitheems | 17 |
Vruchtenconserven | 8 | |
Melk(producten) | vers | 114 |
Melk(producten) | houdbaar | 23 |
Kaas | 10 | |
Eieren | 5 | |
Rundvlees | 10 | |
Varkensvlees | 23 | |
Kip ed | 6 | |
Kalfsvlees | 0,5 | |
Overig/gemengd vlees | 5 | |
Zeevis | 3 | |
Zoetwatervis | 0,5 | |
Schaal- en schelpdieren | 0,5 | |
Soepen | 26 | |
Olien, vetten en hartige sauzen | 16 | |
Koffie en thee | 264 | |
Vruchten- en groentensappen | 20 | |
Frisdranken, bier | 169 | |
Alcoholische dranken, excl. Bier | 12 | |
Diversen | 39 | |
6.4. Individuele effectieve dosis (ID)
6.4.1. Algemeen
Voor iedere blootstellingsweg wordt, uitgaande van de radioactiviteit en/of de straling aanwezig in het milieu, de bijdrage berekend aan de jaarlijkse individuele effectieve dosis (ID). Deze is de dosis die een individu kan ontvangen door onbeschermd 24 uur per dag aan de bron te worden blootgesteld. In de volgende onderdelen (6.4.2. t/m 6.4.5) wordt kort aangegeven hoe de externe blootstellingdosis IDext, de inhalatiedosis IDinh, de submersiedosis IDsub en de ingestiedosis IDing dienen te worden berekend. Deze dienen vervolgens als basis voor de berekening van MID en AID (zie onderdelen 6.5.2 en 6.5.3.).
6.4.2. Externe blootstelling
Voor een uitgebreide beschrijving van de berekeningsmethodiek voor de externe blootstellingdosis wordt verwezen naar DOVIS-B [DOB02].
De externe blootstellingdosis IDext wordt berekend uitgaande van het dosistempo Ėext. In het algemeen geldt:

waarin: | ||
IDext | = | externe blootstellingdosis in een jaar [Sv/a] |
Ėext | = | effectief dosistempo [Sv/h] |
text | = | duur van de blootstelling in een jaar [h/a] |
Voor de berekening van IDext wordt uitgegaan van onafgebroken verblijf ter plaatse en geen bescherming door kleren, woning etc. (zie hiervoor de berekening van de MIDext, onderdeel 6.5.2). De duur van de blootstelling text is gelijk aan het aantal uren per jaar dat de bron aanwezig is en het effectieve dosistempo Ėext veroorzaakt.
Het effectieve dosistempo is afhankelijk van de uitgezonden energie en, o.a., van de brongeometrie, de afstand van de bron en eventueel aanwezige afscherming. Voor de berekening van het dosistempo zijn, voor de verschillende belastingspaden (puntbron, bodembesmetting, etc.), conversiecoëfficiënten berekend en getabelleerd (zie [DOB02]).
6.4.3. Inhalatie
Voor een uitgebreide beschrijving van de berekeningsmethodiek voor de inhalatiedosis wordt verwezen naar DOVIS-A [DOA02].
Uitgaande van de berekende concentratie van radionucliden in de lucht (volgens DOVIS-A) kan de jaarlijkse effectieve inhalatiedosis IDnh ten gevolge van een continue lozing worden berekend volgens onderstaande formule:

waarin: | ||
IDinh | = | effectieve inhalatiedosis in een jaar [Sv/a] |
CL | = | concentratie in lucht [Bq/m3], van het beschouwde radionuclide berekend volgens DOVIS-A |
Iinh | = | jaarlijks ademdebiet van een volwassen man die lichte arbeid verricht [m3/a] |
einh | = | inhalatiedosiscoëfficiënt [Sv/Bq] van het beschouwde radionuclide door volwassenen (zie de Annex G en H, bedoeld in bijlage 9 van deze verordening, onderdeel B) |
In het geval dat de getabelleerde einh niet toegepast kunnen worden, dient de dosisberekening te worden uitgevoerd overeenkomstig de aanbevelingen zoals aangegeven in Aanhangsel A.
Resuspensie en coastal spraying
Voor de blootstelling ten gevolge van resuspensie en coastal spraying, voor zover relevant, wordt verwezen naar DOVIS-A.
6.4.4. Submersie
De aanwezigheid van radionucliden in de lucht kan ook een submersiedosis tot gevolg hebben, in het bijzonder in het geval dat er sprake is van edelgassen. Uitgaande van de berekende concentratie van radionucliden in de lucht (volgens DOVIS-A) kan de jaarlijkse effectieve submersiedosis IDsub ten gevolge van een continue lozing worden berekend volgens onderstaande formule:

waarin: | ||
IDsub | = | effectieve submersiedosis in een jaar [Sv/a] |
CL | = | concentratie in lucht [Bq/m3] van het beschouwde radionuclide berekend volgens DOVIS-A [DOA02] |
tsub | = | duur van de blootstelling in een jaar [h/a] |
esub | = | effectieve dosis per eenheid van geïntegreerde luchtconcentratie [(Sv/h)/(Bq/m3)] van het beschouwde radionuclide (zie de Annex C, bedoeld in bijlage 9 van deze verordening, onderdeel B) |
Voor de berekening van Esub wordt uitgegaan van onafgebroken verblijf ter plaatse (tsub= 8.760 uren in een jaar).
6.4.5. Ingestie
Voor een uitgebreide beschrijving van de berekeningsmethodiek voor de ingestiedosis wordt verwezen naar DOVIS-A [DOA02].
Uitgaande van de berekende concentratie van radionucliden in de verschillende voedselproducten (volgens DOVIS-A) kan de jaarlijkse effectieve ingestiedosis IDing ten gevolge van consumptie van voedsel worden berekend aan de hand van de volgende formule:

waarin: | ||
IDing | = | effectieve ingestiedosis in een jaar ten gevolgen van consumptie van voedsel [Sv/a] |
Cv | = | concentratie van het beschouwde radionuclide in het beschouwde voedselproduct [Bq/kg] of [Bq/L] berekend volgens DOVIS-A [DOA02] |
Iing | = | jaarlijkse consumptie van het beschouwde voedselproduct (tabel 6.1) [kg/a] of [l/a] |
eingi | = | ingestiedosiscoëfficiënt [Sv/Bq] van het beschouwde radionuclide door volwassenen (zie de Annex F, bedoeld in bijlage 9 van deze verordening, onderdeel B) |
In het geval dat de getabelleerde eing niet toegepast kunnen worden, dient de dosisberekening te worden uitgevoerd overeenkomstig de aanbevelingen zoals aangegeven in Aanhangsel A.
6.5. Berekening van MID (multifunctionele individuele dosis) en AID (actuele individuele dosis)
6.5.1. Algemeen
Onder multifunctionele individuele dosis (MID) wordt de dosis verstaan die het gevolg is van het gebruik van een gebied buiten de locatie op zodanige wijze dat dit tot de hoogst mogelijke dosis aanleiding geeft. De MID staat los van het feitelijk gebruik van dat gebied op enig moment en houdt rekening met het mogelijke (toekomstige) gebruik. Het gaat dus om de dosis voor een selectiegroep of de representatieve persoon die weliswaar momenteel mogelijk zelfs niet bestaat, maar waarvan het bestaan in de toekomst niet uitgesloten geacht kan worden. In het algemeen leidt het gebruik van een gebied voor normale bewoning tot die hoogst mogelijke dosis. MID wordt dan ook op basis daarvan berekend (zie onderdeel 6.5.2).
Voor de berekening van de actuele individuele dosis (AID) wordt voor sommige dosisbijdragen het huidige feitelijk gebruik van het gebied wel beschouwd (zie onderdeel 6.5.3). Uitgangspunt daarbij blijft dat alle functies van het milieu voor de toekomst mogelijk dienen te blijven en dus dat er geen te hoge (langdurige) besmetting in het milieu plaatsvindt. Met andere woorden, het feitelijke gebruik van de omgeving (het feitelijk bestaan van de selectiegroep of de representatieve persoon) speelt alleen voor díe belastingpaden een rol, die geen blootstelling meer geven zodra de bron geen emissies meer veroorzaakt.
Voor de berekening van MID en AID wordt uitgegaan van de berekende individuele dosisbijdragen (ID) voor de verschillende blootstellingwegen en belastingpaden (zie onderdeel 6.4). Voor zowel MID als AID bestaat de berekening uit een som van (gecorrigeerde) individuele dosisbijdragen. Voor AID worden echter andere of additionele correctiefactoren toegepast dan voor MID.
Zoals in onderdeel 7 nader is uitgewerkt, voor de toetsing aan het Secundair Niveau wordt MID berekend voor iedere emissiesoort afzonderlijk. Voor de toetsing aan de locatielimiet wordt de totale AID beschouwd.
6.5.2. Berekening van de multifunctionele dosis MID
MID geeft de dosis weer voor de (potentiële) bewoners van de omgeving van een bron en is samengesteld uit bijdragen van de verschillende blootstellingwegen waarvan doorgaans de belangrijkste zijn: externe blootstellingdosis (MIDext), inhalatiedosis (MIDinh), ingestiedosis (MIDing). In het geval van edelgassen kan ook de submersiedosis (MIDsub) een rol spelen.
Multifunctionele externe blootstellingdosis en afschermingfactoren
Bij de berekening van de externe blootstellingdosis voor potentiële bewoners van een gebied wordt continue blootstelling verondersteld en afscherming door de woning zelf (zie onderdeel 6.3).
De waarde die voor onafgeschermd verblijf in de buitenlucht geldt (IDext, zie onderdeel 6.4.2), wordt vermenigvuldigd met een factor die rekening houdt met de afscherming die door de woning zelf wordt geboden. Op basis van een globale schatting van de afscherming door een standaardwoning voor gammastraling van verschillende energieën en van verschillende soorten bronnen is de waarde van de afschermingfactor gesteld op 0,25:

waarin: | ||
MIDext | = | jaarlijkse externe blootstellingdosis bij bewoning, of multifunctionele externe blootstellingdosis [Sv/a] |
IDext | = | jaarlijkse externe blootstellingdosis voor onafgeschermd verblijf [Sv/a] (zie formule 6.1) |
De groep die de hoogste MIDext zal hebben, is de groep die woont op de locatie waar het effectieve dosistempo het hoogst is.
Multifunctionele inhalatiedosis
Zoals aangegeven in onderdeel 6.3, wordt, bij de berekening van de inhalatiedosis voor de aandachtsgroep continue verblijf verondersteld, en wordt geen rekening gehouden met extra afscherming door de woning (de concentratie binnenshuis is gelijk aan die buitenshuis). De multifunctionele inhalatiedosis is gelijk aan de inhalatiedosis IDinh (zie onderdeel 6.4.3, formule 6.2):

De groep die de hoogste MIDinh zal hebben, is de groep die woont op de locatie waar de luchtconcentratie het hoogst is.
Multifunctionele submersiedosis
Op vergelijkbare manier wordt de multifunctionele submersiedosis MIDsub gelijkgesteld aan de submersiedosis IDsub (zie onderdeel 6.4.4, formule 6.3):

De groep die de hoogste MIDsub zal hebben, is de groep die woont op de locatie waar de luchtconcentratie het hoogst is.
Multifunctionele ingestiedosis
Bij de berekening van de multifunctionele ingestiedosis wordt het eetgedrag van de aandachtsgroep zoals aangegeven in onderdeel 6.3 aangenomen. In het bijzonder geldt het volgende:
- •
consumptie van de helft van de bladgroenten uit eigen moestuin
- •
consumptie visproducten gemengd uit relevante visbekken
- •
consumptie drinkwater, indien een feitelijk bestaande drinkwater-inlaat zich in het betreffende voedselgebied bevindt
- •
consumptie overige voedingsmiddelen gemengd uit voedselgebied
Bij de berekening van de concentratie radionucliden in de verschillende producten (Cv) en dus ook de betreffende dosisbijdragen MIDing (zie onderdeel 6.4.5, formule 6.4) wordt rekening gehouden met de hierboven aangegeven middeling over zogenaamde voedselgebieden:

De groep die de hoogste MIDing zal hebben, is de groep die een moestuin heeft op de locatie waar de depositie radioactieve stoffen op planten (interceptie) het hoogste is, of waar de concentratie radioactieve stoffen in de bodem het hoogst is. In het geval van besmetting van vis door lozingen in water kan deze groep de Nederlandse bevolking zijn.
Optelling doses van verschillende belastingpaden
Voor de berekening van de MID voor de representatieve persoon behorende bij de beschouwde bron of locatie moeten de individuele dosisbijdragen verbonden aan de verschillende emissiesoorten, de verschillende belastingpaden en verschillende blootstellingwegen worden opgeteld indien zij dezelfde personen (kunnen) treffen. Het gemiddelde lid van de groep waarvoor de aldus berekende totale dosis het hoogste is, is de representatieve persoon. Bij de optelling mogen de bijdragen die ruw geschat minder dan 0,1 μSv in een jaar bedragen, worden weggelaten.
De selectiegroep voor de berekening van MID voor één emissiesoort (de groep waarvoor de berekende MID het hoogste is) kan niet bij voorbaat gedefinieerd worden. Voor lozingen in lucht, zal de selectiegroep veelal bestaan uit personen die wonen op de locatie waar de luchtconcentratie het hoogst is en die tevens gebruik maken van een moestuin vlakbij de woning. Dit gebruik dient te allen tijde mogelijk te zijn.
Samenvattend:
Voor iedere emissiesoort waarvoor een ‘Nadere Analyse’ wordt uitgevoerd, vindt de berekening van de multifunctionele individuele dosis (MID) plaats via de volgende stappen:
- 1.
berekening van de individuele dosisbijdragen per belastingpad (onderdeel 6.4);
- 2.
berekening van IDext, IDinh, IDsub, IDing (onderdeel 6.4) voor zover van toepassing;
- 3.
berekening van MIDext, MIDinh, MIDsub, MIDing, (onderdeel 6.5.2) voor zover van toepassing;
- 4.
berekening van MID volgens:

Voor toetsing aan het SN wordt voor iedere emissiesoort afzonderlijk de maximale waarde van MID vastgesteld (de dosis voor de selectiegroep).
6.5.3. Berekening van de actuele dosis AID
De berekening van de actuele dosis AID is alleen nodig voor de emissiesoorten waarvoor MID het Secundair Niveau overschrijdt.
Indien er sprake is van bewoning of, gezien het bestemmingsplan, bewoning mogelijk is, is AID gelijk aan MID. Indien er geen sprake is van bewoning (en deze volgens het bestemmingsplan ook niet mogelijk is), dan worden bij de berekening van AID andere of additionele correctiefactoren toegepast ten opzichte van MID. AID zal in dit geval kleiner zijn dan MID.
De berekening van AID geschiedt analoog aan die van MID, waarbij echter voor die individuele dosisbijdragen die niet het gevolg zijn van blijvende besmetting van het milieu, rekening wordt gehouden met het feitelijke huidige gebruik van de omgeving. Hiervoor komen de dosisbijdragen in aanmerking die het gevolg zijn van besmetting in de lucht (zoals inhalatie) of van de aanwezigheid van een stralende vaste bron. Voor deze bijdragen wordt verondersteld dat zij niet meer bestaan indien de bron geen emissies meer veroorzaakt.
Voor de dosisbijdragen die wel het gevolg zijn van een blijvende besmetting van het milieu (bijvoorbeeld van besmetting van de grond) wordt de berekening uitgevoerd zoals voor de multifunctionele dosis MID. Deze bijdragen blijven immers bestaan ook nadat de bron geen emissies meer veroorzaakt.
In de praktijk kunnen alleen de volgende locatiegebonden dosisbijdragen worden gecorrigeerd om rekening te houden met het feitelijke huidige gebruik van de locatie:
- 1.
externe blootstellingdosis vanuit een vaste bron (niet die vanaf de grond),
- 2.
externe blootstellingdosis vanuit de lucht,
- 3.
inhalatiedosis,
- 4.
submersiedosis.
Actuele Blootstelling Correctiefactoren (ABC-factoren)
De hiervoor genoemde doses zijn direct evenredig aan de blootstellingduur. Als er ter plaatse niet gewoond wordt, zal de feitelijke blootstellingduur korter zijn dan bij bewoning. Om daarmee rekening te houden wordt een correctiefactor toegepast, de Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC factor) genoemd.
In tabel 6.2 worden de ABC factoren gegeven voor verschillende bestemmingen. Voor iedere beschouwde situatie dient de aangegeven waarde te worden gebruikt. Indien het feitelijk gebruik niet onder de in tabel 6.2 genoemde categorieën valt, dient een toepasselijke keuze te worden gemaakt uit de in de tabel vermelde waarden.
Optelling dosisbijdragen van verschillende belastingspaden
Voor de berekening van AID voor één emissiesoort moeten de relevante gecorrigeerde en ongecorrigeerde individuele dosisbijdragen verbonden aan de verschillende belastingpaden en blootstellingwegen worden opgeteld indien zij dezelfde personen (kunnen) treffen.
Bij de optelling mogen de bijdragen die ruw geschat minder dan 0,1 μSv ten gevolge van lozingen en 1 μSv ten gevolge van externe straling in een jaar bedragen, worden weggelaten. In tabel 6.3 wordt voor iedere dosisbijdrage aangegeven welke correctie toegepast moet worden om de actuele dosis AID te berekenen.
Samenvattend:
De berekening van de actuele individuele dosis (AID) voor één emissiesoort vindt plaats via de volgende stappen:
- 1.
berekening van de individuele dosisbijdragen per belastingpad (onderdeel 6.4);
- 2.
vaststelling (mede aan de hand van de in tabel 6.2 genoemde bestemmingen) van het feitelijke gebruik van de locatie waarvoor de dosis wordt berekend;
- 3.
vermenigvuldiging van de berekende waarden met de erbij behorende correctiefactor (zie tabel 6.3);
- 4.
optelling van de gecorrigeerde en ongecorrigeerde dosisbijdragen.
Voor de onderbouwing van het redelijkerwijs criterium voor de beschouwde emissiesoort (zie onderdeel 7.1) wordt de maximale berekende waarde van AID vastgesteld. Voor toetsing aan de locatielimiet wordt vervolgens de totale AID berekend (zie onderdeel 7.2).
Opgemerkt wordt dat bij optelling van gecorrigeerde en ongecorrigeerde dosisbijdragen de berekende AID geen werkelijke ontvangen dosis is. De berekende waarde geeft een overschatting van de thans ontvangen dosis (indien geen sprake is van bewoning), en tevens geeft ze een conservatieve indicatie van de toekomstige ‘onvermijdelijke’ dosis als gevolg van blijvende besmetting van radionucliden in het milieu.
Omgevingsbestemming — categorie | ABC factoren(*1) |
|---|---|
Vervoer over de weg | 0,0010) |
Watergebied bestemd voor (doorgaande) beroepsscheepvaart | 0,011) |
Aanleghavens voor passanten | 0,032) |
Jachthavens en vaste ligplaatsen voor beroepsvaart en volkstuinen | 0,13) |
Kampeerterreinen | 0,24) |
Dagrecreatiegebied (park, bos, duin, water, strand), dus geen kampeerterreinen | 0,035) |
Parkeerterrein | 0,016) |
Snelweg, andere doorgaande (stads)wegen, niet doorgaande wegen niet direct grenzend aan woongebied en wegen binnen industrieterreinen | 0, 017) |
Niet doorgaande weg langs de bron, direct grenzend aan woongebied (spelende kinderen), Taxistandplaats | 0,18) |
Weiland of akkerbouw | 0,019) |
Belendende industrieën, instellingen, kantoorgebouwen etc, zonder bewoning | 0,210)11) |
Dosisbijdrage | correctie | geen corr. | |
|---|---|---|---|
ABC factor a) | afsch. factor b) | c) | |
lokaal gebonden: | |||
externe blootstellingdosis vanuit een vaste bron | • | • d) | |
externe blootstellingdosis vanuit de lucht | • | ||
externe blootstellingdosis vanaf de grond | • | ||
inhalatiedosis | • | ||
submersiedosis | • | ||
ingestiedosis producten uit eigen moestuin | • | ||
niet lokaal gebonden: | |||
ingestiedosis voedingsmiddelen uit voedselgebieden | • | ||
ingestiedosis visproducten | • | ||
ingestiedosis drinkwater | • | ||
7. Toetsing van de uitkomsten aan de dosisniveaus
7.1. Toetsing aan het Secundair Niveau
De toetsing aan het Secundair Niveau wordt gedaan per iedere emissiesoort afzonderlijk. Hiervoor wordt de berekende multifunctionele individuele dosis (MID) vergeleken met de bij de betreffende emissiesoort horende SN.
Als voor een emissiesoort de volgens Deel II berekende MID lager ligt dan SN, dus als:
• voor externe straling | MID(externe straling) | ≤ | 10 μSv |
|---|---|---|---|
• voor luchtlozingen | MID(luchtlozing) | ≤ | 1 μSv |
• voor waterlozingen | MID(waterlozing) | ≤ | 1 μSv |
dan is er sprake van een emissiesoort die geringe risico's voor de omgeving met zich meebrengt.
Voor de betreffende emissiesoort zal in de vergunningaanvraag de berekende waarde van MID worden opgenomen.
Als voor een emissiesoort de volgens Deel II berekende MID hoger ligt dan SN, dus als:
• voor externe straling | MID(externe straling) | > | 10 μSv |
|---|---|---|---|
• voor luchtlozingen | MID(luchtlozing) | > | 1 μSv |
• voor waterlozingen | MID(waterlozing) | > | 1 μSv |
dan is er sprake van een emissiesoort die zodanige gevolgen voor de omgeving met zich meebrengt dat van de zijde van de overheid nadere gegevens worden gevraagd. Naast MID dient voor de betreffende emissiesoort ook AID te worden berekend.
Voor de betreffende emissiesoort zullen in de vergunningaanvraag zowel de berekende MID als de berekende AID worden opgenomen.
7.2. Toetsing aan de locatielimiet
De toetsing aan de locatielimiet wordt gedaan voor alle emissiesoorten tezamen. Hiervoor wordt de totale AID berekend, dat wil zeggen de actuele dosis van alle relevante emissiesoorten samen. Voor de berekening van de totale AID worden de verschillende dosisbijdragen opgeteld die dezelfde groep mensen (kunnen) treffen.
De berekende waarde van de totale AID wordt vergeleken met de locatielimiet van 100 μSv.
Aanhangsel A bij bijlage 10
A.1. Dosiscoëfficiënten, bronconstanten en radiotoxiciteitsequivalenten
Voor de berekening van de radiotoxiciteitsequivalenten (zie onderdelen 4.3.1 en 4.4.1) en van de effectieve dosis (zie onderdeel 6.4) worden de radionuclidespecifieke dosiscoëfficiënten c.q. bronconstanten gebruikt uit de volgende referenties:
voor de externe blootstellingdosis t.g.v. puntbron:
bronconstante h uit [Kev96]
voor de inhalatiedosis:
dosiscoëfficiënten einh uit annex G en H, bedoeld in bijlage 9 bij deze verordening, onderdeel B
voor de submersiedosis:
dosiscoëfficiënten esub uit annex C, bedoeld in bijlage 9 bij deze verordening, onderdeel B
voor de ingestiedosis:
dosiscoëfficiënten eing uit annex F, bedoeld in bijlage 9 bij deze verordening, onderdeel B
A.2. Afwijkende en nieuwe parameterwaarden
Indien om een of andere, te onderbouwen, reden de waarden waarnaar in onderdeel A.1 wordt verwezen niet gebruikt kunnen worden of niet beschikbaar zijn, dient men een berekening uit te voeren uitgaande van de in genoemde referenties aangegeven methodiek. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in situaties waarin de modelaannames waaronder de dosiscoëfficiënten zijn afgeleid niet representatief zijn. Daarbij dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met het volgende:
I. Fysiologische gegevens
Voor fysiologische gegevens dienen ICRP-23 [IC75] en ICRP-89 [IC102] te worden gebruikt, behalve voor het long- en botmodel, waarvoor ICRP-66 [IC93] en ICRP-70 [IC95] moeten worden gebruikt.
II. Metabole modellen
- •
Voor het longmodel moet ICRP-66 [IC93] worden gebruikt
- •
Voor botdoses dient voor zover mogelijk ICRP-70 [IC95] te worden gebruikt en waar gegevens ontbreken ICRP-30 [IC79]
- •
Voor het maagdarm-kanaal dient ICRP-30 [IC79] te worden gebruikt, aangevuld met de ‘gut-factoren’ uit [NEA88]
Referenties
COM98 | Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren; ISBN 92 78 31166 9 |
DOA02 | RO Blaauboer; Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling (DOVIS), Deel A — Lozingen in lucht en water; RIVM rapport 610310006/2002, (2002) |
DOB02 | JFA v Hienen, EIM Meijne, NB Verhoef; Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling (DOVIS), Deel B — Externe Straling; NRG rapport 20733/02.45655/C, (2002) |
IAE96 | IAEA Safety Series nr. 115; International Basis Safety Standards for protection against Ionizaing Radiation and for the Safety of Radiation Sources; ISBN 92 0 104295 7 (1996) |
IC75 | ICRP publicatie 23 (Annals of the ICRP Vol 24 No. 1–3); Reference Man: Anatomical, Physiological and Metabolic Characteristics; ISBN 0 08 017024 2 (1975) |
IC79 | ICRP publicaties 30 (Annals of the ICRP Vol 24 No. 1–3); Limits or Intakes of Radionuclides by Workers; ISBN 0 08 037364 (1979) |
IC89 | ICRP Publicatie 56 (Annals of the ICRP Vol 24 No. 1–3); Age dependent Doses to Members of the Public from Intake of Radionuclides: Part I; ISBN 0 08 040763 3 (1989) |
IC90 | ICRP publicatie 60 (Annals of the ICRP Vol 24 No. 1–3); 1990 Recommendations of the Internal Commission on Radiological Protection; ISBN nr 0 08 041144 4 (1990) |
IC91 | ICRP publicatie 61 (Annals of the ICRP Vol 24 No. 1–3); Annual Limits on Intake of Radionuclides by Workers Based on the 1990 Recommendations; ISBN nr 0 08 041145 2 (1991) |
IC93 | ICRP publicatie 66 (Annals of the ICRP Vol 24 No. 1–3); Human Respiratory Tract Model for Radiological Protection; ISBN 0 08 041154 1 (1993) |
IC95 | ICRP publicatie 70 (Annals of the ICRP Vol 25 No. 2); Basic Anatomical and Physiological Data for use in Radiological Protection: The Skeleton; IBSN 0 08 042665 4 (1995) |
IC96 | ICRP publicatie 72 (Annals of the ICRP Vol 26 No.1); Age-dependent Doses to the members of the Public from Intake of Radionuclides: Part 5 Compilation of Ingestion and Inhalation Dose Coefficients; ISBN 0 08 042737 5 (1996) |
IC02 | ICRP publication 89 (Annals of the IRCP Vol 32 No. 3–4); Basic anatomical and Physiological Data for Use in Radiological Protection Reference Values; ISBN 0 08 044266 8 (2002) |
Kev96 | AS Keverling Buisman; Handboek Radionucliden; ISBN 90 75541 02 3 |
Koc83 | Kocher, DC. Dose rate conversion factors for external exposure to photons and electrons. Health Physics, 45, 665–686 (1983) |
NEA88 | NEA, Gastrointestinal absorption of selected radionuclides: A report by an NEA expert group, Paris, OECD/NEA (1988) |
PSA93 | PM Roelofsen en J van der Steen; Richtlijn niveau-3 PSA, ECN-C-93–057 (1993) |
TNO94 | KFAM Hulshof en C Kistemaker; Consumptie van produktgroepen, relevant voor de stralingsbelasting, door de Nederlandse bevolking; TNO rapport nr. V 94.078 (1994) |
Voetnoten
Voor nadere informatie over de registratie- en vergunningplicht zie hoofdstuk 3 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
Voor nadere informatie over handelingen met van nature voorkomend materiaal zie hoofdstuk 3 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
Indien in deze bijlage kortheidshalve de term ‘dosis’ wordt gebruikt, wordt steeds ‘effectieve dosis’ bedoeld, tenzij nadrukkelijk anders wordt vermeld.
Autorisatie is het stelsel van registraties en vergunningen welke is ingericht voor het reguleren van handelingen met bronnen van ioniserende straling, zie hoofdstuk 3 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
ALARA is acronym van ‘As Low As Reasonably Achievable’. ALARA is het beginsel van stralingsbescherming waarin is vastgelegd dat een blootstelling geoptimaliseerd is. Daarbij dient de grootte van de effectieve of equivalente dosis van personen, de kans op optreden van blootstelling en het aantal blootgestelde personen zo beperkt als redelijkerwijs mogelijk te worden gehouden. Bij 'zo laag als redelijkerwijs mogelijk' dient de redelijkheid gebaseerd te zijn op de actuele stand der techniek en economische en sociale factoren. De overheid verplicht de ondernemer te handelen overeenkomstig het optimalisatie-beginsel.
Omwille van de leesbaarheid zal in het vervolg van deze bijlage steeds worden gesproken over toestellen. In dergelijke gevallen wordt bedoeld: toestellen en/of versnellers.
Een locatie kan zowel samenvallen met de inrichting van een ondernemer als een plaats daarbinnen zijn of daarbuiten. In sommige gevallen is er dus geen sprake van een omschreven locatie of inrichting, maar van een plaats, wat bijvoorbeeld een afgezet stuk openbare weg kan zijn, of een stuk terrein binnen een inrichting.
Modelmatig wordt van een puntbron gesproken indien de afstand tussen de bron en het punt waarvoor de dosis berekend wordt (dosispunt), groter is dan vijfmaal de grootste afmeting van het stralende oppervlak van de bron aan de kant van dat punt en er geen sprake is van een evenwijdige bundel.
Vanwege verstrooiing door het voorwerp zelf, kan de kwadratenwet niet worden toegepast op zeer korte afstand van het voorwerp.
Dit kan van belang zijn bijvoorbeeld voor lozingen in lucht die alleen onder bepaalde weersomstandigheden plaatsvinden, waarvoor de doorgaans gebruikte weerstatistieken (op jaarbasis) niet toepasbaar zijn in de verspreidingsberekening.
Indien de bron in het algemeen niet gedurende 24 uur per dag in bedrijf is, moet daarvoor eventueel gecorrigeerd worden; indien de bron een bepaalde blootstelling per jaar geeft, maar alleen gedurende werktijden, kan geen correctie voor (werk)verblijftijd worden gehanteerd.
Onder aanname dat de normaal geldende vervoersbepalingen blijven gelden.
Een bemanning van een boot zal bij langs varen nooit langer dan in totaal 3,6 dagen per jaar ter hoogte van een bron verblijven. Bij aanleggen bij een terrein geldt het schip als onderdeel van het terrein en gelden dus de arbeidsnormen voor dat terrein, behalve indien het een woonboot betreft.
De verblijftijden bij één bron zullen doorgaans niet meer dan 12 dagen per jaar zijn (1/30e jaar)
In jachthavens etc vertoeft men in het algemeen niet meer dan in totaal ca 1 maand per jaar. In volkstuinen verblijft men in het algemeen alleen overdag.
Op kampeerterreinen verblijven velen gedurende de gehele zomerperiode.
Zeilen, zwemmen, vissen en zonnen zal bij dagrecreatie niet langer dan 8 uur per dag gedurende 30 dagen per jaar plaatsvinden precies bij een bepaalde bron of inrichting.
Een persoon zal bij normaal gebruik niet langer dan in totaal ca 15 min per dag op een parkeerterrein vertoeven.
Zelfs op een snelweg waar regelmatig files staan — bijvoorbeeld voor de Coentunnel — zal een passant gemiddeld over een jaar nooit meer dan 15 min per dag precies voor die ene bron of inrichting staan. Dit geldt ook voor doorgaande (stads)wegen.
Op een stoep bij een woongebied kan iemand zich theoretisch gedurende enige tijd per dag bevinden — spelende kinderen bijvoorbeeld. Deze kunnen in principe het hele jaar door buiten spelen, niet alleen op dagen met aangenaam weer, wat in het algemeen wel geldt voor recreatiegebieden.
Een boer zal zich nooit de gehele werktijd vlak bij de terreingrens bevinden, maar zich ophouden in het gehele gebied. Bovendien werkt hij gemiddeld maar 8 uur per dag buiten.
De huidige werktijd is nog maar ca 1.800 uur, dat wil zeggen 1/5 van een jaar.
Indien het werk doorgaans binnen plaatsvindt, moeten in dit geval zowel de ABC-factor als de afschermingfactor (zie onderdeel 6.5.2) gehanteerd worden.
zie tab 6.2.
factor (=0,25) om rekening te houden met de afscherming geboden door een standaard woning tegen gammastraling (zie ook formule 6.6).
voor deze paden is de bijdrage aan AID gelijk aan de individuele dosisbijdrage (zie onderdeel 6.4).
bij werk binnenshuis wordt zowel de ABC factor als de afschermingfactor door het gebouw toegepast.