Hof 's-Hertogenbosch, 09-09-2014, nr. HD 200.078.771/01
ECLI:NL:GHSHE:2014:3527
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
09-09-2014
- Zaaknummer
HD 200.078.771/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2014:3527, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 09‑09‑2014; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:366, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:GHSHE:2013:6578, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 31‑12‑2013; (Hoger beroep)
Uitspraak 09‑09‑2014
Inhoudsindicatie
afwikkeling huwelijkse voorwaarden
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.078.771/01
arrest van 9 september 2014
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats 1],
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr.J.E. Jalandoni te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats 2],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 8 februari 2011 en 31 december 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder zaaknummer 208705/HA ZA 09-1670 gewezen vonnissen van 9 juni 2010 en 8 september 2010.
8. Het tussenarrest van 31 december 2013
8.1.
Bij genoemd arrest is de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2014 verwezen voor akte aan de zijde van de vrouw.
9. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
9.1.
De vrouw en de man hebben elk een (antwoord-)akte, voor de vrouw met bijlagen, genomen. Vervolgens heeft het hof de uitspraak op 16 september 2014 bepaald.
10. De verdere beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
10.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de eerste grief van de man voor zover die ziet op de door de rechtbank tot uitgangspunt genomen peildatum voor de omvang van de te verdelen gemeenschap, te weten 11 december 2008, faalt. Voorts heeft het hof in dit arrest overwogen dat de vrouw geen feitelijke gegevens heeft verstrekt ter motivering van haar betwisting van de stellingen van de man, namelijk dat er op voornoemde datum een groter vermogen verrekend dient te worden dan het door de rechtbank in aanmerking genomen vermogen van € 200.000,-, subsidiair, indien er minder vermogen aanwezig is, er sprake geweest is van verspilling op grond waarvan de vrouw jegens hem schadeplichtig is. Het hof heeft van de vrouw verlangd, nu het gaat om gegevens waarover de man niet kan beschikken, dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt, teneinde de man aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering.
10.2.
De vrouw heeft bij akte met bijlagen van 14 februari 2014 aan het verlangen van het hof voldaan, waarna de man bij antwoordakte van 24 februari 2014 hierop heeft gereageerd. Het hof merkt hierbij overigens vooreerst op geen acht te slaan op productie 3 van genoemde akte van de zijde van de vrouw nu het hof hier niet om gevraagd heeft. Voor zover de man in zijn akte opmerkt dat in meergenoemd tussenarrest een bewijsopdracht aan de vrouw zou zijn gegeven, berust die opmerking op een onjuiste lezing van het arrest. Immers het hof heeft in zijn tussenarrest nu juist expliciet overwogen dat de bewijslast van de stellingen van de man bij hem berust, maar dat het de vrouw is die over relevante stukken beschikt en gehouden is deze in het geding te brengen.
11. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er op de rekening met nummer [nummer 5] ten name van de vrouw (productie 9 bij de akte) op de peildatum, 11 december 2008, nog een bedrag van € 200.000 – aanwezig was. Dit komt dus overeen met het bedrag dat genoemd wordt in de brief van de toenmalige raadsman van partijen van 11 december 2008 en van welk bedrag ook de rechtbank is uitgegaan. Het hof gaat er dus vanuit dat dit bedrag in de verdeling zoals is vastgesteld door de rechtbank is betrokken.
11.1.
Voorts blijkt dat op rekening met nummer [nummer 6] ten name van de vrouw (productie 5 bij de akte) op de peildatum nog ongeveer een bedrag van € 33.395,90 aanwezig was, welk saldo de vrouw alsnog met de man dient te delen.
11.2.
Voor het overige is niet gebleken dat er op de peildatum nog saldi op de rekeningen waren waarover de vrouw kon beschikken en heeft de man zijn stellingen op dit punt overigens ook niet ten bewijze aangeboden, zodat zijn tweede grief slechts in zoverre slaagt dat de vrouw aan hem nog dient te voldoen een bedrag van € 16.697,95 (€ 33.395,90 : 2), naast het bedrag dat volgt uit het vonnis van de rechtbank van 8 september 2010 van
€ 172.460,- (€ 119.920,- + € 52540,-) .
12. In zijn derde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte zijn subsidiaire vordering heeft verworpen. De rechtbank heeft met betrekking tot deze vordering overwogen dat uit het verhoor van de man bij de Federale Gerechtelijke Politie te Antwerpen op 27 september 2007 blijkt dat de vrouw tot die datum en ook daarna alle vrijheid had met de door de man aan haar overgemaakte bedragen te doen wat zij wilde. Dit echter ten onrechte, aldus de man. De man betwist dat de bedragen die door hem voor 27 september 2007 aan de vrouw zijn overgemaakt verspild mochten worden. Deze waren bestemd voor het opstarten van een horecaonderneming in België. Voor zover de verklaringen van de man als instemming dienen te worden aangemerkt dan kan die instemming slechts gelden tot 27 september 2007. Na deze datum is er meer dan € 500.000,- aan gelden vrijgekomen uit de verkoop van onroerend goed.
De vrouw verwijst in haar verweer naar het verhoor van de man op 27 september 2007 en naar het feit dat uit het verslag van dit verhoor blijkt dat de man doelbewust grote sommen geld aan de vrouw ter beschikking heeft gesteld en het beheer van het vermogen volledig aan haar heeft overgelaten. Zij heeft steeds rekening en verantwoording afgelegd en zij is altijd open geweest over het saldo van het vermogen, zoals ook blijkt uit de brief van de advocaat van partijen in de echtscheidingsprocedure van 11 december 2008.
12.1.
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de bedragen die gekomen zijn uit de verkoop van de registergoederen (deels) door de man op de rekening(en) van de vrouw gestort zijn. In 2007 is de man gehoord door de Federale Gerechtelijke Politie te Antwerpen in verband met een aantal ongebruikelijke transacties op bankrekeningen bij Fortis België op naam van de vrouw en/of [bankrekeninghouder]. Uit dit verhoor kan worden opgemaakt dat de man volledig op de hoogte was met de transacties en meer dan dat, daar ook volledig achterstond. De man voert thans aan dat in het geval zijn eerste stelling wordt verworpen er van uitgegaan dient te worden dat de gelden die na 27 september 2007 door hem zijn betaald, door de vrouw zijn verspild.
Het hof kan de man in deze stelling niet volgen. Immers de man wist reeds in 2007 dat de gelden die hij aan de vrouw betaalde werden uitgegeven. Dat heeft hem er niet van weerhouden ook in 2008 nog substantiële bedragen aan de vrouw over te maken. Dat deze gelden bestemd zouden zijn voor de start van een horeca onderneming wordt door de vrouw gemotiveerd betwist en door de man niet verder onderbouwd. Op de man rust de stelplicht en bewijslast. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man echter onvoldoende gesteld om verspilling aan te kunnen nemen, terwijl de man evenmin zijn stelling voldoende concreet ten bewijze heeft aangeboden. De derde grief van de man faalt derhalve.
13. Thans ligt nog voor de bespreking van de grief van de vrouw in het incidentele appel. Het hof begrijpt deze grief aldus dat de vrouw betoogt dat de vordering van de man dient te worden afgewezen op grond van door haar in hoger beroep geopenbaarde feiten en omstandigheden alsmede het bij haar gewekte vertrouwen omtrent het afzien van verdeling en de bedoeling van partijen dienaangaande. De vrouw doelt hierbij meer in het bijzonder op haar stelling dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel, dat zij door de man als het ware gekocht is, dat het geld dat aan haar door de man ter beschikking is gesteld aan mensenhandelaren voldaan is en dat voor het overige het geld is besteed aan de kosten van de huishouding, zodat er ten tijde van de echtscheiding niets meer te verdelen was. Voorts mocht de vrouw er, gelet op de mededelingen van de man bij hun gezamenlijke advocaat, op vertrouwen dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hadden en dat er geen verrekening of verdeling op basis van de huwelijkse voorwaarden zou volgen.
De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.
13.1.
De vrouw heeft haar stelling dat zij slachtoffer geweest is van mensenhandelaren en dat zij als het ware gekocht zou zijn door de man niet nader onderbouwd. De stukken die door de vrouw thans in het geding gebracht zijn, onder andere het proces-verbaal van aangifte van 24 mei 2011 alsmede de processen-verbaal van verhoor op 31 mei 2011 en 9 juni 2011 zijn daartoe volstrekt ontoereikend, nu deze enkel gebaseerd zijn op verklaringen van de vrouw zelf. Er is geen enkel stuk in het geding gebracht dat de verklaringen van de vrouw ondersteunt. Een voldoende concreet bewijsaanbod ontbreekt.
Met betrekking tot het beroep van de vrouw op rechtsverwerking (artikel 6:2 Burgerlijk Wetboek) overweegt het hof als volgt. Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. De enkele verwijzing naar de brief van de gezamenlijke advocaat van 11 december 2008 is onvoldoende om van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld uit te gaan, waarbij komt dat uit die brief ook niet die gevolgtrekking te maken valt die de vrouw daaraan nu verbindt. De grief van de vrouw in het incidenteel appel faalt.
14. Uit het vorenstaande volgt dat het hof in aanvulling op de veroordeling door de rechtbank de vrouw zal veroordelen tot betaling van € 16.697,95 met wettelijke rente. Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar stonden, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna te melden.
15. De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 september 2010 behoudens voor zover daarin het meer of anders door de man gevorderde is afgewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de vrouw aan de man een bedrag te betalen van € 16.697,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 augustus 2009 tot de dag der algehele voldoening;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde;
compenseert de kosten van de procedures in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, C.D.M. Lamers en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2014.
Uitspraak 31‑12‑2013
Inhoudsindicatie
afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.078.771/01
arrest van 31 december 2013
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats 1],
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
nader te noemen: de man,
advocaat: mr. J.E. Jalandoni te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats 2],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
nader te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 februari 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder zaaknummer 208705/HA ZA 09-1670 gewezen vonnissen van 9 juni 2010 en 8 september 2010.
5 Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 8 februari 2011 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 25 maart 2011;
- de memorie van grieven van 22 november 2011;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van 24 juli 2012 met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van 20 augustus 2013.
Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg
6. De gronden van het hoger beroep
Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.
7. De beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
7.1.
In de overweging 3.1. van het tussenvonnis van 9 juni 2010 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.
7.2.
Het gaat in deze zaak om het volgende.
a. Partijen zijn op 2 april 2007 na het opmaken van huwelijkse voorwaarden gehuwd.
Deze huwelijkse voorwaarden luiden – voor zover hier van belang – als volgt:
“(…)
Uitsluiting gemeenschap van goederen
Tussen de echtgenoten zal geen huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van
goederen bestaan.
Echtscheiding: beperkte afrekening/deling
Algehele gemeenschap van goederen, behoudens
Bij echtscheiding… zullen de echtgenoten met elkaar afrekenen alsof zij in een wettelijke
gemeenschap van goederen (zoals die thans geldt naar Nederlands recht) gehuwd waren.
Buiten de afrekening blijven echter:
- het ondernemingsvermogen van een of beide echtgenoten, in welke vorm dan ook…;
Onder het ondernemingsvermogen valt onder andere het registergoed aan de
[adres 1], [postcode] [plaats 1],…, en de daarmee verbonden schuld(en).
- alle opbrengsten van voorgaande categorieën
(…)
Wijze van afrekening
De afrekening geschiedt naar de toestand en waarde in het economisch verkeer op de datum als bedoeld in artikel 1:142 Burgerlijk Wetboek.
(…)
Kosten van de huishouding
Verdeling kosten ten laste van het inkomen
De kosten van de huishouding –uitgaven voor bijvoorbeeld levensonderhoud, vakanties, woning en dergelijke- komen ten laste van ieders netto inkomen uit arbeid, onderneming en/of vermogen, naar evenredigheid daarvan.
Het recht op verrekening van het teveel betaalde aan de kosten aan de huishouding vervalt zes maanden na het betreffende kalenderjaar.
(…)
Lichtvaardigheid/verspilling
De echtgenoot die op lichtvaardige wijze schulden maakt, goederen verspilt of rechtshandelingen verricht zonder de vereiste toestemming van de andere echtgenoot, is tegenover de andere echtgenoot verplicht tot vergoeding van de schade. Ten aanzien van deze vergoedingsvordering is vanaf het ontstaan de wettelijke rente verschuldigd.
(…)”
b. Partij(en) hebben de navolgende registergoederen verkocht:
- [adres 4], [plaats 2], geleverd op 8 juni 2007 voor een prijs van € 350.000,--;
- [adres 2] en [adres 3], [plaats 1], geleverd op 17 mei 2008 voor een prijs van € 430.000,--;
- het bedrijfspand [adres 1], [plaats 1], geleverd op 17 oktober 2008 voor een prijs van € 160.000,--
c. De bedragen die resteerden uit de verkoop van genoemde registergoederen zijn gestort op een of meer ten name van de vrouw staande bankrekeningen.
d. Het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding is op of omstreeks 11 december 2008 bij de rechtbank Breda ingediend.
e. Partijen hebben hun toenmalige raadsman ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek gemeld dat het enige relevante activum behorende tot de te verdelen gemeenschap was een bedrag van circa € 200.000,--.
f. De echtscheiding tussen partijen is door de rechtbank Breda uitgesproken op 25 maart 2009 en op 9 april 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
g. De man heeft conservatoir beslag laten leggen op alle vorderingen, gelden etc. van de vrouw op of bij de Fortis Bank (Nederland) N.V..
De man heeft de vrouw in rechte betrokken en in eerste aanleg, samengevat, gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 511.750,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding alsmede de proceskosten, bij niet voldoening vermeerderd met de wettelijke handelsrente en nakosten, alsmede de kosten van het conservatoir beslag. De vrouw heeft verweer gevoerd.
De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 119.920,-- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2009 tot de dag der algehele voldoening alsmede tot een bedrag van € 52.540,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening, een en ander met compensatie van de proceskosten.
Partijen kunnen zich niet met dit vonnis verenigen en zij zijn daarvan in hoger beroep gekomen.
7.3.
De grieven van de man en de vrouw zien op de volgende onderwerpen:
- peildatum en omvang van de te verdelen boedel (grieven 1 en 2 man in principaal appel);
- subsidiaire stelling man omtrent verspilling (grief 3 man in principaal appel);
- veroordeling vrouw tot betaling aan man van de in het dictum genoemde gelden (grief vrouw in
incidenteel appel).
7.4.
Op grond van de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden staat vast dat er sprake is van een finaal verrekenbeding, dat ertoe strekt dat partijen afrekenen door de waarde van de beide vermogens op de peildatum bij elkaar op te tellen en de som daarvan – vanwege de overeengekomen fictie dat zij op dat moment in gemeenschap van goederen gehuwd zijn – bij helfte te delen. Daarvan uitgezonderd is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de opbrengst van het registergoed aan de [adres 1] te [plaats 1], nu gezien het bepaalde in de akte huwelijkse voorwaarden de man recht heeft op de volledige verkoopopbrengst van dat pand. Als peildatum heeft conform de huwelijkse voorwaarden te gelden de datum van de indiening van het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank, derhalve 11 december 2008.
7.4.1.
De man stelt thans in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte van voormelde peildatum uitgegaan is. De man laat echter na te motiveren waarom in de onderhavige situatie in afwijking van hetgeen partijen daaromtrent overeengekomen zijn van een andere datum uitgegaan zou dienen te worden. De enkele stelling dat niet alle bankrekeningen van de vrouw in de verdeling betrokken zijn is daartoe volstrekt onvoldoende, nu dit los staat van de peildatum. Ook het hof zal derhalve uitgaan van de datum 11 december 2011 als peildatum voor de omvang van de te verdelen gemeenschap.
7.4.2.
In zijn eerste en tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte uitgegaan is van een bedrag van € 200.000, - als zijnde het te verdelen actief, nu het gaat om een veel groter bedrag. In zijn derde grief stelt de man, maar dit subsidiair, dat indien het door hem gevorderde bedrag niet meer aanwezig zou zijn er sprake is geweest van verspilling door de vrouw op grond waarvan zij (gezien het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden) jegens hem verplicht is tot vergoeding van de schade alsook de wettelijke rente. De vrouw heeft de grieven van de man gemotiveerd betwist.
7.4.3.
Nu de man een beroep heeft gedaan op het rechtsgevolg (betaling door de vrouw aan hem van een bedrag van € 511.750,-) van zijn stellingen dat er op de peildatum, in casu dus 11 december 2008, een groter vermogen verrekend dient te worden dan het door de rechtbank in aanmerking genomen vermogen van € 200.000,-, subsidiair, indien er minder vermogen aanwezig is, er sprake geweest is van verspilling op grond waarvan de vrouw jegens hem schadeplichtig is dient de man zijn stellingen te bewijzen. De man heeft in dat kader gewezen op de omstandigheid dat de vrouw over meer bankrekeningen beschikt of heeft beschikt. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat het vorenstaande juist is. Er worden namelijk meerdere bankrekeningen genoemd die de vrouw alleen dan wel samen met de heer [bankrekeninghouder] had. Het gaat meer specifiek om de rekeningen met de nummers: [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] en
[nummer 4] en de spaarrekening met nummer [nummer 5].
7.4.4.Het hof is van oordeel dat de vrouw de stellingen die betrekking hebben op haar betwisting dat sprake is van een groter vermogen op de peildatum dan wel de verspilling door haar van het vermogen onvoldoende met stukken heeft onderbouwd. De vrouw verwijst immers slechts naar de brief van de toenmalige raadsman van partijen van 11 december 2008, waarin onder andere het volgende wordt overwogen:
“(…)
Jullie hebben mij tijdens de bespreking duidelijk aangegeven dat jullie alleen willen scheiden en geen afrekening willen van de gemeenschap zoals deze conform jullie huwelijkse voorwaarden zou bestaan bij echtscheiding. Jullie hebben mij verteld dat alleen een geldbedrag van circa
€ 200.000,- ( zijnde de verkoopopbrengst van onroerend goed) tot de te verdelen gemeenschap behoort, maar dat jullie deze gemeenschap onverdeeld willen laten. Volgens jullie is dit geldbedrag ook het enige activa dat jullie bezitten. Jullie bezitten verder geen andere activa, die verdeeld zouden moeten worden.
(…)”
De vrouw heeft niet ontkend dat er meer bankrekeningen zijn dan wel geweest zijn, zodat niet zonder meer vast staat dat voornoemd bedrag op 11 december 2008 het enige overgebleven actief was. Met betrekking tot de gestelde verspilling volstaat de vrouw met een verwijzing naar het verhoor van de man door de Federale Gerechtelijke Politie te Antwerpen op 27 september 2007. Daarnaast merkt zij op dat een deel (€ 200.000,-) van de opbrengst (€ 230.000,-) van de verkoop van het pand in [plaats 2] welke opbrengst op haar easy packrekening met nummer [nummer 6] werd gestort, bedoeld was als gedeeltelijke betaling om haar vrij te kopen. De opbrengst
(€ 405.000,-) van het pand aan de [adres 2] te [plaats 1] is op 22 mei 2008 gestort op de meergenoemde Easy packrekening op naam van de vrouw.
Vast staat echter, vide het verhoor van de man, dat het bedrag van € 200.000,- op 16 juni 2007 is doorgestort naar een spaarrekening op naam van de vrouw en de heer [bankrekeninghouder], waarschijnlijk met nummer [nummer 5] dan wel [nummer 3]. Van het bedrag van € 405.000,- resteerde in augustus 2008 nog slechts een bedrag van € 173.851,01. De man heeft de stelling van de vrouw omtrent het vrijkopen van haar gemotiveerd betwist en verder is onduidelijk gebleven en valt zulks ook niet uit de wel overgelegde bankafschriften af te leiden wat er met het geld gebeurd is. De vrouw heeft geen feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting van de stellingen van de man. Nu het hierbij gaat om gegevens waarover de man niet kan beschikken, terwijl op hem de bewijslast rust, verlangt het hof van de vrouw dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar hiervoor vermelde betwisting, teneinde de man aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen.
7.4.5.
Op grond van het vorenstaande beveelt het hof op grond van artikel 22 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de vrouw de bankafschriften met betrekking tot de in rechtsoverweging 7.4.3. genoemde rekeningen over de periode van 16 juni 2007 tot en met 11 december 2008 in het geding te brengen.
De vrouw dient deze stukken met toelichting bij akte in het geding te brengen, bij gebreke waarvan het hof de gevolgtrekkingen kan maken die hij geraden acht.
De man zal bij antwoordakte kunnen reageren.
4. De beslissing
Het hof:
alvorens verder te beslissen:
verwijst de zaak naar de rol van 28 januari 2014 voor akte aan de zijde van de vrouw met het hiervoor in rechtsoverweging 7.4.5. weergegeven doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, C.D.M. Lamers en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 december 2013.