Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) heeft de verdachte vrijgesproken van (kort gezegd) hetgeen aan hem is tenlastegelegd onder respectievelijk feit 1, feit 2 voor zover het [betrokkene 2] betreft, en feit 3.
HR (Parket), 23-01-2024, nr. 23/00182
ECLI:NL:PHR:2024:19
- Instantie
Hoge Raad (Parket)
- Datum
23-01-2024
- Zaaknummer
23/00182
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2024:19, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑01‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:379
Conclusie 23‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Caribische zaak (Curaçao). Veroordeling wegens medeplegen van moord, poging tot moord en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Vrijspraak in eerste aanleg. Het middel komt met verschillende deelklachten op tegen 's hofs bewezenverklaringen, o.a. over de wetenschap van de verdachte omtrent het vuurwapen van de medeverdachte en het opzet op de dood van overige inzittenden in een auto. Geen van deze klachten slaagt volgens de AG. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00182 C
Zitting 23 januari 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
1. De verdachte is bij vonnis van 8 december 2022 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: het Hof) wegens 1. “medeplegen van moord”, 2. “medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van overtreding van een bij artikel 3, eerste lid van de Vuurwapen verordening gesteld verbod, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van het voorarrest.1.Voorts heeft het Hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] e/v [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen en daarbij aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 1:79 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao (verder: SrC) opgelegd, een en ander zoals in het vonnis bepaald.
2. Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
II. Het middel
3. Het middel komt met verschillende deelklachten op tegen de bewezenverklaringen van onderscheidenlijk het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen (feit 3), het medeplegen van moord (feit 1) en het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (feit 2). Ik houd bij de bespreking daarvan deels een andere volgorde aan dan die in de schriftuur wordt gehanteerd.
III. De bewezenverklaringen, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1, primair
hij op 16 september 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere kogels afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer] , waardoor die [slachtoffer] door een van die kogels in het lichaam getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
2, primair
hij op 16 september 2020 te Curaçao ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander,
- opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 1] die zich aldaar bevond, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen, meermalen in de richting en/of in de directe nabijheid van die [betrokkene 1] , heeft geschoten
en
- opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 2] die zich aldaar bevond, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen, meermalen in de richting en/of in de directe nabijheid van die [betrokkene 2] , heeft geschoten,
terwijl de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op 16 september 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander, een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.”
5. Het Hof heeft deze bewezenverklaringen gegrond op veertien bewijsmiddelen, waarvan de volgende van belang zijn voor de bespreking van het middel:
“1. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 23 november 2020, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina's 349-354).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 november 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte:
Toen mijn vriendin [betrokkene 3] en ik (het Hof begrijpt gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen: op 16 september 2020) drinken gingen halen bij de Tuki Snek in Brievengat, stonden daar veel jongens. Een van die jongens zei tegen mij dat ik een vriend van [betrokkene 4] was en dat hij ook iets voor mij had. Toen haalde hij zijn hemd omhoog en liet mij een pistool zien. Ik zag een bruinachtig pistool ter hoogte van zijn broeksband. Ik schrok, stapte in de auto en reed weg. Ik ging [betrokkene 4] ophalen. Ik heb het een en ander meteen aan hem uitgelegd. [betrokkene 4] reed richting de Tuki Snek en daarna richting de toko waar hij later heeft geschoten. Toen wij bij de toko parkeerden stond links van onze auto een andere auto. Daarin zat een jongen genaamd [betrokkene 5] . [betrokkene 4] vertelde mij later dat die jongen zo heette.
[betrokkene 4] heeft geschoten.
[…]
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 6] van 21 januari 2021, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (dossierpagina's 308-314).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 januari 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:
Ik ben (het Hof begrijpt gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen: op 16 september 2020) op aanwijzing van [verdachte] tussen 18.00 en 19.00 uur naar de Toko geweest. Daarna begon de schietpartij.
U, verbalisant, vraagt mij waarom ik gewapend de jongemannen ben gaan opzoeken. Ik antwoord daarop dat ik altijd gewapend ben. Ik bewapen mijzelf 7x24 uur.
Ik ging op instructie van [verdachte] naar de toko toe.
Ik heb gericht op [slachtoffer] (het Hof begrijpt: [slachtoffer] ) en [betrokkene 1] geschoten.
4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 6] van 13 maart 2021, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 5] (dossierpagina's 317-322).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 maart 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:
Ik ben op 16 september 2020 door [verdachte] thuis opgehaald. Hij vertelde dat hij zojuist problemen had gehad met de jongens. Hij bedoelde hiermee de man genaamd [betrokkene 1] . [verdachte] vertelde ook dat [betrokkene 1] hem met een vuurwapen had bedreigd. Ik ben naar binnen gelopen en heb mijn t-shirt en vuurwapen gepakt. Toen [verdachte] bij mij thuis kwam was hij boos. Ik merkte dat [verdachte] zich niet wilde neerleggen bij wat er zich had afgespeeld, maar juist iets wilde gaan doen tegen [betrokkene 1] . Ik vroeg wat hij dan wilde gaan doen. Hij gaf mij als antwoord om de man [betrokkene 1] te gaan opzoeken. Omdat [verdachte] mijn vriend is, ben ik samen met hem [betrokkene 1] gaan opzoeken. [verdachte] had mij niet gezegd om het vuurwapen te pakken maar omdat hij wist dat ik in het bezit was van een vuurwapen is hij naar mij gekomen. Ik liep vaak met mijn vuurwapen rond. Het is zeker een paar keer voorgekomen dat [verdachte] mij met een vuurwapen heeft gezien.
[verdachte] had mij verteld dat hij problemen met de mannen had. [verdachte] weet dat ik gewapend ben. [verdachte] had tegen mij gezegd om met hem naar de jongens te gaan. Hoe duidelijk kan ik zijn.
Vlak na de schietpartij reden wij naar de woning van [betrokkene 7] en [betrokkene 8] te [A] .
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 26 november 2020, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (dossierpagina's 103-112).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 november 2020 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:
Ik ben de vriendin van [verdachte] . [betrokkene 4] is (een van zijn) beste vriend(en).
Op 16 september 2020 werd ik rond 14.45 uur door [verdachte] van school gehaald. Hij reed in een grijze Suzuki Swift. Rond 16.00 uur reed [verdachte] naar de Tuki Snack en kocht daar frisdrank. Ik bleef in de auto zitten.
Toen [verdachte] terug in de auto kwam, merkte ik dat zijn gezicht er kwaad en boos uit zag. De manier waarop hij op dat moment tegen mij sprak was heel anders dan voordat hij de auto uit ging om frisdrank te kopen. Het viel mij op dat [verdachte] de auto op dat moment op hoge snelheid achteruit reed.
Ik vroeg aan [verdachte] wat er aan de hand was en waarom hij zo'n houding had. Hij bleef mij zeggen van “rustig, rustig”.
Wij vertrokken vanuit de Tuki snack en reden weer richting [B] , om [betrokkene 4] te gaan ophalen. [betrokkene 4] ging achterin in de auto achter [verdachte] zitten. [verdachte] reed naar mijn huis toe en heeft mij thuis afgezet. [verdachte] stapte uit zijn auto en ik zag dat [verdachte] aan de passagierskant voorin ging zitten. Ik zag dat [betrokkene 4] achter het stuur was gaan zitten.
[verdachte] zei tegen mij dat toen hij frisdrank bij Tuki Snack was gaan kopen, hij door iemand daar bedreigd werd.
6. Een proces verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] van 17 september 2020, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (dossierpagina's 18-23).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 september 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Op 16 september 2020, omstreeks 16:30 uur, bevond ik mij op de straat waar “Tuki” snack is gelegen.
Op een gegeven moment stopte een grijze auto net voor ons. Kort hierna stapte een man, die ik herkende als de man die [slachtoffer] (het Hof begrijpt: [slachtoffer] ) in elkaar had geslagen bij het benzinestation te Brievengat en die [betrokkene 4] wordt genoemd.
[betrokkene 4] zei tegen mij dat ik [slachtoffer] moest zeggen dat hij hem kapot zal maken. Na deze woorden werd ik bang en om problemen te voorkomen begon ik achteruit te lopen. Ik zag dat [betrokkene 4] toen in zijn auto stapte en in de richting van de rotonde van de S.D.K. reed.
Tevens zag ik dat [betrokkene 4] achter het stuur zat. Kort hierna stopte hij wederom de auto en stapte uit. Ik hoorde hem zeggen, dat hij zonder een vuurwapen ons kapot zal maken. Na deze woorden stapte hij weer achter het stuur en reed toen verder in de richting van de rotonde van S.D.K.
Op diezelfde dag, omstreeks 18:30 uur, zag ik de auto die [slachtoffer] huurt komen aanrijden. Ik liep naar hem toe om [slachtoffer] te vertellen wat zich daarvoor had afgespeeld. Daar, bij de auto aangekomen trof ik zowel [slachtoffer] als zijn vriendin, [betrokkene 2] aan. Zij zaten in de auto. Het betreft een grijsgelakte huurauto van het merk Vitz. Het stuur van de Vitz is aan de rechterkant. Ik vroeg hem of hij mij apart wilde komen horen. Hij stapte uit de auto. Nadat ik hem over [betrokkene 4] vertelde zag ik aan zijn reactie dat hij bang werd. Hij vroeg mij of ik ook wat wilde eten en gaf mij toen een beetje van zijn eten. Ik ging bij hem in de auto, op de achterbank zitten.
Kort hierna hoorde ik dat er geschoten werd. [betrokkene 4] bleef de hele tijd op zowel de Vitz als op [slachtoffer] schieten. Op het moment dat [betrokkene 4] aan het schieten was, was ik plat op de achterbank gaan liggen. Ik hoorde de achterruit van de auto waarin ik was kapot gaan en hoorde tevens hoe de kogels de auto perforeerden. Het waren heel veel schoten. Toen [betrokkene 4] nog aan het schieten was reed [betrokkene 2] weg.
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] van 14 oktober 2020, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 7] (dossierpagina's 27-30).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 oktober 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Tijdens het schietincident van 16 september 2020 zat [verdachte] bij [betrokkene 4] in de auto.
Toen ik die dag door [betrokkene 4] bedreigd werd, was [verdachte] er ook bij. Beide mannen stapten toen uit de auto en liepen op mij af.
Zowel [betrokkene 4] als [verdachte] begonnen mij met de dood te bedreigen. Ik hoorde [betrokkene 4] zeggen dat hij [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) en mij dood zou maken. Ik sprak toen [verdachte] aan en vroeg hem waarom hij zo met mij praatte omdat hij familie van mij is. Ik zag dat hij hierop geen gehoor gaf en hij bleef samen met [betrokkene 4] doodsbedreigingen uiten. Ik liep weg van [betrokkene 4] en [verdachte] .
8. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] van 24 november 2020, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 7] (dossierpagina's 34-38).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 november 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
De auto van [betrokkene 5] stond langs de weg en [betrokkene 4] parkeerde de door hem bestuurde auto midden op de weg. Aan de andere kant van diezelfde weg (in een flauwe bocht), stond de auto waarin [slachtoffer] , [betrokkene 2] en ik zaten. De drie auto's stonden dus min of meer parallel naast elkaar.
Terug komend op het moment dat [betrokkene 4] kwam aanrijden. [slachtoffer] keek in de achteruit spiegel en zei dat een auto achter de grijsgelakte Toyota Vitz (het Hof begrijpt gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen: de auto van [slachtoffer] ) tot stilstand werd gebracht. Hij vroeg me wie dat was. Ik draaide me om en keek vervolgens naar achter, tot mijn verbazing zag ik weer de man [betrokkene 4] in de deuropening. Ik schrok hevig en zei tegen [slachtoffer] “e gai”. Kort hierna stapte [slachtoffer] uit de auto. Toen [slachtoffer] uit de auto stapte, zag ik dat hij niet gewapend was. Direct hierna hoorde ik schoten vallen. Ik hoorde glasgerinkel en dook snel op de achter zitbank van de grijsgelakte Toyota Vitz.”
9. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 5] van 10 oktober 2020, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 7] (dossierpagina's 49-53).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 oktober 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 5]:
Ik ken de man die op 16 september werd neergeschoten. Hij werd [slachtoffer] genoemd. Ik noemde hem ‘ [slachtoffer] ’.
Ik weet dat [slachtoffer] problemen had met [betrokkene 4] . [betrokkene 4] is degene die [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Ik ken [betrokkene 4] van kinds af aan.
Op 16 september 2020 was ik omstreeks 18.00 uur met mijn vriendin [betrokkene 9] ter hoogte van de Chinese Toko Win. Ik sprak met haar en een vriend met de bijnaam [betrokkene 10] . Wij waren in mijn groene Ford Fiesta.
Op een gegeven moment zag ik dat een grijze Suzuki Swift vlak naast [betrokkene 1] tot stilstand werd gebracht. Er stapten twee mannen uit de auto. Ik herkende [betrokkene 4] meteen. Hij was met een nog voor mij onbekende man. Beide mannen stapten uit de auto en liepen vervolgens naar [betrokkene 1] met wie [betrokkene 4] problemen had. Bij [betrokkene 1] aangekomen, begonnen [betrokkene 4] en de andere man door wie [betrokkene 4] vergezeld werd, [betrokkene 1] hard aan te spreken. Ik kon precies horen wat er allemaal tijdens de ruzie tussen [betrokkene 4] , de voor mij onbekende man en [betrokkene 1] gezegd werd. Op een gegeven moment hoorde ik hoe [betrokkene 4] tegen [betrokkene 1] zei dat [betrokkene 1] en [slachtoffer] op mij rekenden en dat de enige reden dat [betrokkene 1] op dat moment gered werd, het feit was dat ik aanwezig was.
Terwijl [betrokkene 4] zijn doodsbedreigingen tegenover [betrokkene 1] uitte, liep [betrokkene 1] zonder een woord te zeggen weg van [betrokkene 4] en de onbekende man, in mijn richting. [betrokkene 4] en de voor mij onbekende man stapten weer in de grijze Suzuki Swift en reden vervolgens weg in de richting van de Tuki Snack. [betrokkene 1] kwam naar mij toe en vertelde mij dat [betrokkene 4] en de onbekende man tegen hem hadden gezegd dat zij gereed waren om hem te vermoorden, maar dat zij op dat moment van die voornemens hadden afgezien omdat ik aanwezig was.
[betrokkene 1] bracht [slachtoffer] vervolgens telefonisch op de hoogte van het gebeuren. Kort daarna zag ik [slachtoffer] in een grijze Toyota Vitz komen aanrijden. Zijn vriendin [betrokkene 2] bestuurde de auto. [slachtoffer] stapte uit de auto en liep naar mij toe. [betrokkene 2] parkeerde de auto net in een flauwe bocht voorbij toko Win. [betrokkene 1] en [slachtoffer] spraken over de bedreigingen van [betrokkene 4] en de onbekende man. Daarna liepen [slachtoffer] en [betrokkene 1] terug naar de Vitz.
Kort hierna, zag ik wederom de grijze Suzuki Swift waarin [betrokkene 4] en de onbekende man reden, aan komen rijden. [betrokkene 4] trad nog steeds op als bestuurder. Hij stopte de auto net ter hoogte van waar mijn auto geparkeerd stond. [betrokkene 4] sprak met mij. Ik zag [slachtoffer] toen uit de Vitz stappen. Zonder te aarzelen haalde [betrokkene 4] een vuurwapen tevoorschijn, stak zijn hand uit de auto en begon gericht op [slachtoffer] te schieten. Hij bleef gericht op hem schieten.
10. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 12 oktober 2020, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 7] (dossierpagina's 63-67).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 oktober 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 9]:
Op de dag dat [slachtoffer] door [betrokkene 4] werd doodgeschoten, was ik samen met [betrokkene 5] in de groene Ford Fiesta van [betrokkene 5] .
Omstreeks 17.00 uur zag ik dat een lichtkleurige Suzuki Swift aan kwam rijden. [betrokkene 4] stapte uit die auto en liep op [betrokkene 1] af en begon met [betrokkene 1] te ruziën. Ik hoorde hoe [betrokkene 1] door [betrokkene 4] bedreigd werd. [betrokkene 4] had tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij [betrokkene 1] iets slechts zou aandoen, wanneer hij [betrokkene 1] alleen zou aantreffen. Na die woorden van [betrokkene 4] liep [betrokkene 1] in de richting van onze auto. Kort daarna stapte [betrokkene 4] weer in de lichtkleurige Suzuki Swift en reed weg. Ik zag nog een man naast [betrokkene 4] in de auto zitten op de plaats van de mede-inzittende. Ik begreep later van [betrokkene 1] dat die man familie van [betrokkene 1] zou moeten zijn.
Ik hoorde daarna [betrokkene 1] telefonisch aan [slachtoffer] uitleggen wat er was gebeurd en hij vroeg [slachtoffer] om naar hem toe te komen. Kort daarna zag ik [slachtoffer] met [betrokkene 2] komen aanrijden in een grijze Toyota Vitz. [betrokkene 2] zat achter het stuur. [slachtoffer] stapte uit de auto en liep naar waar de auto van [betrokkene 5] geparkeerd stond. Kort hierna begon er een gesprek tussen [betrokkene 1] en [slachtoffer] over de bedreigingen die waren geuit door [betrokkene 4] . [slachtoffer] en [betrokkene 2] gingen eten kopen. Daarna keerden [slachtoffer] en [betrokkene 2] terug bij toko Win en parkeerden vervolgens de grijze Toyota Vitz weer op dezelfde plek: in de flauwe bocht voorbij toko Win. [slachtoffer] stapte uit de auto en bood toen [betrokkene 1] wat te eten aan. [betrokkene 1] en [slachtoffer] gingen toen in de grijze Toyota Vitz zitten. [betrokkene 5] en ik gingen weer in de Ford Fiesta van [betrokkene 5] zitten.
Op een gegeven moment zag ik de lichtkleurige Suzuki Swift weer aan komen rijden. De auto die eerder door [betrokkene 4] werd bestuurd. Ik weet niet precies hoe laat het was, in ieder geval net tegen de zonsondergang. Ik zag wederom dat de onbekende man naast [betrokkene 4] zat op de plaats van de mede-inzittende. [betrokkene 4] trad weer op als bestuurder van de Suzuki Swift. [betrokkene 4] stopte de auto ter hoogte van waar de auto van [betrokkene 5] geparkeerd stond, dus midden op weg tegenover toko Win. Ik hoorde dat [betrokkene 4] en [betrokkene 5] kort woorden met elkaar hadden gewisseld.
Toen ik schoten hoorde, keek ik meteen op. Ik zag op dat moment dat [betrokkene 4] op de dorpel van de auto (bestuurderskant) stond en over het dak van de Suzuki Swift gerichte schoten op [slachtoffer] loste. Ik zag vuurvonken uit het vuurwapen komen en hoorde daarbij zeer harde knallen.
Toen de auto waarin [slachtoffer] zat, weg begon te rijden, maakte [betrokkene 4] een U-turn en bleef gerichte schoten op de auto lossen. [betrokkene 5] startte toen zijn auto (Ford Fiesta) en reed met hoge snelheid weg.
11. Een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2] van 17 september 2020, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9] (dossierpagina's 12-17).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 september 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:
[slachtoffer] is een vriend van mij. Ik noem hem [slachtoffer] of [slachtoffer] .
Wij stonden bij een snek in Brievengat. Op een gegeven moment werd er vanuit een auto geschoten. Ik was net uitgestapt en zag een arm met een vuurwapen en hij begon te schieten. Ik schrok en ben weggereden. [slachtoffer] sprak met mij en zei tegen mij dat hij geraakt was. Daarna leunde hij naar achteren en sprak niet meer.
12. Een proces-verbaal van sporenonderzoek naar aanleiding van het schietincident op 16 september 2020, van 18 februari 2021, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 10] , voor gezien getekend door teamleider [verbalisant 11] , (dossierpagina's 125- 140).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant [verbalisant 10] :
Op 16 september 2020 omstreeks 19.30 uur is begonnen met een forensisch onderzoek te Kaya Augusto Boelijn, ter hoogte van Toko Win, alwaar een schietincident had plaatsgevonden (Plaats Delict I). Later werd gemeld dat het slachtoffer [slachtoffer] was overleden in de auto die geparkeerd werd gevonden op de parkeerplaats van het appartementencomplex Aloe Appartment (Plaats Delict II).
Tijdens het onderzoek op de Plaats Delict I ter verkrijgen van een sporenbeeld, trof ik verbalisant verschillende kogelhulzen.
Conclusie:
- op woensdag 16 september 2020 heeft een schietincident te Kava Augusto Boellin plaatsgevonden.
- uit het forensisch sporen onderzoek (plaats waar het huls werd (het Hof begrijpt: de hulzen werden) aangetroffen is gebleken dat de plaats van het schietincident op openbare weg te Kava Augusto Boellijn ter hoogte "Toko Win" is geweest.
- Tenminste zes (6) schoten werden afgevuurd, gezien de op de plaats delict aangetroffen hulzen.
13. Een proces-verbaal van forensisch onderzoek Cascoraweg 86 (Aloe Apartments) naar aanleiding van het schietincident op 16 september 2020, van 14 januari 2021, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 12] , voor gezien getekend door teamleider [verbalisant 11] , (dossierpagina's 141-160).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant [verbalisant 12] :
Op 16 september 2020 omstreeks 21.00 uur is begonnen met een forensisch onderzoek te Aloe Appartments, omdat een schietpartij had plaatsgevonden op de Kaya Augusto Boelijn, ter hoogte van Toko Win. Het slachtoffer werd met een voertuig naar Aloe Apartments vervoerd. Aldaar werd het slachtoffer op de mede inzittende zitplaats dodelijk aangetroffen.
Ik zag in een grijze Toyota Vitz met kenteken [kenteken] op de mede inzittende zitplaats het lichaam van een man die geen teken van leven meer gaf. Ik zag aan de achterkant van voornoemde auto vijf inschotperforaties.
Op 16 september 2020 omstreeks 20.00 uur constateerde de politiearts [politiearts] de dood van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000.
Op 17 september 2020 werd door mij nader onderzoek verricht op de grijze Toyota Vitz met kenteken [kenteken] . Ik zag dat de achterruit door een projectiel was vernield. Ik zag tevens een kogel perforatie aan de binnenzijde aan de rand van het rechter achterportier. Verder zag ik twee inschotperforaties op de kofferbak. Op de achterbumper zag ik twee inschotperforaties.
Het kogeltraject aan de kofferbak met nummer 2 is door de onderzijde naar de achterzijde van de mede inzittende zitplaats naar de voorzijde van de mede inzittende zitplaats gegaan en raakte het slachtoffer
Conclusie:
Het kogeltraject nummer 2 heeft hoogstwaarschijnlijk het slachtoffer [slachtoffer] dodelijk geraakt.
[…]”
6. Voorts heeft het Hof met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen (hier met weglating van de voetnoten):
“Op basis van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het Hof de volgende feitelijke toedracht vast.
Het Hof stelt daarbij voorop dat hetgeen is voorgevallen op 16 september 2020 voornamelijk dient te worden geconstrueerd op basis van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 5] , [getuige 2] (enerzijds) en de verklaringen van de verdachte, de andere verdachte [betrokkene 6] en de vriendin van de verdachte, [getuige 1] (anderzijds). Deze verklaringen lopen op verschillende onderdelen uiteen. Het Hof zal hierna deze verklaringen nalopen, de betrouwbaarheid daarvan beoordelen en komen tot een chronologische reconstructie van de dag van het schietincident op 16 september 2020.
I De bedreiging door [betrokkene 1] aan de verdachte en het rijden door [betrokkene 6] en de verdachte naar de toko
Niet ter discussie staat dat al langere tijd een dispuut tussen [betrokkene 6] en [slachtoffer] bestond, waarbij [slachtoffer] eind augustus 2020 in elkaar is geslagen door (onder andere) [betrokkene 6] .
Met betrekking tot wat is voorgevallen eerder op de middag van 16 september 2020 hebben zowel de verdachte, de andere verdachte [betrokkene 6] als [getuige 1] verklaard dat de verdachte rond 16.00 uur in de middag door [betrokkene 1] met een vuurwapen is bedreigd bij de Tuki Snack. Het Hof heeft geen reden aan deze verklaringen te twijfelen, omdat deze eerste bedreiging van de verdachte een logische opmaat vormt voor hetgeen later die dag is gevolgd. [betrokkene 1] , maar ook [betrokkene 5] en [getuige 2] hebben weliswaar niet over deze bedreiging verklaard, maar zij zijn door de politie hier ook niet naar gevraagd. Dat uit een opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek van 23 november 2020 volgt dat de vriendin van de verdachte, [getuige 1] , die dag is benaderd door een medegedetineerde van de verdachte om bij de politie te zeggen dat de verdachte die desbetreffende middag werd bedreigd, doet het Hof niet eraan twijfelen dat deze bedreiging daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zo heeft [getuige 1] op 26 november zeer gedetailleerd verklaard over dit voorval. Over het moment waarop zij hoorde over de bedreiging in de middag heeft zij weliswaar wisselend verklaard – zo heeft zij eerst verklaard dat de verdachte bij terugkomst in de auto direct tegen haar zei dat hij was bedreigd, terwijl zij daar later in haar verklaring op terug is gekomen en heeft verklaard dat zij dat pas enige tijd later van hem heeft gehoord – , maar dit laat onverlet dat zij heeft verklaard dat zij van de verdachte heeft gehoord dat hij die middag is bedreigd. Ook heeft zij verklaard dat de verdachte bij terugkomst in de auto kwaad en boos was en op hoge snelheid achteruit reed. Voorts heeft zij over het verdere verloop ná deze bedreiging gedetailleerd verklaard, welk door haar geschetst verdere verloop niet behoorde tot de aan haar telefonisch gegeven instructies en bovendien verankering vindt in de verklaring van de andere verdachte [betrokkene 6] en de verdachte zelf.
Dat verdere verloop wordt gekenschetst doordat [getuige 1] vervolgens met de verdachte naar [betrokkene 6] is gereden om [betrokkene 6] op te halen. [betrokkene 6] heeft daarover verklaard dat de verdachte bij hem thuis kwam en dat de verdachte hem had verteld dat [betrokkene 1] hem met een vuurwapen had bedreigd. De verdachte was boos en [betrokkene 6] kon zien dat de verdachte iets wilde gaan doen. De verdachte had gezegd om [betrokkene 1] te gaan opzoeken. Omdat de verdachte zijn vriend was, heeft hij zijn vuurwapen gepakt, is in de auto gestapt en op instructie van en samen met de verdachte naar de toko gereden waar de bedreiging had plaatsgevonden. De verdachte had hem niet gezegd het vuurwapen te pakken maar omdat de verdachte wist dat [betrokkene 6] in het bezit was van een vuurwapen, was de verdachte naar hem toe gekomen en had de verdachte hem gezegd om met hem naar de jongens te gaan, aldus [betrokkene 6] .
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verklaring van [betrokkene 6] op dit punt onbetrouwbaar is. Zij heeft erop gewezen dat hij ter terechtzitting van het Gerecht op 3 maart 2021 heeft verklaard dat [verdachte] niets weet over zijn wapengebruik en dat [verdachte] niet weet dat hij een vuurwapen draagt. Vervolgens heeft er volgens de raadsvrouw een akkefietje plaatsgevonden in de gevangenis tussen [betrokkene 6] en [verdachte] waardoor [betrokkene 6] op 13 maart 2021 belastend jegens
[verdachte] is gaan verklaren.
Het Hof volgt dit betoog niet. Het Hof constateert dat reeds op 21 januari 2021 – dus vóór het beweerdelijke akkefietje – [betrokkene 6] heeft verklaard dat hij altijd gewapend is, dat hij zichzelf 7x24 uur bewapent, dat [verdachte] hem thuis kwam ophalen omdat [betrokkene 1] [verdachte] met een vuurwapen had bedreigd en dat hij op instructie van [verdachte] naar de toko is gegaan. Ook deze verklaring van [betrokkene 6] is reeds belastend voor [verdachte] . De verklaring die [betrokkene 6] vervolgens heeft gegeven op 13 maart 2021 sluit aan op de reeds door hem gegeven verklaring op 21 januari 2021. De verklaringen van [betrokkene 6] bij de politie afgelegd op 14 november 2020, 21 januari 2021 en 13 maart 2021 zijn in lijn met elkaar en uit die verklaringen rijst het beeld van een verdachte die op vragen van de politie steeds meer uitleg verschaft over wat is gebeurd in het tijdsbestek voorafgaand aan de schietpartij. Het Hof acht de verklaring van [betrokkene 6] van 13 maart 2021 op het punt van de wetenschap van [verdachte] dat [betrokkene 6] gewapend was dan ook betrouwbaar.
Dat [betrokkene 6] in de tussentijd ten overstaan van een rechter daarover anders heeft verklaard doet daaraan niet af. Te meer niet omdat bij lezing van het proces-verbaal het erop lijkt dat [betrokkene 6] ter terechtzitting van het Gerecht op 3 maart 2021 die verklaring heeft afgelegd in navolging van de verdachte, die even daarvoor verklaarde niets te weten van het wapen van [betrokkene 6] .
II De bedreiging aan [betrokkene 1] door [betrokkene 6] en de verdachte
Over wat er gebeurd is nadat [betrokkene 6] en de verdachte richting de toko zijn gereden om naar [betrokkene 1] c.s. te gaan, lopen de verklaringen van het ‘kamp verdachten’ en het ‘kamp slachtoffers’ uiteen. De verdachte en [betrokkene 6] hebben verklaard dat zij bij aankomst daar vrijwel direct werden beschoten waarna [betrokkene 6] heeft teruggeschoten. [betrokkene 5] , [betrokkene 1] en [getuige 2] hebben
verklaard dat toen de verdachte en [betrokkene 6] bij de toko kwamen, rond 16.30-18.00 uur, (eerst) een bedreiging heeft plaatsgevonden aan ‘het kamp’ slachtoffers. Bij die bedreiging was [slachtoffer] niet aanwezig.
Het Hof gaat ervan uit dat deze bedreiging door de verdachte en de andere verdachte [betrokkene 6] daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zowel [betrokkene 1] , [betrokkene 5] als [getuige 2] hebben hier gedetailleerd en in grote lijnen gelijkluidend over verklaard. Bovendien staat vast dat de schietpartij pas heeft plaatsgevonden rond een uur of 18.30/19.00 uur zodat het in de tijd goed past dat deze bedreiging nog heeft plaatsgevonden vóór de schietpartij. In dit tijdspad past in ieder geval niet dat
[betrokkene 6] en de verdachte direct zijn beschoten nadat zij rond een uur of 16.15 – volgens de verklaring van [getuige 1] – richting de toko zijn gereden. Dat de verdachte en [betrokkene 6] hebben ontkend dat deze bedreiging heeft plaatsgevonden, kan goed worden verklaard doordat dit bijzonder belastend voor hen is.
Het Hof volgt de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] inhoudende dat zowel [betrokkene 6] als de verdachte uit de auto stapten en richting [betrokkene 1] liepen, dat zij beiden [betrokkene 1] aanspraken en hem daarbij met de dood hebben bedreigd. [betrokkene 5] heeft verder verklaard dat [betrokkene 6] vervolgens zei dat de enige reden dat [betrokkene 1] op dat moment gered werd, het feit was dat [betrokkene 5] aanwezig was. [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte en [betrokkene 6] daarbij ook [slachtoffer] (via [betrokkene 1] ) met de dood hebben bedreigd. Het Hof acht dit aannemelijk, gelet op het oorspronkelijke dispuut dat tussen [betrokkene 6] en [slachtoffer] bestond, terwijl [betrokkene 1] bovendien direct met de verdachten heeft gesproken en de bedreigingen rechtstreeks aan hem waren geuit, zodat op dat punt aan zijn verklaring de grootste waarde kan worden gehecht.
De verdediging heeft nog betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat, behalve [betrokkene 6] , ook de verdachte uit de auto is gestapt en dat hij fysiek aanwezig was toen de doodsbedreigingen werden geuit. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, volgt het Hof dat betoog niet en acht het de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] dat de verdachte bij die bedreigingen aanwezig was, betrouwbaar. Dat [betrokkene 1] pas in zijn derde verklaring bij de politie heeft verklaard over de aanwezigheid van de verdachte bij die bedreigingen, doet aan zijn betrouwbaarheid niet af. Het Hof constateert dat zijn eerdere verhoren bij de politie, in de dagen na het schietincident, duidelijk waren gericht op (de persoon van) de schutter, en dat [betrokkene 1] pas over de verdachte is gaan verklaren nadat hem tijdens zijn derde verhoor door de politie werd medegedeeld dat uit het onderzoek was gebleken dat de schutter, [betrokkene 6] , niet alleen in de auto was gekomen. Dat de vriendin van [betrokkene 5] , [getuige 2] , heeft verklaard dat zij niet weet of de verdachte ook [betrokkene 1] had bedreigd of dat hij ook uit de auto was gestapt, maakt niet dat het hof twijfelt aan de verklaringen op dat punt van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] .
III Het schietincident
Zowel [betrokkene 1] , [betrokkene 5] als [getuige 2] hebben verklaard dat nadat de doodsbedreigingen hadden plaatsgevonden, de verdachte en [betrokkene 6] zijn weggereden. Uit de verklaringen van [betrokkene 5] en [getuige 2] volgt dat [betrokkene 1] vervolgens [slachtoffer] heeft gebeld om te vertellen over de doodsbedreigingen en dat [slachtoffer] en zijn vriendin kort daarna bij de toko kwamen aanrijden.
Niet ter discussie staat dat de verdachte en [betrokkene 6] op een gegeven moment (terug) zijn gereden naar de toko, dat [betrokkene 6] en de verdachte hun auto parkeerden naast de auto van [betrokkene 5] en dat [betrokkene 6] en [betrokkene 5] daar kort een paar woorden met elkaar hebben gewisseld.
[betrokkene 6] en de verdachte hebben verklaard dat zij vervolgens zagen dat [slachtoffer] vanuit een andere auto aan de andere kant van de weg op hen begon te schieten en dat [betrokkene 6] vervolgens heeft teruggeschoten waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden.
Uit de verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 5] , [getuige 2] en de vriendin van [slachtoffer] , [betrokkene 2] , volgt dat [slachtoffer] ongewapend uit zijn auto stapte, die aan de andere kant van de weg geparkeerd stond, en dat [betrokkene 6] vervolgens direct gericht het vuur opende op [slachtoffer] . [slachtoffer] stapte vervolgens weer in de auto, waarin ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zaten. [betrokkene 6] bleef schieten op de auto waarbij de achterruit kapot is gegaan en de kofferbak en achterbumper door kogels zijn geperforeerd. [slachtoffer] is dodelijk getroffen doordat hij van achteren door een kogel is geraakt (in zijn onderrug), hoogstwaarschijnlijk toen hij op de passagiersstoel zat. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zaten weliswaar in de auto die doorzeefd werd, maar zijn niet geraakt.
Het Hof gaat voorbij aan de door de verdachte en [betrokkene 6] gestelde feitelijke toedracht dat zij eerst (door [slachtoffer] en [betrokkene 1] ) zijn beschoten. Daartoe stelt het Hof voorop dat de verklaring van de verdachte en [betrokkene 6] dat zij eerst zijn beschoten uitsluitend een bron vindt in hun eigen verklaringen en geen steun vindt in objectieve bewijsmiddelen. Het Hof acht deze verklaringen ongeloofwaardig en in ieder geval niet aannemelijk geworden. Daarbij betrekt het Hof dat de verdachte en [betrokkene 6] over dit schieten op hen in eerste instantie in het geheel niet gelijkluidend hebben verklaard. De verdachte heeft hier bovendien sterk wisselend over verklaard. Zo heeft [betrokkene 6] op 14 november 2021 verklaard dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] buiten de auto stonden en op hen schoten, maar heeft de verdachte in eerste instantie verklaard dat hij niet wist wie op hen had geschoten, omdat hij niets heeft kunnen zien, hetgeen is veranderd naar ‘men begon op ons te schieten aan de andere kant van de weg’ en ‘aan de passagierskant stond een jongen te schieten’ in zijn verklaring van 23 november 2020. Pas in het daarop volgende verhoor op 12 januari 2021 heeft de verdachte verklaard dat hij zag dat ‘zowel [slachtoffer] als [betrokkene 1] ’, die hij bij de auto zag staan, een wapen hadden en op hen begonnen te schieten. Ook blijkt dat [betrokkene 6] en de verdachte leugenachtig hebben verklaard dat de auto waarin zij zaten drie kogelperforaties had opgelopen door de beschietingen in hun richting. Uit de verklaring van garagehouder [C] blijkt dat hij geen enkele kogelperforatie heeft gezien nadat de auto bij hem ter reparatie was aangeboden en ook uit forensisch onderzoek blijkt niet van drie kogelperforaties. Wel wordt één kogelperforatie waargenomen doordat een kogel door de koplamp aan de voorkant van de auto is gegaan, maar deze kogel moet, gelet op de loodrechte baan die hij heeft afgelegd, zijn afgevuurd door iemand vanuit een zittende of lage positie. Dat spoort niet met het gegeven dat [slachtoffer] (en [betrokkene 1] ) volgens [betrokkene 6] buiten hun auto stonden en schoten op hen afvuurden. Het Hof houdt het er dan ook voor dat de verdachte en/of [betrokkene 6] later zelf deze koplamp hebben beschoten met een kogel teneinde hun versie van de gebeurtenissen te onderbouwen. Die laatste
veronderstelling wordt ook gestaafd doordat is gebleken dat op instructie van de verdachte de moeder van de verdachte op 22 november 2020 door een medegedetineerde is gebeld met het verzoek om te verklaren dat de auto “drie stukken” had, waarmee – gezien de verklaring die de verdachte twee dagen daarvoor bij de politie had afgelegd over drie kogelperforaties in de auto – niets anders kan zijn bedoeld dan deze drie kogelperforaties. Daar komt bij dat uit een opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek van 3 december 2020 volgt dat de moeder van de verdachte in dat gesprek tegen haar vriend zegt dat er geen kogelgat was maar alleen een kras.
Al met al acht het Hof de verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] hen eerst hebben beschoten ongeloofwaardig en zal om die reden voorbij gaan aan de door hen gestelde feitelijke toedracht.
Feitelijke toedracht en juridische conclusies
Het Hof stelt op grond van het bovenstaande alsmede de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feitelijke toedracht vast:
- De verdachte wordt bij de Tuki snack in de middag van 16 september 2020 met een vuurwapen bedreigd door [betrokkene 1] ;
- De verdachte is boos en rijdt samen met zijn vriendin naar het huis van [betrokkene 6] ;
- De verdachte vertelt aan [betrokkene 6] dat hij is bedreigd met een vuurwapen en vraagt [betrokkene 6] , van wie hij weet dat hij een wapen heeft, om met hem op zoek te gaan naar [betrokkene 1] ;
- De verdachte en [betrokkene 6] rijden gezamenlijk naar Toko Win en bedreigen daar gezamenlijk [betrokkene 1] en (indirect) [slachtoffer] met de dood;
- De verdachte en [betrokkene 6] rijden hierna gezamenlijk weg van de toko;
- De verdachte en [betrokkene 6] komen na enige tijd gezamenlijk teruggereden naar de toko en parkeren hun auto naast de auto van [betrokkene 5] , waarbij [betrokkene 6] enkele woorden wisselt met [betrokkene 5] ;
- Op het moment dat [slachtoffer] aan de andere kant van de weg uit een andere auto stapt, begint [betrokkene 6] direct op [slachtoffer] te schieten;
- [slachtoffer] gaat weer terug in de auto zitten;
- [betrokkene 6] vuurt minstens zes kogels af op de auto en doorzeeft de auto waarin naast [slachtoffer] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zitten met die kogels;
- [slachtoffer] wordt dodelijk geraakt door een kogel in zijn onderrug, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] blijven ongedeerd;
- De verdachte en [betrokkene 6] rijden gezamenlijk weg;
- Nadat de verdachte en [betrokkene 6] zijn aangehouden, leggen zij leugenachtige verklaringen af, in het bijzonder dat (eerst) op hen zou zijn geschoten en dat hun auto drie kogel perforaties zou hebben.
Medeplegen
Op basis van deze feitelijke toedracht stelt het Hof vast dat de daarin beschreven gedragingen van de verdachte en de andere verdachte [betrokkene 6] , afzonderlijk dan wel in zijn geheel bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden geduid dan te zijn gericht op het doden van [betrokkene 1] en/of [slachtoffer] . Uit deze gedragingen, de opeenvolging ervan en het tijdsverloop daartussen concludeert het Hof dat de verdachte en [betrokkene 6] op enig moment het besluit hebben genomen om [betrokkene 1] en/of [slachtoffer] te doden. In het uiterste geval is dit besluit genomen nadat de verdachte en [betrokkene 6] gezamenlijk van de toko zijn weggereden waar zij [betrokkene 1] en (indirect) [slachtoffer] gezamenlijk met de dood hebben bedreigd. Dit wordt bevestigd doordat de verdachte en [betrokkene 6] vervolgens samen weer zijn teruggereden naar deze toko, alwaar [betrokkene 6] vervolgens bij het zien van [slachtoffer] direct en zonder te aarzelen gericht is gaan schieten op [slachtoffer] . Deze gedragingen laten zien dat dit alles in nauwe en bewuste samenwerking is geschied, inhoudende dat de verdachte opzet had op de samenwerking met [betrokkene 6] en opzet op het gaan schieten op [betrokkene 1] en/of op [slachtoffer] indien en zodra die gelegenheid zich zou voordoen. Dat de verdachte niet degene is die geschoten heeft, kan er niet aan afdoen dat het Hof uit de vastgestelde feitelijke toedracht afleidt dat de verdachte en [betrokkene 6] in het uiterste geval na het uiten van de doodsbedreigingen gezamenlijk hebben besloten [betrokkene 1] en [slachtoffer] dood te schieten.
Het Hof acht de in dit verband door de verdachte gegeven (alternatieve) verklaring dat hij niet wist dat [betrokkene 6] zou gaan schieten, ongeloofwaardig en gaat daaraan voorbij. In de eerste plaats wordt zijn verklaring weersproken door de hierboven uiteengezette feitelijke toedracht, waaruit blijkt dat de verdachte en [betrokkene 6] in alles gezamenlijk zijn opgetreden, van de doodsbedreigingen bij de toko, het wegrijden daarvan, het terugkeren naar de toko, tot aan het wegrijden na het schietincident aan toe. Daarbij betrekt het Hof de verklaring van [betrokkene 6] , waaruit volgt dat de verdachte in boze toestand naar [betrokkene 6] was toegekomen omdat hij die middag met een vuurwapen was bedreigd door [betrokkene 1] , dat de verdachte wist dat [betrokkene 6] gewapend was, en dat de verdachte vervolgens [betrokkene 6] heeft aangespoord om gezamenlijk de confrontatie met deze personen aan te gaan, hetgeen eerst tot de doodsbedreigingen en vervolgens tot het uitvoeren van die doodsbedreigingen heeft geleid. Ten slotte acht het Hof deze alternatieve verklaring van de verdachte in lijn met de houding van de verdachte na zijn aanhouding, te weten dat hij in alles heeft geprobeerd om [betrokkene 6] en zichzelf vrij te pleiten. Zo heeft de verdachte in strijd met de waarheid verklaard dat eerst op hen is geschoten, hebben hij en [betrokkene 6] beiden gelogen over de kogelperforaties die dit schieten in de auto van de (moeder van de) verdachte zou hebben veroorzaakt en heeft de verdachte geprobeerd via medegedetineerden om zowel zijn vriendin als zijn moeder instructies te geven over wat zij moesten verklaren. Uit deze omstandigheden blijkt dus dat de verdachte de werkelijke gang van zaken zowel ten faveure van hemzelf als van [betrokkene 6] wilde bedekken.
Opzet
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte (vol) opzet had op de dood van [slachtoffer] . Vast staat immers dat [betrokkene 6] in nauwe en bewuste samenwerking met de verdachte meerdere malen gericht op [slachtoffer] heeft geschoten, waarbij [slachtoffer] het leven heeft gelaten. Door minstens zes keer te schieten op de auto van die [slachtoffer] , waarbij deze auto is doorzeefd met kogels, heeft die nauwe en bewuste samenwerking van de verdachten voorts meegebracht dat zij daarbij ook (minst genomen voorwaardelijk) opzet hebben gehad op de dood van de andere inzittenden van die auto, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Het is een feit van algemene bekendheid dat ook andere personen aanwezig kunnen zijn in een auto, zeker in de nabijheid van een eetgelegenheid rond etenstijd. Het (in nauwe en bewuste samenwerking) meerdere malen met een vuurwapen op de auto schieten waarin [slachtoffer] (terug) was gaan zitten, leidt tot een aanmerkelijke kans op de dood van alle aanwezigen in de auto, welke aanmerkelijke kans de verdachte bewust heeft aanvaard. Daarmee is (minst genomen) voorwaardelijk opzet op de dood van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bewezen.
Voorbedachten rade
Uit de genoemde feiten en omstandigheden volgt dat sprake is geweest van voorbedachten rade. Het moment dat de verdachte en [betrokkene 6] hebben besloten te gaan schieten op [betrokkene 1] en/of [slachtoffer] moet laatst genomen ergens gelegen zijn in de periode dat zij zijn weggereden nadat zij de doodsbedreigingen hebben geuit en terug zijn gekeerd om die bedreigingen ten uitvoer te leggen; de daad bij het woord voegen, zoals de procureur-generaal het in zijn requisitoir heeft genoemd. De verdachte noch [betrokkene 6] heeft enig inzicht gegeven in hun gedachtegang gedurende dit tijdsbestek. Het Hof stelt – bij gebreke van enig door de verdachte en [betrokkene 6] hierover gegeven inzicht – op basis van de gebleken feitelijke toedracht vast dat in die periode, die niet vastomlijnd valt weer te geven maar zeker enige tijd in beslag heeft genomen, de verdachte en [betrokkene 6] voldoende tijd hebben gehad voor beraad en dus om na te denken over hun voorgenomen daad, om zich daarvan rekenschap te geven en welbewust de consequenties daarvan te aanvaarden, waaronder ook valt de aanmerkelijke kans dat hun gedragingen de dood van meerdere mensen zouden kunnen veroorzaken. Deze laatstbedoelde wellicht niet (primair) beoogde gevolgen, of anders gezegd ‘collateral damage’, zijn aldus ook met voorbedachten rade teweeggebracht.
Het Hof heeft nog na te gaan of er contra-indicaties aanwezig zijn die pleiten tegen het aannemen van voorbedachten rade. Ook hier springen in het oog de verklaringen van de verdachte en [betrokkene 6] zelf dat [betrokkene 6] is gaan schieten op [slachtoffer] omdat hij zelf werd beschoten. Daarmee hebben de verdachten zelf een contra-indicatie aangedragen voor het aannemen van voorbedachten rade. Zoals hiervoor uiteengezet volgt het Hof deze door de verdachte en [betrokkene 6] gestelde feitelijke toedracht niet, zodat dit geen contra-indicatie vormt voor voorbedachten rade.
Het Hof zal overigens nog ambtshalve dienen na te gaan of er contra-indicaties in het dossier aanwezig zijn. Daarbij merkt het Hof op dat daar waar de verdachte een expliciet en specifiek beroep heeft gedaan op een contra-indicatie en hieraan door het Hof voorbij wordt gegaan, overige contra-indicaties pregnant in het dossier aanwezig dienen te zijn om daaraan voldoende gewicht toe te kennen. Het Hof acht contra-indicaties voor voorbedachten rade, laat staan laatstbedoelde contra-indicaties, niet aanwezig. Dat [slachtoffer] niet lijfelijk aanwezig was toen hij (indirect) met de dood bedreigd werd door de verdachte en [betrokkene 6] , en de verdachte en [betrokkene 6] dus wellicht niet verwacht hadden dat hij aanwezig zou zijn toen zij terugkeerden bij de toko kan aan hun voorgenomen besluit om ook hem te doden – en dus aan de voorbedachten rade – niet afdoen. Aan het feit dat de verdachte en [betrokkene 6] na de doodsbedreigingen aan [betrokkene 1] en [slachtoffer]
gewapend terugkeerden naar de toko en bij het zien van [slachtoffer] direct en zonder aarzelen het vuur op hem werd geopend, kan de conclusie worden verbonden dat de verdachte en [betrokkene 6] reeds in een eerder stadium het besluit hadden genomen om terug te gaan naar de toko en daar te schieten op [betrokkene 1] en/of op [slachtoffer] indien en zodra die gelegenheid zich voor zou doen. Voorts vormt de omstandigheid dat [betrokkene 6] op het moment dat de verdachte en hij terugkeerden naar de toko, met [betrokkene 5] sprak en tegen hem zei dat hij met de mannen wilde praten, geen contra-indicatie voor voorbedachten rade. Gelet op het feit dat [betrokkene 6] , terwijl hij nog met [betrokkene 5] in gesprek was, bij het eerste zien van [slachtoffer] direct op hem begon te schieten, concludeert het Hof dat de verdachten niet waren gekomen om te praten, maar om hun eerder genomen besluit om [betrokkene 1] en [slachtoffer] te doden, ten uitvoer te leggen.
De conclusie van al het voorgaande luidt aldus dat het Hof bewezen acht dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 6] zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] en een poging tot moord op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
Uit het voorgaande volgt tevens dat ten aanzien van feit 3 sprake is van medeplegen. Het Hof is derhalve van oordeel de verdachte en [betrokkene 6] op 16 september 2020 tezamen en in vereniging een vuurwapen en munitie voorhanden hebben gehad, zodat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.”
IV. Het verweer van de verdediging
7. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2022 heeft zich, blijkens het proces-verbaal van die zitting, onder meer het volgende voorgedaan:
“De verdachte verklaart desgevraagd als volgt:
Op 16 september 2020 zat ik in bij mijn vriendin [getuige 1] in de auto. Ik had haar opgehaald van school en wij zijn naar een snack gereden. Het was toen ongeveer 16.00 uur. Aldaar werd ik bedreigd door vier personen die ik niet kende. Zij zeiden tegen mij dat als ik met [betrokkene 4] bleef rondhangen, mijn dag ook nog wel zou komen. Eén van hen liet mij ook een vuurwapen zien. Ik weet nu achteraf dat dat [betrokkene 1] was. Toen wist ik dat nog niet. Omdat ik met [betrokkene 6] , ik noem hem ook [betrokkene 4] , een afspraak had ben ik daarna met mijn vriendin naar hem toegereden. Ik vertelde aan mijn vriendin dat ik bij de snack was bedreigd. Dat had zij ook gezien. U, voorzitter, houdt mij voor dat dat niet uit haar verklaringen volgt. Mijn reactie daarop is dat zij het moet hebben gezien.
Toen wij bij het huis van [betrokkene 4] aankwamen, stapte hij achterin de auto. Wij hebben mijn vriendin afgezet. [betrokkene 4] nam toen plaats achter het stuur. Ik vertelde hem dat ik kort daarvoor was bedreigd door mensen die ik niet kende en dat zijn naam daarbij werd genoemd. [betrokkene 4] wist ook niet wie die personen waren en stelde voor om daar te gaan kijken. Ik heb toen niet gezien dat [betrokkene 4] een vuurwapen bij zich had. Ik heb nooit gezien dat [betrokkene 4] een vuurwapen bij zich had. Wij zijn toen naar die snack gereden en [betrokkene 4] is daar met iemand gaan praten. Het was toen ongeveer 18.30 uur.
U, voorzitter, houdt mij voor dat er ruim 2 uren zitten tussen de bedreiging en het moment dat ik met [betrokkene 4] terugkeerde bij de snack en vraagt mij of tussendoor nog iets anders is gebeurd. Ik antwoord daarop dat dat niet zo is. Wij zijn weggegaan bij het huis van [betrokkene 4] , wij hebben daarna mijn vriendin afgezet en wij zijn naar Brievengat gereden. Ik weet de precieze tijden ook niet meer.
[betrokkene 4] sprak bij de snack met iemand terwijl hij nog in de auto, achter het stuur, zat. Ik hoorde hem vragen wat er aan de hand was. De persoon met wie hij sprak zat ook in een auto. Ik weet niet wie dat was, maar het was niet iemand die mij eerder die dag had bedreigd. Toen [betrokkene 4] met die persoon sprak, hoorde ik schoten vanaf de kant waar ik zat. Ik schrok. Ik zag bij de snack twee personen buiten een auto staan en één persoon zat achter het stuur. Zij begonnen opeens te schieten.
Het leek alsof [betrokkene 4] een vuurwapen pakte en terug begon te schieten. De auto waarop [betrokkene 4] had geschoten is toen weggereden en wij zijn ook hard weggereden. Omdat ik tijdens het schieten schrok heb ik mijn handen om mijn hoofd geslagen en keek ik naar beneden. Toen ik weer opkeek, zag ik hen wegrijden. Wij zijn niet achter hen aangegaan, maar zijn omgedraaid en weggereden.
Inmiddels weet ik dat de personen die buiten de auto stonden [betrokkene 1] en [slachtoffer] waren en dat zij mij die middag bij de snack hadden bedreigd.
U, voorzitter, houdt mij voor dat getuigen hebben verklaard dat [betrokkene 4] en ik rond 16.30 uur mensen hebben bedreigd. Mijn reactie daarop is dat dat niet juist is. Waarom zou ik dat doen? Ik kende die mensen niet eens. Ik ben juist degene die is bedreigd.
U, voorzitter, houdt mij tevens voor dat uit mijn verklaringen volgt dat [betrokkene 4] en ik naar de personen op zoek waren die mij hadden bedreigd terwijl ik wist dat zij in het bezit waren van een vuurwapen. Mijn reactie daarop is dat ik dacht dat [betrokkene 4] langs die personen zou gaan rijden om te kijken wie zij waren, maar ik wist niet dat hij daar stil zou gaan staan en met iemand zou gaan praten. Toen werd er opeens geschoten.
U, jongste rechter, houdt mij voor dat ik ter terechtzitting in eerste aanleg heb verklaard dat ik tegen [betrokkene 4] heb gezegd ‘kom, laten we gaan kijken’ en dat dat aansluit op de verklaring van [betrokkene 6] . Nee, dat heb ik niet gezegd. Als [betrokkene 6] en mijn vriendin hebben verklaard dat ik boos was is dat niet juist. Ik was niet boos, maar bang.
Ik wist wel dat [betrokkene 4] eerder voor vuurwapenbezit is aangehouden en dat hij net uit de gevangenis kwam, maar ik wist niet dat hij die dag een vuurwapen bij zich had.
U, voorzitter, vraagt mij waarom ik niet naar de politie ben gegaan en heb verteld over de bedreiging en het plotseling schieten door anderen. U vraagt mij tevens waarom ik wisselende verklaringen heb afgelegd. Mijn antwoord daarop is dat ik heel erg bang was. Ik was bang dat ik zou worden doodgeschoten als ik zou zeggen wat er was gebeurd. Toen ik werd aangehouden heb ik maar wat verklaard. Ik dacht dat ze me dan wel naar huis zouden laten gaan.
Ik heb ten aanzien van de (kogelperforaties in de) auto van mijn moeder inderdaad wisselend verklaard. Dat kwam omdat ik was geschrokken. Ik ben daar de mist in gegaan.
U, voorzitter, houdt mij het tapgesprek van 22 november 2020 voor. Mijn moeder is toen door iemand vanuit het cellencomplex in Barber gebeld en diegene heeft tegen mijn moeder gezegd dat hij namens haar kind belde. U houdt mij voor dat uit dat tapgesprek kan worden afgeleid dat degene die mijn moeder belt haar instructies geeft over wat zij moest zeggen over de kogelperforaties in haar auto. Mijn reactie daarop is dat ik daar niets vanaf weet. Ik heb niemand gevraagd om haar te bellen.
U, voorzitter, houdt mij het tapgesprek tussen mijn vriendin en iemand vanuit het cellencomplex van 23 november 2020 voor. In dat gesprek is tegen mijn vriendin gezegd dat zij moest zeggen dat ik werd bedreigd bij de Chinees. Daar weet ik ook niets van.
Pas tijdens de zitting in eerste aanleg hoorde ik dat [betrokkene 4] eind augustus 2020 het slachtoffer [slachtoffer] zou hebben mishandeld bij een pompstation.
Op een vraag van de procureur-generaal antwoord ik dat ik geen hoger beroep tegen het vonnis van het Gerecht heb ingesteld, omdat ik heb gehoord dat het mogelijk is dat het Hof bij een bewezenverklaring een hogere straf oplegt dan het Gerecht. Ik ben onschuldig, dus ik accepteer het vonnis van het Gerecht niet.
Ik dacht dat [betrokkene 4] een vriend van mij was, maar het is niet goed wat er is gebeurd.
Op een vraag van mijn raadsvrouw antwoord ik dat [betrokkene 6] na het incident niets tegen mij heeft gezegd, maar ik voelde wel druk van zijn kant. Ik was bang voor hem. Ik heb erg gepiekerd over wat ik ter terechtzitting zou verklaren. Ik denk dat [betrokkene 6] wilde dat ik ook betrokken zou zijn bij deze zaak. In de gevangenis hebben wij een probleem met elkaar gehad. Dat ging over het lenen van een adapter. Hij was boos op mij en daarna heeft hij belastende dingen over mij verklaard, bijvoorbeeld dat ik wist dat hij een wapen bij zich had. Dat is niet de waarheid.
[…]
De raadsvrouw pleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het Hof overgelegde pleitnota, die in het dossier is gevoegd en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. In aanvulling daarop deelt zij mede:
Uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat al voor de bedreiging van mijn cliënt bij de snack het plan was om [betrokkene 4] op te halen. Ik verwijs naar het proces-verbaal van haar verhoor van 26 november 2020, p, 5 (dossierpagina 107). Ook volgt uit haar verklaring dat [betrokkene 4] achterin de auto plaatsnam en dat toen niet gesproken is over de bedreiging.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting.
Na hervatting van het onderzoek hervat de raadsvrouw haar pleidooi vanaf paragraaf 10 van haar pleitnota. In aanvulling daarop deelt zij mede:
Uit de verklaring van [betrokkene 1] van 17 september 2020 volgt dat [betrokkene 4] iets tegen hem zei, namelijk dat hij tegen [slachtoffer] moest zeggen dat hij hem kapot zou maken (p. 20 dossier). [betrokkene 4] heeft niets over mijn cliënt tegen [betrokkene 1] gezegd.
De getuige [getuige 2] heeft ook niet verklaard over een tweede man, zie p. 65 van het dossier.
[…]
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart daarop als volgt:
Ik heb altijd geprobeerd het goede te doen. Dit heb ik nooit gewild. Als het een vooropgezet plan was geweest, dan zou ik nooit met de auto van mijn moeder zijn gegaan. Ik wil graag terug naar school en wil graag mijn dingen weer doen.”
8. De door de raadsvrouw aan het Hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:2.
“[…]
8. De verandering van de verdenkingen jegens cliënt van alleen medeplichtigheid naar medeplegen en uitlokking heeft alles te maken met ook de verandering van de verklaring van medeverdachte [betrokkene 6] . Daar waar [betrokkene 6] altijd heeft gezegd dat cliënt niet wist dat hij een vuurwapen bij zich droeg of wat hij van plan was, heeft [betrokkene 6] in een laatste verhoor nadat er tussen [betrokkene 6] en cliënt in het SDKK onenigheid was ontstaan over een charger van een telefoon, verklaard dat cliënt wist dat [betrokkene 6] een vuurwapen bij zich had en dat hij op aanwijzing van cliënt naar Toko Win zou zijn gegaan.
9. De verdediging zal echter aantonen dat de laatste verklaring van [betrokkene 6] niet juist is.
10. Cliënt heeft van het begin af aan aangegeven dat hij onschuldig is, dat hij niet wist dat zijn vriend [betrokkene 6] een vuurwapen bij zich had danwel dat hij niet wist dat [betrokkene 6] enige intentie had om iemand te beschieten. Vast staat dat cliënt zelf niet heeft geschoten. Vaststaat tevens dat cliënt niet de bestuurder was op 16 september 2020.
[…]
26. Op geen enkele manier heeft hier in deze zaak dus iets plaatsgevonden waarbij cliënt een probleem had en waarbij cliënt [betrokkene 6] zou hebben verzocht zijn problemen op te lossen. Het probleem was van [betrokkene 4] , en blijkbaar was de bedreiging die werd geuit tegen cliënt maar bedoeld was voor [betrokkene 4] , de trigger voor [betrokkene 6] om op dat moment stappen te ondernemen en een einde te maken aan het probleem. Cliënt had geen weet van de problemen die [betrokkene 6] had, laat staan de ernst daarvan. Op geen enkele manier is er sprake van – zoals door het Openbaar Ministerie wordt gesuggereerd – dat cliënt overstuur was en [betrokkene 1] (die hij niet eens kende) wilde opzoeken en dat [betrokkene 6] op aanwijzing van cliënt zijn shirt, pet en vuurwapen zou zijn gaan pakken. Dit blijkt op geen enkele manier uit het dossier, juist het tegendeel. Voor cliënt was dit echter een totaal maar dan ook totaal onverwacht gebeuren. Nooit had cliënt zich kunnen indenken dat het gaan naar de Tuki snack en dat hij daar namens [betrokkene 6] zou worden bedreigd, uiteindelijk zou uitlopen op een schietpartij waarbij iemand zou worden doodgeschoten.
27. Hiermee valt de laatste verklaring van [betrokkene 6] afgelegd bij de politie, waarbij hij cliënt als het ware de schuld geeft van de schietpartij door de mand. Op een geniepige manier wordt thans op het allerlaatste moment getracht te doen alsof cliënt de aanleiding en zelfs de uitlokker en opdrachtgever danwel medepleger is van deze schietpartij. Gelukkig spreekt het dossier voor zich en is hier absoluut geen sprake van. De verklaring van [betrokkene 6] dat cliënt wist dat hij in het bezit was van een vuurwapen omdat hij altijd bewapend zou zijn, wordt door niets en niemand bevestigd of onderbouwd en wordt door cliënt tegengesproken. In deze verklaring van [betrokkene 6] schuilt voorts een aanname, zo van, ja hij wist dat ik altijd een vuurwapen droeg dus dan zou hij dit ook deze keer moeten weten. De feiten uit het dossier, zoals de verklaring van de vriendin van [verdachte] , duiden echter op een geheel andere realiteit voor cliënt. Dat hij het niet wist en sterker nog, niet had kunnen weten, dat cliënt niet op de hoogte was van de problemen van [betrokkene 6] en dus ook nimmer had kunnen weten dat [betrokkene 6] een voornemen had om iemand te gaan beschieten.
28. Ik wil Uw Hof hierbij ook nog de verklaring van [betrokkene 6] ter terechtzitting d.d. 3 maart 2021 in herinnering brengen, de verklaring van [betrokkene 6] voor de ruzie over de charger. [betrokkene 6] zegt dan ter terechtzitting: “ [verdachte] is een vriend van me, hij weet niets over mijn wapengebruik, en hij weet niet dat ik een vuurwapen draag.”
V. De bespreking van het middel3.
Het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 3)
9. Het middel keert zich allereerst met verschillende deelklachten tegen het bewezenverklaarde medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen.
10. Het oordeel van het Hof dat de verdachte het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie heeft medegepleegd ligt besloten in zijn overwegingen omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij de moord op [slachtoffer] en de poging tot moord op respectievelijk [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Daaraan heeft het Hof verschillende vaststellingen ten grondslag gelegd, waarvan – voor de beoordeling van deze deelklacht – in ieder geval de volgende van belang zijn. De verdachte wordt in de middag van 16 september 2020 met een vuurwapen bedreigd door [betrokkene 1] . Hij vertrekt daarop boos naar de medeverdachte [betrokkene 6] , van wie hij weet dat hij een wapen heeft. Hij vertelt aan [betrokkene 6] dat hij is bedreigd met een vuurwapen en vraagt hem om met hem op zoek te gaan naar [betrokkene 1] . [betrokkene 6] pakt dan zijn vuurwapen en rijdt samen met de verdachte naar Toko Win, waar zij gezamenlijk [betrokkene 1] en (indirect) [slachtoffer] met de dood bedreigen en vervolgens weer wegrijden. Op een later moment keren zij terug en begint [betrokkene 6] op [slachtoffer] te schieten en doorzeeft hij de auto waar [slachtoffer] vervolgens instapt en waar ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in zitten.
11. De vaststelling dat de verdachte wist dat [betrokkene 6] een vuurwapen had, heeft het Hof afgeleid uit de verklaring van [betrokkene 6] . Deze door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring (bewijsmiddel 4) houdt onder meer in dat de verdachte hem de dag in kwestie niet heeft gezegd zijn vuurwapen te pakken, maar dat de verdachte naar hem is toegekomen omdat hij wist dat hij in het bezit was van een vuurwapen. Naar eigen zeggen liep [betrokkene 6] vaak met zijn vuurwapen rond en is het zeker een paar keer voorgekomen dat de verdachte hem met een vuurwapen heeft gezien. De verdachte kwam nadat hij door [betrokkene 1] met een vuurwapen was bedreigd boos bij [betrokkene 6] en vroeg hem samen de jongens op te gaan zoeken. [betrokkene 6] heeft toen zijn vuurwapen gepakt en is met de verdachte naar de toko vertrokken. Daarover verklaarde [betrokkene 6] onder meer: “[de verdachte] had mij verteld dat hij problemen met de mannen had. [de verdachte] weet dat ik gewapend ben. [de verdachte] had tegen mij gezegd om met hem naar de jongens te gaan. Hoe duidelijk kan ik zijn”. Dat [betrokkene 6] gewapend was volgt ook uit zijn verklaring die als bewijsmiddel 3 is opgenomen in de bewijsvoering van het Hof, waarin hij verklaart dat hij zich “7x24 uur” bewapent, dat hij op instructie van de verdachte naar de toko is gegaan en daar gericht op [slachtoffer] en [betrokkene 1] heeft geschoten.
12. Het middel bestrijdt onder meer de vaststelling van het Hof dat de verdachte wist dat de medeverdachte [betrokkene 6] een vuurwapen bij zich had. Daartoe wordt allereerst aangevoerd dat de verklaring van [betrokkene 6] dat hij “7x24 uur” bewapend is (bewijsmiddel 3) in strijd is met zijn andere verklaring dat hij “vaak” met zijn vuurwapen rondloopt (bewijsmiddel 4). Met de bewezenverklaring is volgens de stellers van het middel tevens tegenstrijdig de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] dat hij [betrokkene 6] hoorde zeggen dat hij “zonder een vuurwapen ons kapot zal maken”.
13. Daarin volg ik de stellers van het middel niet. Uit de verklaringen van [betrokkene 6] blijkt dat de verdachte hem meermaals heeft gezien met een vuurwapen. Dat de verdachte wist dat [betrokkene 6] een vuurwapen had staat dus wel vast en dat wordt verder (in cassatie) ook niet betwist. Waar het om gaat is of uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte op het moment dat zij naar [betrokkene 1] en [slachtoffer] vertrokken, wist dat [betrokkene 6] een vuurwapen bij zich had. Zoals ik het vonnis begrijp, heeft het Hof die gevolgtrekking niet zozeer verbonden aan het feit dat [betrokkene 6] volgens zijn eigen verklaring “vaak” dan wel “7x24 uur” bewapend is, maar meer aan het feit dat de verdachte wist dat [betrokkene 6] een vuurwapen had en zijn hulp heeft ingeschakeld nadat hij was bedreigd door [betrokkene 1] met een vuurwapen. Het Hof concludeert aldus uit de gedragingen van de verdachte die dag, dat in zijn verzoek aan [betrokkene 6] om samen met hem verhaal te halen bij [betrokkene 1] en anderen besloten ligt dat [betrokkene 6] zijn vuurwapen zou meenemen. Een dergelijk oordeel acht ik, bezien in het geheel van de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat [betrokkene 6] ‘wisselend’ – voor zover je dat al zo zou kunnen noemen – zou hebben verklaard over de frequentie waarmee hij bewapend is, doet in zoverre dan ook niet aan af aan dat oordeel. Datzelfde geldt voor de verklaring van [betrokkene 1] dat [betrokkene 6] tegen hem zou hebben gezegd dat hij hem zonder een vuurwapen kapot zou maken. Dat gegeven sluit op zichzelf genomen niet het scenario uit dat de verdachte wist dat [betrokkene 6] op dat moment een vuurwapen bij zich had en is daarmee dan ook niet noodzakelijk tegenstrijdig met de bewezenverklaring.
14. Hetgeen de stellers van het middel vervolgens inbrengen tegen ’s Hofs verwerping van het verweer van de verdediging over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 6] maakt het voorgaande niet anders. De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verklaring van [betrokkene 6] over de wetenschap van de verdachte over zijn wapengebruik niet betrouwbaar is, omdat [betrokkene 6] op een later moment juist heeft verklaard dat de verdachte daar niets van wist. Het Hof acht de eerdere verklaringen van [betrokkene 6] dat de verdachte wél wetenschap had van zijn wapengebruik niettemin betrouwbaar en legt zijn latere verklaring terzijde. Daarbij heeft het Hof onder meer meegewogen dat [betrokkene 6] pas anders is gaan verklaren nádat de verdachte even daarvoor ter terechtzitting had verklaard niets te weten van het wapen(gebruik) van [betrokkene 6] . Daarmee heeft het Hof, mede in het licht van het gevoerde verweer, genoegzaam gemotiveerd waarom het die latere verklaring van [betrokkene 6] niet geloofwaardig acht. Anders dan de stellers van het middel kennelijk bedoelen, leidt die omstandigheid niet noodzakelijk tot de conclusie dat alle verklaringen van [betrokkene 6] onbetrouwbaar zijn en is de beslissing van het Hof om de eerdere verklaringen van [betrokkene 6] wél tot het bewijs te bezigen geenszins onbegrijpelijk.
15. Voorts wordt geklaagd dat de verklaring van [betrokkene 6] , voor zover deze inhoudt “[de verdachte] had mij verteld dat hij problemen met de mannen had. [de verdachte] weet dat ik gewapend ben. [de verdachte] had tegen mij gezegd om met hem naar de jongens te gaan. Hoe duidelijk kan ik zijn” (bewijsmiddel 4), niet tot het bewijs mocht worden gebruikt, omdat deze een conclusie betreft, die niet kan worden aangemerkt als een eigen waarneming of ondervinding. De stellers van het middel verwijzen in dat kader naar HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8270, NJ 2007/526, m.nt. Reijntjes. Ik lees de bedoelde verklaring echter anders, namelijk in die zin dat [betrokkene 6] daarmee te kennen heeft willen geven wat de verdachte hem heeft verteld en waarom hij daar zelf uit opmaakte dat hij zijn wapen moest meenemen toen ze ‘de jongens’ gingen opzoeken. Aldus bevat de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 6] niets wat niet kan worden aangemerkt als een mededeling van hetgeen hij zelf heeft waargenomen of ondervonden.
16. Tot slot menen de stellers van het middel dat de bewezenverklaring van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is, nu het Hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte ook beschikkingsmacht heeft gehad over het vuurwapen. Een dergelijk luidende opvatting vindt echter geen steun in het recht. Voor medeplegen is immers niet vereist dat elk van de medeplegers de gehele delictsinhoud vervult. Voor zover de stellers van het middel ter onderbouwing van dit standpunt onder meer verwijzen naar een drietal arresten van 31 maart 20204.waarin de Hoge Raad het juridisch kader van het ‘voorhanden hebben’ in het kader van de Nederlandse Wet wapens en munitie uiteenzet, dient te worden opgemerkt dat de verdachten in die zaken telkens als pleger – en dus niet als medepleger – waren aangemerkt. Daarnaast doen de stellers van het middel vergeefs een beroep op HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725, NJ 2010/642. Uit dat arrest volgt namelijk evenmin dat bij het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen moet komen vast te staan dat elke medepleger beschikkingsmacht heeft gehad over het vuurwapen. Het vonnis van het Hof getuigt (dan ook) niet van een verkeerde toepassing van het juridisch kader te dezen.
17. Wél moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder voormeld arrest uit 2010, uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat sprake is van een – op het voorhanden hebben van het voorwerp gerichte – bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Een dergelijke samenwerking ligt mijns inziens genoegzaam besloten in de bewijsvoering van het Hof, waaruit (kort gezegd) volgt dat (i) de verdachte, nadat hij met een vuurwapen was bedreigd, de medeverdachte heeft opgehaald, (ii) de verdachte aan de medeverdachte heeft verteld dat hij problemen had met de mannen, (iii) de verdachte wist dat de medeverdachte een vuurwapen had en deze (toen) gewapend was, (iv) zij samen – en op instructie van de verdachte – naar de toko zijn gereden, (v) zij daar de uiteindelijke slachtoffers hebben bedreigd met de dood en hebben gezegd dat zij nu niets zouden doen omdat getuige [betrokkene 5] op dat moment ook aanwezig was, en (vi) zij op een later moment zijn teruggekeerd om de daad alsnog bij het woord te voegen. Het bestreden oordeel van het Hof komt mij derhalve ook niet onbegrijpelijk voor.
Medeplegen moord op [slachtoffer] (feit 1) en poging tot moord op [betrokkene 1] (feit 2)
18. Het middel komt voorts op tegen de bewezenverklaringen van het medeplegen van de moord op [slachtoffer] en het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 1] . Het gaat daarbij in het bijzonder om het oordeel van het Hof dat de gedragingen van de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 6] , afzonderlijk dan wel in hun geheel bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden geduid dan te zijn gericht op het doden van [betrokkene 1] en/of [slachtoffer] . Geklaagd wordt dat dit oordeel “– alleen al in het licht van hetgeen het Gerecht heeft geoordeeld en de omstandigheid dat het bewijs van wetenschap van de aanwezigheid van een vuurwapen te kort schiet vanwege de hierboven staande redenen – onjuist en/of onbegrijpelijk” is. Dat klemt volgens de stellers van het middel temeer “nu het hof ook niet heeft vastgesteld dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] heeft opgezocht, zoals wel ten laste is gelegd”.
19. Daarover klaagt het middel tevergeefs. De enkele omstandigheid dat het Gerecht in eerste aanleg anders heeft geoordeeld, maakt ’s Hofs oordeel op zichzelf genomen niet onjuist of onbegrijpelijk. Waarom volgens de toelichting op het middel het feit dat het Hof “ook niet heeft vastgesteld dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] heeft opgezocht, zoals wel ten laste is gelegd” de bewezenverklaring onbegrijpelijk maakt, ontgaat mij eveneens. Voor zover het middel klaagt dat het bewijs dat de verdachte wetenschap had van het vuurwapen van de medeverdachte tekortschiet, verwijs ik verder naar mijn beschouwingen in de randnummers 13-17.
20. Daarnaast wordt betoogd dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed op de grond dat het Hof de mogelijkheid zou hebben opengelaten “dat het opzet van verdachte slechts gericht was op de dood van [betrokkene 1] of [slachtoffer] hetgeen in strijd is met het bewezen verklaren van opzet gericht op de dood van [betrokkene 1] en [slachtoffer] ”. Kennelijk doelen de stellers van het middel op de bewijsoverwegingen van het Hof onder de kop ‘Medeplegen’, die onder meer inhouden dat de gedragingen “zijn gericht op het doden van [betrokkene 1] en/of [slachtoffer] ”, het besluit is genomen “om [betrokkene 1] en/of [slachtoffer] te doden”, en de verdachte “opzet had op de samenwerking met [betrokkene 6] en opzet op het gaan schieten op [betrokkene 1] en/of op [slachtoffer] ” (cursivering door mij, A-G).
21. Anders dan het middel wil, zijn deze overwegingen van het Hof niet in strijd met het bewezenverklaarde opzet op de dood van [betrokkene 1] en [slachtoffer] . Uit zijn overige bewijsoverwegingen volgt immers genoegzaam dat het Hof van oordeel is dat het opzet van de verdachte zowel was gericht op de dood van [betrokkene 1] als op de dood van [slachtoffer] . Zo heeft het Hof vervolgens onder de kop ‘Opzet’ overwogen dat de verdachte (vol) opzet had op de dood van [slachtoffer] en dat de nauwe en bewuste samenwerking van de verdachten, door minstens zes keer te schieten op de auto van [slachtoffer] , waarbij deze auto is doorzeefd met kogels, voorts heeft meegebracht “dat zij daarbij ook (minst genomen voorwaardelijk) opzet hebben gehad op de dood van de andere inzittenden van die auto, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ”. De bewezenverklaring is ook op dit punt aldus met voldoende redenen omkleed.
Medeplegen poging tot moord op [betrokkene 2] (feit 2)
22. Tot slot behelst het middel de klacht dat de bewezenverklaring van het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 2] onbegrijpelijk is, dan wel onvoldoende met redenen is omkleed. In het bijzonder wordt geklaagd dat het oordeel van het Hof dat de medeverdachte [betrokkene 6] bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat [betrokkene 2] door zijn gedragingen van het leven zou kunnen worden beroofd niet (zonder meer) uit de bewijsmiddelen volgt.
23. Het Hof heeft geoordeeld dat de nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte en de medeverdachte die gericht was op het doden van [slachtoffer] , voorts meebrengt dat zij daarbij ook (minst genomen voorwaardelijk) opzet hebben gehad op de dood van de andere inzittenden van die auto, waaronder [betrokkene 2] . Naar het oordeel van het Hof leidt het (in nauwe en bewuste samenwerking) meerdere malen met een vuurwapen op de auto schieten waarin [slachtoffer] (terug) was gaan zitten, tot een aanmerkelijke kans op de dood van alle aanwezigen in de auto, die de verdachte ook bewust heeft aanvaard. Daarbij heeft het Hof betrokken dat minstens zes keer is geschoten op de auto van [slachtoffer] , waarbij deze auto is doorzeefd met kogels. Voorts heeft het Hof aan dat oordeel ten grondslag gelegd de overweging dat het een feit van algemene bekendheid is dat ook andere personen aanwezig kunnen zijn in een auto, zeker in de nabijheid van een eetgelegenheid rond etenstijd.
24. De stellers van het middel achten die laatste overweging onbegrijpelijk, nu een dergelijke redenering ertoe zou leiden dat elke auto waarop zou worden geschoten een aanvaarding van de aanmerkelijke kans op de dood van andere inzittenden met zich zou brengen, ook in het geval er expliciet op een bepaald individu gemikt/geschoten wordt en onbekend is of er zich andere inzittenden in de auto bevinden. In dat kader wordt voorts aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de medeverdachte in de richting van [betrokkene 2] heeft geschoten en door het Hof niet is vastgesteld dat de medeverdachte wist dat [betrokkene 2] ook in die auto zat.
25. Uit de bewijsvoering van het Hof blijkt onder meer het volgende. Nadat de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 6] bij de toko [betrokkene 1] (en indirect [slachtoffer] ) met de dood bedreigen, rijden ze weg. Hierna belt [betrokkene 1] [slachtoffer] en vertelt hem over de doodsbedreigingen, kort waarna [slachtoffer] en zijn vriendin [betrokkene 2] bij de toko komen aanrijden. [slachtoffer] stapt vervolgens uit en praat aldaar met [betrokkene 1] over de bedreigingen. Daarna gaan [slachtoffer] en [betrokkene 1] samen in de auto bij [betrokkene 2] zitten, die achter het stuur zit. Op een gegeven moment keren de verdachte en [betrokkene 6] terug. [slachtoffer] stapt daarop uit, waarna [betrokkene 6] meteen op hem begint te schieten. [slachtoffer] stapt hierna weer in de auto bij [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . [betrokkene 6] blijft gericht schieten op [slachtoffer] en [betrokkene 1] en raakt daarbij meermalen de auto, waar [betrokkene 2] ook in zit. Terwijl hij blijft schieten rijdt [betrokkene 2] weg.
26. Tegen die achtergrond, alsook in het licht van de vaststelling van het Hof dat de medeverdachte de hele auto onder vuur heeft genomen en als het ware heeft ‘doorzeefd’ met kogels, komt het oordeel van het Hof dat het voorwaardelijk opzet van de verdachte en medeverdachte zich ook uitstrekte tot de dood van [betrokkene 2] , mij niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd voor. In weerwil van de toelichting op het middel, meen ik dat het Hof daarbij ook mocht meewegen dat het een feit van algemene bekendheid is dat ook andere personen zich in de auto kunnen bevinden.5.Daarbij neem ik in aanmerking dat niet is gebleken dat de verdachten zich tevoren ervan hebben vergewist dat naast [slachtoffer] niemand anders in de auto zat, terwijl er in de gegeven omstandigheden wel alle aanleiding toe was rekening te houden met de aanwezigheid van andere inzittenden, nu:
- de medeverdachte – mede blijkens zijn eigen verklaring – niet alleen richtte op [slachtoffer] , maar ook op [betrokkene 1] , die op dat moment al in de auto op de achterbank zat;
- [slachtoffer] niet de bestuurder was van de auto;
- [betrokkene 2] met de auto wegreed en de medeverdachte bleef schieten.
VI. Slotsom
27. Het middel faalt in alle onderdelen.
28. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑01‑2024
Hieronder volgt alleen het gedeelte van het verweer dat volgens de in het middel vervatte klacht ten onrechte door het Hof is verworpen. Die klacht luidt: “De bewijsredenering van het hof is ook onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de verklaringen van de medeverdachte waarin deze uitdrukkelijk heeft verklaard dat verdachte niet wist dat hij met een vuurwapen op pad is gegaan en hetgeen het hof te dier zake heeft aangevoerd. Het hof heeft immers dat verweer verworpen door te overwegen dat de medeverdachte zijn verklaring kennelijk heeft aangepast naar bevind van zaken, te weten nadat hij op een zitting hoorde dat verdachte ontkende van het wapen te hebben af geweten. Dat de medeverdachte uit opportunistische redenen er geen been in ziet een eerder afgelegde verklaring aan te passen pleit nu juist immers niet voor de geloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaringen, ook niet de verklaringen die verdachte belasten.”
Ik meen dat het voor de bespreking van het middel niet nodig is hier het wettelijk kader van de toepasselijke strafbepalingen uit het Wetboek van Strafrecht van Curaçao aan te halen. Die strafbepalingen wijken niet af van de Nederlandse en het behoeft geen betoog dat de uitleg die de Hoge Raad in verband met feiten als de onderhavige aan de begrippen voorbedachte raad, (voorwaardelijk) opzet en medeplegen geeft, hier evenzeer van toepassing is. Daarbij komt dat het middel hoofdzakelijk uit bewijsklachten bestaat.
HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, ECLI:NL:HR:2020:510 en ECLI:NL:HlR:2020:507, NJ 2020/251 t/m 2020/253, m.nt Sackers.
Vgl. mijn conclusie van 18 april 2023, ECLI:NL:PHR:2023:437 (randnummer 45) vóór HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:983 (HR: art. 81 RO).