De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/3.3.4:3.3.4 Intermezzo: de stand van het recht in 1971 en de daarop volgende aanpassingen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/3.3.4
3.3.4 Intermezzo: de stand van het recht in 1971 en de daarop volgende aanpassingen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366018:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat echter het bestek van dit onderzoek te buiten om de wetsgeschiedenis van al deze wijzigingen door te spreken.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, nr. 5.
Zie Koelemeijer, p. 6 t/m 28. In haar bespreking van de ontwikkeling van de goede trouw in kapitaalvennootschappen in de periode 1838 t/m 1992 valt op dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slechts wordt toegepast op besluiten en niet op statutaire bepalingen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de parlementaire geschiedenis van de in 1971 ingevoerde regeling weinig houvast biedt ten aanzien van veel vragen die in dit onderzoek worden behandeld, is niet slechts te wijten aan een gebrek aan voorstellingsvermogen van de wetgever. Tevens dient voor ogen te worden gehouden dat het rechtspersonenrecht sinds 1971 ingrijpende wijzigingen1 heeft ondergaan, die elk van invloed zijn geweest op de mogelijkheden om eindvoorzieningen te treffen. Ik noem de invoering van het structuurregime, Boek 2 BW, de BV, de Wet giraal effectenverkeer en de implementatie van de Eerste en Tweede EG-richtlijn. De in dat kader ingevoerde regels zijn voorts ingrijpend gewijzigd, bijvoorbeeld in het kader van de invoering van Boek 3, 5 en 6 BW.2
Ter illustratie van de verschillen tussen het huidige rechtspersonenrecht en dat van 1971 zij gewezen op het volgende. Het rechtspersonenrecht bestaat zowel thans als in 1971 hoofdzakelijk uit dwingendrechtelijke regels, waarvan slechts in de statuten kan worden afgeweken in de in de wet genoemde gevallen.3 Sinds 1992 is echter in art. 2:8 lid 2 BW vastgelegd dat toch kan worden afgeweken van dergelijke dwingendrechtelijke bepalingen, indien dat de toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In 1971 was de mogelijkheid om af te wijken van dwingend recht veel minder overzichtelijk geregeld. Men moest het doen met een beroep op misbruik van bevoegdheid en art. 1374 oud BW en art. 1375 oud BW, waarin kort gezegd was vastgelegd dat een overeenkomst te goeder trouw moest worden uitgevoerd. Pas in 1976 werd de opvatting, dat de verhoudingen in rechtspersonen van eigen niet-contractuele aard zijn, gecodificeerd.4 Bij die stand van zaken en gegeven het feit dat de voorziening afwijken van de statuten een noviteit was, kan ik me voorstellen dat bij de parlementaire behandeling van de enquêteregeling van 1971 de vraag niet opkwam hoe de ondernemingskamer moest omgaan met dwingend recht.