Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.6.1
10.6.1 De belangen van beslaglegger en de beslagene
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS495780:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook reactie op Groenboek bankbeslag van het Europees Parlement onder 12: ‘ is van mening dat er een zorgvuldig evenwicht moet bestaan tussen de rechten van de schuldeiser om zijn vorderingen te innen, en het waarborgen van een afdoende bescherming van de wederpartij’.
Zie in dit verband het rechtsvergelijkend Hess-onderzoek, p. 13.
Groenboek bankbeslag. In het kader van de beoordeling van een verzoek tot een beslagleggingsbevel moet zorgvuldig worden nagegaan wat het precieze karakter van het ‘reële risico’ vereiste is, waarbij moet worden gezorgd voor een billijk evenwicht tussen de belangen van de schuldeiser en de schuldenaar (p. 5) Meer concreet vermeldt de paragraaf inzake bescherming van de schuldenaar dat deze na de feitelijke beslaglegging moet worden geïnformeerd over de blokkering van zijn bankrekening en het recht moet hebben om het bevel te betwisten of het bedrag ervan te laten beperken. Het bijbehorende Commission Staff Working Document noemt artikel 6 van het ECHR en art. 47 van het EU Charter (fair trial) alsmede art. 8 ECHR en art. 7 EU Charter (human dignity and family life) in dit verband. De Commissie voegt hieraan toe dat hieruit voortvloeit dat er een beslagvrije voet moet zijn, een effectieve mogelijkheid tot verweer, en dat de regeling moet voldoen aan de voorwaarden van proportionaliteit. Dit betekent dat maatregelen niet onnodig bezwarend voor de debiteur en derden en niet disproportioneel of vexatoir mogen zijn (p.9).
Commission Staff Working Document, p. 23-24. Genoemd worden: de mogelijkheid om verweer te voeren, het binnen een vastgestelde termijn instellen van de eis in hoofdzaak, het stellen van zekerheid door de beslaglegger, de beslagvrije voet.
De overwegingen (12), (15), (18), (20) en (21), zien respectievelijk op de voorwaarden voor uitvaardiging van een bevel, de mogelijkheid dat de rechter ambtshalve zekerheid van de beslaglegger verlangt zo lang er geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel is, het recht van de beslagene om geïnformeerd te worden over het beslag, hiertegen verweer te kunnen voeren, en tegen alternatieve zekerheid het beslag opgeheven te krijgen, de eerbieding van menselijke waardigheid en privé leven, bescherming van persoonsgegevens en eigendom en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, alsook bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.
Hierbij wordt verwezen naar artikel 47, lid 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Uitgangspunt van het Handvest is het waarborgen van de positie van de private partij ten opzichte van de overheid: de ene private partij kan in beginsel geen beroep doen op rechtstreeks werkende bepalingen van het Handvest ten opzichte van een andere private partij. ‘De tekst van het Handvest – in het bijzonder artikel 51 – wijst in ieder geval niet in de richting van toepassing daarvan tussen private partijen’: Barkhuysen & Bos 2011. Idem: Freudenthal: Het Handvest kan tegen de EU en tegen lidstaten worden ingeroepen, maar ‘uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen’ (Freudenthal 2011). Deze visie wordt ook gevolgd door Nauta, maar deze ziet op grond van eerdere uitspraken van het Gerechtshof van Justitie inzake discriminatie toch enige ruimte in die zin dat niet geheel valt uit te sluiten dat rechtstreeks werkende bepalingen uit het Handvest een horizontale werking zouden kunnen hebben (Nauta 2012).
In de zin dat een verdragsbepaling rechtstreeks van invloed is op de (rechts)verhoudingen tussen particulieren; anders gezegd dat zij leidt tot het ontstaan, de wijziging of het tenietgaan van rechten of verplichtingen in verhoudingen tussen particulieren. Hartkamp 2011/3.
‘Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden’.
Wellicht kan een verklaring hiervoor worden gevonden in de functionele aard van het EU-recht. Aansprekend is in dit verband de stelling van Mak dat nationaal (privaat)recht uitdrukking geeft aan een zekere idee van rechtvaardigheid die in de samenleving wordt nagestreefd, terwijl het EU-recht is daarentegen in principe instrumenteel is aan de ontwikkeling van de interne markt en wordt ingezet om consumenten en ondernemingen te bewegen tot het sluiten van grensoverschrijdende transacties; er is daarmee een deels ander rechtvaardigheidsidee aan de orde dan op nationaal niveau: Mak 2011.
Freudenthal 2011, p. 114
Artikel 17.1 Handvest: ‘Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Aan niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits zijn verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed’ (…).
Dit geldt evenzo voor de bescherming van eigendom zoals opgenomen in artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Hartkamp merkt hierover op dat een vorderingsrecht pas in aanmerking komt voor bescherming van art. 1 Eerste Protocol EVRM indien het gaat om rechten die met voldoende zekerheid in de verkrijging van eigendom (van geld of goederen) zullen resulteren. Er moet te dien aanzien ‘een gerechtvaardigde verwachting’ bestaan (Asser 3-I Europees recht en Nederlands vermogensrecht , §2 Toetsing van privaatrechtelijke wetgeving (en ander overheidshandelen) aan het EVRM. Aangezien in het geval van conservatoir beslag dit vorderings‘recht’ van de beslaglegger staat tegenover het in beginsel vaststaande (sterke) eigendomsrecht van de beslagene, dienen, in mijn visie, bij de afweging van de grondrechten en belangen van de betrokken private partijen, hoge eisen te worden gesteld aan de ‘gerechtvaardigde verwachting’ met betrekking tot het (zwakkere) vorderingsrecht. Hierbij moet gedacht worden aan een indirecte horizontaal beroep op het EVRM.
Freudenthal gebruikt deze term tussen aanhalingstekens, naar ik begrijp ter onderscheiding van tenuitvoerlegging van een uitspraak in een procedure op tegenspraak (het executoriale traject) ten opzichte van de term tenuitvoerlegging die wordt gebezigd voor het feitelijk (doen) leggen van conservatoir beslag (Freudenthal 2011, p. 114). Inderdaad kan het gebruik van de term tenuitvoerlegging voor zowel conservatoire als executoriale omstandigheden verwarrend werken. Het voorstel Europees bankbeslag is hier een goed voorbeeld van.
Hierbij wordt verwezen naar artikel 47, lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie hiervoor paragraaf 10.5.
Visie van de Europese Commissie: Commission Staff Working Document bij het Groenboek bankbeslag, p. 9.
Op grond van het Nederlandse onderzoek is aan te nemen dat dit in de meerderheid van de gevallen zo zal zijn. Zie paragraaf 5.5.1.
Het voorstel voor een Europees bankbeslag vloeit voort uit een reeds langer lopende en bredere ontwikkeling, die is gericht op verbetering van de mogelijkheden van tenuitvoerlegging (in de zin van een efficiëntie) op Europees niveau. Reeds in de eerste initiatieven is er, naast zorg over de rechten van de crediteur op voldoening van diens vordering, in ieder geval op papier, ook bij het Europees Parlement sprake van aandacht voor de rechten van de debiteur en betrokken derden.1 Al eerder werd in het rechtsvergelijkend Hess-onderzoek gesteld dat meer specifiek op grond van het proportionaliteitsbeginsel tegengestelde rechten en belangen van de betrokken partijen in balans dienen te zijn: tenuitvoerleggingsmaatregelen mogen niet onnodig bezwarend of vexatoir van aard zijn.2 Het toenmalige Groenboek bankbeslag noemt met name de situatie van de behandeling van een verzoek tot beslaglegging, dat is ingediend vóór het instellen van de hoofdprocedure, als het gaat om een adequate bescherming van de belangen van de schuldenaar.3 De Europese Commissie stelt in het bijbehorende Commission Staff Working Document dat een adequate bescherming van de debiteur, zeker indien het verlof ex-parte wordt verleend, een van de meest cruciale aspecten is en zeer zorgvuldige overweging vraagt.4 Ook in de overwegingen en de toelichting bij het uiteindelijke voorstel Europees beslag op bankrekeningen komt de verhouding tussen beslaglegger en beslagene enkele malen uitdrukkelijk aan de orde.5 De toelichting bevat een aparte paragraaf inzake grondrechten. Door een snelle en goedkope Europese procedure voor conservatoir beslag op bankrekeningen verbetert het recht van de schuldeiser op een doeltreffende tenuitvoerlegging van zijn vorderingen, aldus de toelichting, welke in dit verband verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).6 Nog los van de omstandigheid dat de bepalingen van het Handvest in beginsel slechts in geschillen tussen een private partij en de overheid hebben te gelden7 en daarmee geen directe horizontale werking hebben,8 kan naar mijn mening op grond van de tekst van de eerste alinea van artikel 47 Handvest,9 waarnaar verwezen wordt, een vraagteken worden geplaatst bij de eenzijdige toepassing hiervan in het voorstel Europees bankbeslag. Buiten dat ziet artikel 47 Handvest, eerste alinea op rechten en vrijheden die zijn geschonden, in welk geval een recht op een doeltreffende voorziening in rechte bestaat. In het geval van conservatoir beslag is nu juist (nog) geen sprake van tenuitvoerlegging omdat niet vaststaat dat er sprake is van een schending van een recht van de beslaglegger: in het geval van een ex-parte procedure ter verkrijging van een EAPO is slechts sprake van een vermeende vordering op basis van stellingen van uitsluitend de beslaglegger. Men zou eerder menen dat de beslagene rechten aan deze bepaling zou moeten ontlenen: op diens eigendom wordt immers tastbaar een inbreuk gemaakt door beslaglegging in verband met een niet in rechte vaststaand ‘recht’. Ik zou menen dat bij bespreking van grondrechten in relatie tot een Europees bankbeslag vermelding van een recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor de beslagene eerder aan de orde is. De betreffende paragraaf in de toelichting beperkt zich vreemd genoeg echter tot de positie van de beslaglegger en diens rechten.10
Ik realiseer mij dat naar de tegenover elkaar staande rechten van beslaglegger en beslagene vanuit verschillend perspectief kan worden gekeken. Indien men, zoals Freudenthal, de redenering start bij erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen als een principieel recht van iedere burger, kan inderdaad daaraan verbonden worden dat een effectieve juridische bescherming een loze kreet wordt, indien de toegang tot de rechter weliswaar effectief is, maar de in het gelijk gestelde partij haar recht niet of slechts met grote hindernissen kan realiseren. Dit is de reden waarom de Commissie probeert onder meer met het voorstel Europees bankbeslag ook in te grijpen in de fase van tenuitvoerlegging, aldus deze auteur.11 Alhoewel deze redenering te volgen is, ontbreekt hierin naar mijn mening een belangrijk aspect. Dit betreft het recht op eigendom, vastgelegd als grondrecht in artikel 17 van het Handvest,12 dat twee kanten op werkt (van de beslaglegger èn van de beslagene).13 Het feit dat conservatoir beslag in de benadering geleidelijk en ‘gemakshalve’ binnen het bereik van de ‘daadwerkelijke tenuitvoerlegging’14 wordt getrokken is elementair onjuist en naar mijn mening in strijd met het eigendomsrecht van de beslagene. De grondrechten van de beslaglegger op een doeltreffende voorziening, bedoeld om het eigendomsrecht (of liever: vermeende vorderingsrecht) van de beslaglegger veilig te stellen staat in dit stadium tegenover de grondrechten van de beslagene op ongestoord eigendom. In deze fase is er geen sprake van een vaststaand eigendomsrecht van de beslaglegger, de beslagene daarentegen heeft in beginsel wel een vaststaand recht op ongestoord eigendom. Dit pleit derhalve voor een vergaande bescherming van de partij met het vooralsnog sterkste recht, namelijk dat van de rechthebbende op het banktegoed.
Conservatoir beslag benaderen als ware sprake van een situatie van ‘daadwerkelijke tenuitvoerlegging’ heeft het omgekeerde tot gevolg omdat een ex-parte af te geven voorlopige voorziening wordt benaderd vanuit het referentiekader van een procedure op tegenspraak. Het voorstel Europees bankbeslag plaatst conservatoir beslag binnen de regeling alsof de veroordeling tot betaling in rechte al een feit is. Naar mijn mening is hier sprake van een elementaire fout in benadering.
De toelichting op het voorstel Europees bankbeslag stelt met betrekking tot de rechten van een schuldenaar dat deze worden gewaarborgd in volledige overeenstemming met de vereisten van het recht op een eerlijk proces15 en het recht op eerbiediging van het familie leven.16 Dit klinkt zeer stellig, maar is dat wel zo? Ik zou menen dat dit zeer kwestieus is omdat de vordering waarvoor een bevel wordt afgegeven niet in rechte vast staat, de aanvraagprocedure ex-parte is, geen ruimte biedt om de beoogd beslagene te horen, niet verplicht tot het vermelden van gegevens over verweer en bovendien niet duidelijk is hoe de behandeling van een heroverweging plaatsvindt. De heroverwegingsprocedure zelf is onduidelijk, voorziet vooralsnog niet in een gelegenheid om de debiteur te horen en kent geen bepaling die de mogelijkheid schept een verzoek aan te vullen of te corrigeren.17 De eerbiediging van familieleven leidt ertoe dat een bepaald bedrag voor levensonderhoud van de schuldenaar en diens familie niet onder het beslag valt.18 Op grond van artikel 32 voorstel Europees bankbeslag inzake een beslagvrije voet is het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging (daar waar de bankrekening beslagen wordt) bepalend of een beslagvrije voet van toepassing. Dit betekent dat aan een dergelijke waarborg, indien het nationale recht zo een regeling niet kent in het geval van beslag op bankrekeningen (zoals in Nederland), geen enkele waarde kan worden toegekend. Artikel 32.1 voorstel Europees bankbeslag kent een breder toepassingsgebied dan alleen natuurlijke personen: indien de verweerder een rechtspersoon is19 zijn de bedragen, noodzakelijk om de normale bedrijfsvoering voort te zetten, niet vatbaar voor beslag. Omdat het Nederlandse rechtssysteem niet in een dergelijke regeling voorziet zal de beslagen Nederlandse rechtspersoon met een bankrekening in Nederland dus geen beroep op deze waarborg kunnen doen.