Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.2.4
3.2.4 Natrekking: regels van dwingend recht?
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644883:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Opzoomer/Goudeket III (1911), p. 110; Land II (1901), p. 18.
Diephuis VI (1886), p. 33-36; Asser/Scholten (1945), p. 135; Hofmann (1944), p. 149-151.
Art. 553 Cc: « Toutes constructions, plantations et ouvrages sur un terrain ou dans l’intérieur sont présumés faits par le propriétaire à ses frais et lui appartenir, si le contraire n’est prouvé ; sans préjudice de la propriété qu’un tiers pourrait avoir acquise ou pourrait acquérir par prescription soit d’un souterrain sous le bâtiment d’autrui, soit de toute autre partie du bâtiment. » “Alle gebouwen, beplantingen, en andere werken op of binnen den grond, worden geoordeeld door den eigenaar op zijne kosten geschied te zijn, en aan hem toe te behooren, indien het tegendeel niet bewezen wordt; onverminderd nogthans den eigendom, welken een derde door verjaring verkregen zoude mogen hebben, of nog zoude mogen verkrijgen, hetzij op een onderaardsch gewelf of gang, onder eens anders gebouw, hetzij op eenig ander gedeelte van het gebouw zelve” (Vertaling: Wetboek Napoleon, vertaald naar de officiële uitgave, te Amsterdam, bij Johannes Allart, MDCCCX).
Gerbrandy DNV II (1957-1958), p. 23: “De gehele kwestie van de accessie is een zaak van redelijkheid en billijkheid.”
Scholten (1945), p. 135.
Diephuis VI (1886), p. 55-56.
HR 16 mei 1884, W 5035: “( …) er is geen de minste grond om aan te nemen, dat het beginsel, uitgedrukt in artt 626 en 656 BW, tot de openbare orde zou behooren, zoodat daarvan bij overeenkomst niet zou mogen worden afgeweken, maar dat het integendeel den grondeigenaar volkomen vrij staat om aan een ander vergunning te verleenen om op zijn grond te bouwen of te planten, met dat gevolg, dat die andere eigenaar wordt van het door hem gebouwde of geplante, zoodat noch de genoemde wetsartikelen, noch een der overige aangehaalde artikelen, zijn geschonden of verkeerd toegepast.” Zie hierover uitgebreid en met verwijzing naar rechtspraak uit de 19e eeuw: Ploeger, GrOM/1996, p. 6.
Diephuis I (1885), p. 439.
HR 30 oktober 1914, NJ 1914, 1328; ECLI:NL:HR:1914:10. Overigens had vóór dit arrest de Hoge Raad in 1903 al een “draai” gemaakt, door te beslissen dat een enkele overeenkomst nog niet de superficies-regel kon doorbreken. Zie HR 4 december 1903, W. 8004 (Arena-arrest). Zie daarover: Ploeger, GrOM/1996, p. 6-7.
Art. 761 OBW: “Zoo lang het regt van opstal duurt, kan de grondeigenaar degene die dat regt heeft niet beletten de gebouwen en andere werken te sloopen, of de beplantingen te rooijen, en een en ander weg te nemen, mits laatstgemelde den prijs daarvan, tijdens het verkrijgen van het regt van opstal, hebbe voldaan, of wel de gebouwen, werken en beplantingen door hemzelven gesteld of gemaakt zijn, en voorbehoudens dat de grond zal moeten worden hersteld in den staat waarin dezelve zich vóór het opbouwen of beplanten bevond.”
Art. 772 OBW: “Bij het eindigen van zijn regt, kan hij wegnemen alle zoodanige door hem gestelde gebouwen of gemaakte beplantingen, waartoe hij, uit kracht der overeenkomst, niet gehouden was; doch hij is verpligt de schade te vergoeden welke door dat wegnemen aan den grond mogt veroorzaakt zijn. Niettemin heeft de grondeigenaar regt van terughouding op die voorwerpen, tot dat de erfpachter hem het verschuldigde volledig voldaan heeft.”
Art. 656 OBW: “Al hetgeen op een erf gebouwd is, behoort aan de grondeigenaar, mits het gebouwde met den grond vereenigd zij; behoudens de wijzigingen in artikel 658 en 659 voorkomende.”
Diephuis VI (1886), p. 77.
Zie bijvoorbeeld het nog te bespreken sleepboot Egbertha-arrest, HR 26 maart 1936, NJ 1936, 757; ECLI:NL:NR:1936:158.
In de tweede helft van de negentiende eeuw barstte een discussie los of partijen bij overeenkomst al dan niet van de natrekkingsregels konden afwijken. Hierin stond de vraag centraal of de natrekkingsartikelen over de grond en de daarop bevindende opstallen (art. 626, 655 en 656 OBW) in overeenstemming met het Franse of het Romeinse recht moesten worden uitgelegd. De aanhangers van de “Romeinsrechtelijke leer”, met als aanvoerder Opzoomer, stelden dat de grond en de opstal één zaak vormden, waardoor de opstal in eigendom toebehoorde aan de grondeigenaar. Hiervan kon per overeenkomst niet worden afgeweken.1 Hiertegenover stonden de aanhangers van de “Franse visie”, met Diephuis als kapitein.2 De natrekkingsregels uit de Franse Code civil (Cc) waren (en zijn) niet van dwingend recht. Ze stelden slechts dat de eigenaar van de grond vermoed werd eigenaar te zijn van alles wat met de grond verbonden was.3 Hetzelfde zou gelden voor de natrekkingsregels onder het OBW.4 De grondeigenaar werd verondersteld eigenaar te zijn van de opstallen, maar tegen dit “basisvermoeden” was tegenbewijs mogelijk. Het vermoeden was een wettelijk vermoeden. Het (vermoedelijke) eigendomsrecht moest echter wijken voor contractuele afspraken.5 De bepalingen van de artikelen 626 en 656 OBW waren in deze visie bijvoorbeeld niet van toepassing als partijen afspraken dat wat op de grond gebouwd werd niet aan de eigenaar van de grond toekwam, maar aan de bouwer.
“Zoo vinden wij ook in de bepalingen omtrent natrekking wel wettelijke regelen, maar geene onvoorwaardelijk geldende, altijd en overal toepasselijke regelen (…).”6
De “Franse visie” leek aanvankelijk te winnen van de Romeinsrechtelijke interpretatie, aangezien ook de Hoge Raad haar aanhing.7 Degene die bijvoorbeeld beweerde dat een zaak tijdelijk was verbonden met de grond of een gebouw en daarmee de natrekking wilde ontkrachten, was gehouden het bewijs te leveren.8 De Hoge Raad oordeelde in 1914 dat een eigenaar van een huis ook eigenaar werd van de uitbouw die de huurder aan het huis had gebouwd. Deze uitbouw kon zonder braak niet van het huis worden gescheiden en, zo vervolgde de Hoge Raad, over de eigendomsverhouding was “tusschen partijen ook niets overeengekomen”, waardoor de huurder geen eigenaar was geworden van het door hem gebouwde.9
Een verbinding tussen twee of meer zaken had derhalve niet per definitie het tenietgaan van zakelijke rechten tot gevolg. De oorspronkelijke zakelijke rechten konden continueren, bijvoorbeeld omdat contractuele afspraken hierover waren gemaakt. Ook als een zaak in de uitoefening van een (zakelijk) recht verbonden werd met de grond had er niet altijd natrekking plaats. Een opstalgerechtigde10 of een erfpachter11 bleven immers eigenaar van de zaken die zij aan de grond hadden toegevoegd. Zij konden de toegevoegde zaken afscheiden, mits zij de grond in de oude toestand herstelden. Voorts bepaalde art. 656 OBW12 dat alles wat op een erf was gebouwd aan de eigenaar van de grond toekwam, op voorwaarde dat het gebouwde met de grond was verenigd. Dat laatste wilde zeggen, dat het bouwsel aan of in de grond moest zijn bevestigd.13 Deze regel was dus bijvoorbeeld niet van toepassing op een kar die op de grond stond.
In de twintigste eeuw zag een groeiende groep juristen, en met name ook de rechtspraak, de regels omtrent natrekking als regels van dwingend recht.14 De Romeinsrechtelijke visie bleek taaier dan gedacht.