De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.3.2.3:4.3.2.3 De dwingendrechtelijke bepalingen van boek 2 BW
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.3.2.3
4.3.2.3 De dwingendrechtelijke bepalingen van boek 2 BW
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366026:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:15 lid 1 sub a BW en art. 2:13 lid 2 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na dit uitstapje naar internationaal rechtspersonenrecht, de hoogste norm van ons vennootschapsrecht, kom ik toe aan de hiërarchie van het Nederlandse rechtspersonenrecht. De hoogste bepalingen van het Nederlandse rechtspersonenrecht zijn wettelijke bepalingen. Wat betreft het rechtspersonenrecht zijn deze met name in Boek 2 BW vastgelegd.
Als een lagere regel, zoals een regel uit de statuten, een reglement of besluit, strijdig is met een bepaling van Boek 2 BW, prevaleert de bepaling van Boek 2 BW. Een besluit om de statuten, een reglement of besluit een inhoud te geven die strijdig is met de wet is nietig, tenzij het gaat om een wettelijke bepaling die de totstandkoming van zo’n besluit regelt. Een dergelijk besluit is vernietigbaar, tenzij het gaat om een wettelijke bepaling die voorschrijft dat een besluit enkel tot stand kan komen met een voorafgaande handeling of mededeling aan een ander (dan is toch sprake van nietigheid).1
De bepalingen van Boek 2 BW bieden echter regelmatig de mogelijkheid om af te wijken van deze bepalingen. De mogelijkheden om af te wijken zijn soms echter aan voorwaarden verbonden. Eén van deze voorwaarden is vrijwel altijd dat deze afwijking in de statuten is vastgelegd. Het is echter soms ook mogelijk dat niet “bij”, maar “krachtens” statuten een afwijkende regeling geldt. Een voorbeeld daarvan is art. 2:129a/239a lid 3 BW. Daarin is bepaald dat in de statuten kan worden vastgelegd dat bij reglement, overeenkomst en/of besluit kan worden bepaald dat een bestuurder bepaalde bestuursbesluiten kan nemen omtrent zaken die tot zijn taak behoren.
Het feit dat een afwijking van de bepalingen van Boek 2 BW bijna altijd een statutaire basis nodig heeft, is in het kader van dit hoofdstuk met name relevant, omdat de bevoegdheid om de statuten te wijzigen dwingendrechtelijk aan de aandeelhoudersvergadering is toegekend. Aldus kan (de voorgeschreven meerderheid van) de aandeelhoudersvergadering uiteindelijk beslissen of wordt afgeweken van Boek 2 BW en zo ja, hoe. Althans, voor zover dat mogelijk is binnen het dwingende recht van Boek 2 BW. Bij de oprichting worden de statuten, binnen genoemde grenzen, bepaald door de oprichters.