HR, 11-10-2013, nr. 12/02322
ECLI:NL:HR:2013:842, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-10-2013
- Zaaknummer
12/02322
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑10‑2013
ECLI:NL:HR:2013:842, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑10‑2013; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHLEE:2012:BW0526, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑09‑2013
- Vindplaatsen
NTFR 2013/2038 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
FutD 2013-2498
Viditax (FutD) 2013101112
Beroepschrift 11‑10‑2013
Middel 1
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed in r.o. 4.19. heeft geoordeeld dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs en evenmin gebleken is van een schending van internationaal recht en er daarom geen reden is om de microfiches als bewijsmateriaal uit te sluiten.
Toelichting
1.1.
Het Gerechtshof heeft in r.o. 4.11. vastgesteld dat het Belgische Hof van Cassatie in zijn arrest van 31 mei 2011 heeft uitgesproken dat de Belgische Staat door middel van een gesimuleerde huiszoeking de beschikking heeft verkregen over de microfiches zodat de Staat niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar strafrechtelijke velvoiging.
1.2.
Het Gerechtshof heeft vervolgens in r.o. 4.12 overwogen dat ook al heeft de Belgische Staat naar Belgisch recht de microfiches op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen, er dan nog geen aanwijzing bestaat dat de Belgische overheid zelf de hand heeft gehad in de ontvreemding van de microfiches.
1.3.
Belanghebbende zou — aldus het Hof in r.o 4.12 — onvoldoende gegevens hebben aangedragen waaruit zou volgen dat de Nederlandse belastingautoriteiten bij de verkrijging van de gegevens van de Belgische overheid een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen heeft geschonden dat het instellen van nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geoordeeld. Het Hof heeft daarom in r.o. 4.12 mede gelet op de arresten van uw Raad van 14 november 2006 (nr. 02324/05, LJN AX7471) en 21 maart 2008 (nr. 43050, LJN BA8179) geoordeeld, dat de Nederlandse Belastingdienst de microfiches niet op een wijze verkregen heeft die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht.
1.4.
In r.o. 4.13 heeft het Hof vastgesteld, dat volgens de stellingen van belanghebbende bij het verkrijgen van het bewijs het internationale vertrouwensbeginsel is geschonden.
1.5.
In r.o.4,18 heeft het Hof dit beroep op het internationaal vertrouwensbeginsel ongegrond verklaard, omdat belanghebbende tegenover de betwisting door de inspecteur waaruit volgt dat de inspecteur andere rechtsregels bij de verkrijging van de microfiches heeft geschonden dan waaraan het Hof in r.o. 4.12 — dus in verband met de ontvreemding en niet in verband met de gesimuleerde huiszoeking — had getoetst.
1.6.
Belanghebbende had getuigenbewijs aangeboden in de vorm van het horen van de Belgische advocaat [B] en [D]. De redenen waarom deze getuigen uiteindelijk niet zijn gehoord blijken genoegzaam uit de bestreden uitspraak.
1.7.
Het Hof Is blijkens hetgeen in de rechtsoverwegingen 4.12. tot en met 4.19 is vastgelegd van een verkeerde lezing van de stellingen van belanghebbende uitgegaan en wei dat belanghebbende gesteld zou hebben dat Belgische overheidsambtenaren betrokken zouden zijn geweest bij de ontvreemding van de microfiches.
1.8.
Belanghebbende heeft ten aanzien van de microfiches een onderscheid gemaakt tussen ‘twee verkrijgingen’, namelijk de ontvreemding van de microfiches die het Hof in r.o. 4.12. noemt, en de gesimuleerde huiszoeking die het Hof in r.o. 4.11. noemt.
1.9.
Belanghebbende heeft nimmer gesteld, dat de Belgische overheid zelf de hand heeft gehad in de ontvreemding van de microfiches. Belanghebbende heeft echter steeds gesteld, dat de Belgische overheid wel de hand heeft gehad in de gesimuleerde huiszoeking waardoor zoals door het Hof zelf nu op basis van de uitspraak van het Belgische Hof van Cassatie is vastgesteld, de Belgische Staat en dus Belgische overheidsambtenaren op onrechtmatige wijze de beschikking hebben gekregen over de litigieuze microfiches.
1.10.
Het getuigenaanbod van belanghebbende om [B] en [D] horen had ook geen betrekking op enige betrokkenheid van Belgische overheidsambtenaren bij de ontvreemding van de microfiches, maar op de betrokkenheid bij de gesimuleerde huiszoeking. [B] was advocaat in de zaak die geleid heeft tot de voormelde uitspraak van het Belgische Hof van Cassatie. [D] had tijdens een van zijn onderzoekingen in België contact gehad met [E]. Deze had aan [D] aangegeven, dat hij hem kon vertellen wat er werkelijk gebeurd was. [D] heeft dit ook verklaard in een procedure in het Rekeningenproject voor de rechtbank Haarlem met kenmerk AWB 05/6423. [D] is niet op dat aanbod ingegaan omdat de microfiches — althans de fotokopieën daarvan — inmiddels op formeel correcte wijze waren verkregen.
1.11.
De door belanghebbende gestelde schending van het internationale vertrouwensbeginsel had dan ook evenmin betrekking op de ontvreemding van de microfiches, maar op de gesimuleerde huiszoeking.
1.12.
Het Hof is daardoor op verkeerde gronden in r.o. 4.19 tot het oordeel gekomen dat er geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, dat er evenmin sprake is van een schending van het internationaal recht en dat er geen reden zou zijn om de microfiches als bewijsmiddel uit te sluiten.
Middel 2
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in r.o. 4.22. uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 Juni 2009.
Toelichting
2.1.
Het Hof heeft in r.o. 4.22. ten onrechte vastgesteld, dat blijkens het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009 de artikelen 49 en 56 van het EU-verdrag zich er in geval dat de belastingautoriteiten beschikken over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden in een andere lidstaat en naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opleggen na het verstrijken van de termijn die geldt met betrekking tot de tegoeden in de eigen staat, de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer moet worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedeelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met
- (i)
het verkrijger van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens
- (ii)
het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen vaneen aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.
Dit zijn de criterla die uw Raad in de anesten van 26 februari 2010 heeft geformuleerd.
2.2.
Het Hof van Justitie heeft in de gevallen waarbij de belastingdienst over aanwijzingen beschikt voor in een andere lidstaat opgekomen inkomen en vermogen echter het navolgende geoordeeld:
‘Wanneer de belastingautoriteiten van een lidstaat over aanwijzingen beschikken op basis waarvan zij zich tot de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten hadden kunnen wenden, hetzij via de in richtlijn 77/799 neergelegde regeling voor wederzijdse bijstand hetzij via de regeling van bilaterale overeenkomsten, met het verzoek om mededeling van de inlichtingen die hun van nut zijn voor de juiste vaststelling van de belastingschuld, is — zoals verzoekers in de hoofdgedingen stellen — het loutere feit dat de betrokken belastbare bestanddelen in andere lidstaten zijn ondergebracht, immers geen rechtvaardiging voor de algemene toepassing van een bijkomende navorderingstermijn die niet afhankelijk is van de tijd die noodzakelijkerwijs moet verlopen om op nuttige wijze gebruik te maken van deze regelingen voor wederzijdse bijstand.’
2.3.
De beperking van het vrije verkeer die voortvloeit uit het feit, dat de wegens de spaartegoeden in een andere lidstaat opgelegde navorderingsaanslag wordt opgelegd na het verloop van de termijn die voor binnenlandse tegoeden geldt is alleen aanvaardbaar voor zover het tijdsverloop na het verstrijken van die binnenlandse termijn noodzakelijk was voor het nuttig gebruik van de regelingen voor wederzijdse bijstand en niet voor enig ander binnenlands onderzoek.
2.4.
Het enige verschil met een situatie die louter betrekking heeft op spaartegoeden in de eigen lidstaat is dat er zo nodig onderzoek in andere lidstaten moet worden gedaan en daartoe gebruik gemaakt moet kunnen worden van binnen de EU toepasselijke regelingen van wederzijdse bijstand. Het Hof van Justitie heeft voor die situatie uitgemaakt dat artikel 49 en 56 van het EG verdrag zich niet verzetten tegen het toepassen van de verlengde navorderingstermijn voor het nuttig gebruik van de regelingen van wederzijdse bijstand. Voor het overige is er geen verschil en moeten deze buitenland gevallen op dezelfde wijze als zuivere binnenland gevallen worden behandeld en dient dus de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar te worden aangehouden.
2.5.
Ter illustratie moge dienen het binnenland geval, waarbij de belastingdienst kort voor het verstrijken van de navorderingstermijn van vijf jaar informatie verkrijgt Waartuit blijkt dat inkomen en vermogen niet is aangegeven. De inspecteur is dan gehouden om nog binnen de termijn van vijf jaar de navorderingsaanslag op te leggen. Hij dient zo mogelijk nog voor het verstrijken van deze termijn de inlichtingen te verkrijgen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en de navorderingsaanslag voor te bereiden en — desnoods op basis van een redelijke schatting — vast te stellen aan de hand van de beschikbare gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.
2.6.
Op grond van de uitspraak van het Hof van Justitie is het niet toegestaan dat een verder identiek buitenland geval anders wordt behandeld. In beginsel dient de navorderingsaanslag binnen de navorderingstermijn van vijf jaar te worden opgelegd, behoudens voor zover er een — nuttig — gebruik gemaakt moet worden van de regelingen van wederzijdse bijstand. Slechts het gebruik van deze regelingen van wederzijdse bijstand mag een oorzaak zijn voor een bijkomende navorderingstermijn. Als men die oorzaak als het ware wegdenkt moet dat er in resulteren, dat de betreffende navorderingsaanslag binnen de navorderingstermijn zou zijn opgelegd.
2.7.
Die extra tijd mag niet gebruikt worden voor andersoortig binnenlands onderzoek.
2.8.
In casu beschikte de inspecteur uiterlijk op enige datum in 2001 op het moment dat belanghebbende geïdentificeerd was als de op het microfiche vermelde rekeninghouder bij de KB-Lux over de gegevens dat deze tegoeden in het buitenland zou houden. Voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 1997 en VB 1996 tot en met 1998 geldt derhalve dat de belastingdienst al binnen de termijn van vijf jaar beschikte over de gegevens inzake de bij de KB-Lux aangehouden tegoeden. Ten aanzien van deze navorderingsaanslagen geldt derhalve dat deze alleen met gebruik van de verlengde termijn opgelegd hadden mogen worden voor zover dat noodzakelijkerwijs voortvloeide uit het benutten van de regelingen van wederzijdse bijstand. In casu is dat niet het geval geweest. Het Hof had deze navorderingsaanslagen moeten vernietigen en heeft dat ten onrechte nagelaten.
Middel 3
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen dan wel, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in r.o. 4.1. heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil zou zijn dat de microfiches gegevens bevatten van houders van rekeningen bij KB-Lux.
Toelichting
3.1.
Het Hof noch de betrokken partijen hebben ooit kennis kunnen nemen van de microfiches als zodanig: De inspecteur heeft alleen van de Belgische belastingdienst afkomstige kopieën overgelegd die volgens de stelling van de inspecteur van microfiches zouden zijn gemaakt met daarop gegevens die afkomstig zouden zijn van de KB-Lux.
3.2.
Belanghebbende kan derhalve nooit hebben erkend dat de microfiches gegevens zouden bevatten van houders van rekeningen bij dé KB-Lux.
3.3.
Bovendien heeft belanghebbende de identificatie betwist (vide r.o. 4.3.) van de bestreden uitspraak.
3.4.
Die microfiches zijn ook voor de verdediging van belanghebbende van belang omdat hij alleen bij kennisneming daarvan kan vaststellen in hoeverre deze authentiek zijn en in hoeverre de door de Inspecteur overgelegde kopieën daadwerkelijk met die microfiches overeenstemmen.
3.5.
Uit het voorgaande volgt, dat ook de microfiches als zodanig moeten worden aangemerkt als ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’.
3.6.
Het Hof had de Inspecteur dan ook moeten verzoeken om deze microfiches in de procedure te overleggen.
3.7.
Gelet op het feit, dat de litigieuze navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen zijn voortgevloeid uit de van de microfiches afgeleide gegevens, zijn deze microfiches van belang geweest voor de besluitvorming in de zaak van belanghebbende. Gelet op de uitspraak van uw Raad van 25 april 2008 (LJN:BB5868) zou de Inspecteur die microfiches ook hebber moeten overleggen Indien het Hof dat verzocht zou hebben.
3.8.
Het Hof heeft dit echter nagelaten en heeft daardoor — met name ook omdat ook de aan belanghebbende opgelegde boetes zijn gebaseerd de in het microfiche vastgelegde gegevens — het in artikel 6 EVRM vervatte verdedigingsrecht van belanghebbende geschonden.
Middel 4
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen dan wel, waarvan de niet-Inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in r.o. 4.40. met betrekking tot de boeten van oordeel is dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat voor de jaren 1990 tot en met 2000 het saldo van de KB-Lux-rekeningen tenminste gelijk gebleven is.
Toelichting
4.1.
Uw Raad heeft met betrekking tot het voor de boeten door de Inspecteur te leveren bewijs in het arrest van 15 april 2011 (nr. 09/03075 LJN: BN6324), gesteld:
‘4.8.4.
In gevallen als het onderhavlge beschikt de Inspecteur over een gegevensdrager waaruit is afgeleid dat de belanghebbende op 31 januari 1994 rechthebbende was tot een saldo van een bepaalde hoogte bij KB-Lux, en heeft de belanghebbende veelal geen opening, van zaken gegeven. Indien verder rechtstreeks bewijs ontbreekt, zal dan voor elk van de jaren waarvoor een boete is opgelegd dienen te worden beoordeeld of (a) uit die gegevensdrager van 1994 zelf voldoende overtuigend bewijs voortvloeit dat het feit is gepleegd dan wel (b) dat daaraan, zo nodig in combinatie met andere vaststaande gegevens, een dusdanig vermoeden kan worden ontleend van het plegen van een beboetbaar feit voor (ook) het desbetreffende Jaar, dat aan het zwijgen van den belanghebbende het gevolg mag worden verbonden dat hierboven onder 4.8.3, slótzin, is bedoeld. Hierbij verdient het volgende opmerking:
- (I)
een vermoeden ontleend aan gegevens van meewerkers zoals het Hof dat in ander verband in de onderdelen 5.3.1. — 5.3.3. van zijn uitspraak heeft gebezigd, Is voor beboetlngsdoelelnden niet bruikbaar, nu die gegevens geen voldoende sterke aanwijzingen geven met betrekking tot de vraag of belanghebbende persoonlijk In de desbetreffende Jaren een rekening aanhield;
- (II)
de omstandigheid dat een belanghebbende op 31 Januari 1994 enig banktegoed aanhield kan niet zonder aanvullend bewijs, zoals ervarlngsregels, een vermoeden rechtvaardigen dat die belanghebbende ook In andere Jaren een banktegoed heeft aangehouden;
- (III)
bij de vraag of een vermoeden van het aanhouden van een barktegoed in andere jaren dan 1994 gerechtvaardigd is, kan voor beboetingsdoelelnden niet worden voortgebouwd op een. gerechtvaardigd geacht vermoeden ten aanzien van een ander jaar, en kan derhalve slechts warden uitgegaan van de omstandigheid dat de belanghebbende op een bepaald moment — 31 Januari 1994 — een aantoonbaar banktegoed aanhield;
- (Iv)
bij de beoordeling spelen ook de omstandigheden van het geval een rol, zoals de hoogte van het op 31 Januari 1994 aangetroffen saldo (mede met het oog op de rentevrijstelling in het desbetreffende Jaar) en de aard en/of het doel van de rekening waarop dat saldo zich bevond.’
4.2.
Het Hof heeft in r.o. 4.37. en r.o. 4.38. vastgesteld dat op 31 januari 1994 het in Nederlandse guldens omgegerekende saldo ƒ 438.465,92 zou hebben bedragen. Het Hóf heeft dit saldo zo hoog geacht, dat dit zonder bijzondere omstandigheden niet kort voor 31 januari 1994 zou kunnen zijn ontstaan of kort na die datum kan zijn uitgegeven. Het Hof heeft bovendien op basis van mededelingen van de Inspecteur vastgesteld dat de aard van de rekeningen en de spaarrekening/deposito erop wezen dat belanghebbende deze rekeningen voor langere tijd wilden aanhouden.
4.3.
Het Hof heeft in r.o. 4.38. ten onrechte en onjuist vastgesteld, dat belanghebbende een en ander niet zou hebben weersproken. Belanghebbende heeft Immers ontkend een rekening te hebben aangehouden bij de KB-Lux en heeft daarmee ook weersproken dat hij voo[…] bij de KB-Lux aan wilde houden.
4.4.
Het Hof heeft daarom ten onrechte, althans zonder draagkrachtige motivering in het kader van het voor de boete vereiste bewijs aannemelijk geacht dat belanghebbende in de litigieuze jaren een saldo van minstens ƒ 438.465,92 op een rekening bij de KB-Lux zou hebben aangehouden
Middel 5
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen dan wel, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof door in r.o. 4.42. kwijtschelding te verlenen van de door de Inspecteur herberekende verhogingen van 5% en de door de Inspecteur herberekende boeten met 5% te verlagen uitgegaan is van een onbegrijpelijke boetegrondslag.
Toelichting
5.1.
Het Hof heeft vastgesteld dat de Inspecteur alleen maar aannemelijk heeft gemaakt, dat het saldo in de litigieuze Jaren ƒ 438.465,92 is gebleven en niet het verloop heeft gehad dat ten grondslag is gelegd aan de redelijke schattingen die hebben geleid tot de voor de betreffende jaren opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en vermogensbelasting.
5.2.
Het Hof heeft door de verhogingen met 5% kwijt te schelden en de boetes met 5% te verlagen niettemin het saldoverloop dat ten grondslag was gelegd aan de redelijke schattingen aan de verhogingen en boeten ten grondslag gelegd.
5.3.
Dat oordeel van het Hof is onbegrijpelijk omdat het Hof aannemelijk heeft geacht, dat het saldo voor alle jaren ƒ 438.465,92 heeft bedragen en het Hof aan de verhogingen en boeten het saldoverloop ten grondslag moeten leggen, waarbij het saldo voor alle jaren ƒ 438.465,92 bedragen zou hebben.
Conclusie:
Op grond van het bovenstaande ben ik van oordeel, dat de zienswijze van het Hof op een onjuiste rechtsopvatting berust.
Met het vorenstaande moge lk uw Raad in overweging geven het beroep gegrond te verklaren, de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 27 maart 2012 met als kenmerk de nummers BK 04/00630 tot en met BK 04/00632 te vernietigen en om uitspraak te doen zoals het Gerechtshof 's‑Gravenhage had behoren te doen.
Voorts verzoek ik uw Raad om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
Hoogachtend,
Uitspraak 11‑10‑2013
Inhoudsindicatie
KB-Lux. Bewijs beboetbare feiten.
Partij(en)
11 oktober 2013
nr. 12/02322
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 27 maart 2012, nrs. 04/00630 tot en met 04/00632, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1990 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde belastingaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB), de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
2.1.
De bestreden navorderingsaanslagen, boeten en verhogingen, en beschikkingen inzake heffingsrente houden verband met het zogenoemde Rekeningenproject.
2.2. ’
s Hofs uitspraak geeft wat betreft de verhogingen ter zake van de IB/PVV over de jaren 1990 tot en met 1992 en de VB over de jaren 1991 tot en met 1993 blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in onderdeel 3.8.4 van het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207 (hierna: het arrest van 28 juni 2013). Middel 4 slaagt derhalve in zoverre.
2.3.
De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen
3.1.
Middel I behelst de klacht dat het Hof zijn oordeel in onderdeel 4.32 van zijn uitspraak inzake de voor de heffing vastgestelde belastbare vermogens niet op correcte wijze heeft overgenomen in onderdeel 6 (“Beslissing”) van de uitspraak.
3.2.
Het Hof heeft in onderdeel 4.32 van zijn uitspraak geoordeeld dat de Inspecteur de belastbare inkomsten en vermogens niet onredelijk heeft geschat en dat het Hof zal uitgaan van de bedragen van de (navorderings)aanslagen IB/PVV en VB zoals die zijn genoemd in de bijlage bij de door de Inspecteur voor het Hof overgelegde conclusie van dupliek. In onderdeel 6 van de uitspraak is het Hof echter wat betreft de navorderingsaanslagen VB niet uitgegaan van deze bedragen maar van de in onderdeel 4.45 van de uitspraak in het kader van de boeten minimaal aannemelijk geachte correcties en de daarbij behorende belastbare vermogens. Het middel slaagt derhalve.
3.3.
Middel II kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
4.1.
Gelet op het hiervoor in de onderdelen 2.2 en 3.2 overwogene, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.2.
De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat de Inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit met betrekking tot de verhogingen ter zake van de IB/PVV over de jaren 1990 tot en met 1992 en de VB over de jaren 1991 tot en met 1993 op andere wijze dan door middel van een bewijsvermoeden heeft geleverd, zoals bedoeld in onderdeel 3.8.5 van het arrest van 28 juni 2013. Deze verhogingen dienen daarom volledig te worden kwijtgescholden.
4.3.
De navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1994 tot en met 2000 dienen te worden verminderd tot aanslagen berekend overeenkomstig het oordeel van het Hof in onderdeel 4.32 van zijn uitspraak.
5. Proceskosten
Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof wat betreft de verhogingen ter zake van de IB/PVV 1990 tot en met 1992 en VB 1991 tot en met 1993,
vernietigt de daarop betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur,
scheldt de verhogingen ter zake van de IB/PVV 1990 tot en met 1992 en VB 1991 tot en met 1993 kwijt,
vernietigt de uitspraak van het Hof voor het overige uitsluitend wat betreft de belastingaanslagen inzake de VB over de jaren 1994 tot en met 2000,
vernietigt de uitspraken van de Inspecteur in zoverre,
vermindert die belastingaanslagen tot aanslagen naar een belastbare som van:
- voor het jaar 1994: ƒ 277.000,
- voor het jaar 1995: ƒ 237.000,
- voor het jaar 1996: ƒ 240.000,
- voor het jaar 1997: ƒ 286.000,
- voor het jaar 1998: ƒ 303.000,
- voor het jaar 1999: ƒ 356.000,
- voor het jaar 2000: ƒ 254.000,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 115, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1888 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2013.
Beroepschrift 18‑09‑2013
Den Haag, [18 SEP 2012]
Kenmerk: DGB 2012–5611
Incidenteel beroepschrift in cassatie (rolnummer 12/02322) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 27 maart 2012, nr. 04/00630 t/m 04/00632, inzake [X] te [Z] betreffende de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1990 tot en met 2000 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting voor de jaren 1991 tot en met 2000.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middel van cassatie draag ik voor:
I
Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht doordat het Hof zijn oordeel inzake de voor de heffing in r.o. 4.32 vastgestelde belastbare vermogens niet op correcte wijze heeft overgenomen in onderdeel 6 (de beslissing) van de uitspraak.
Toelichting op het eerste middel
Omdat belanghebbende de gegevens met betrekking tot de KB Lux niet heeft verstrekt heeft de inspecteur de correcties op het inkomen en vermogen moeten schatten. In r.o. 4.30 geeft het Hof aan dat de inspecteur terecht omkering van de bewijslast heeft toegepast en dat het beroep ongegrond verklaard moet worden, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.
In r.o. 4.32 geeft het Hof vervolgens aan dat de herberekening van de inspecteur, na eliminatie van factor 1,5 een redelijke schatting betreft en dat het Hof voor de navorderingsaanslagen uit zal gaan van de bedragen zoals die zijn genoemd in de bijlage bij de conclusie van dupliek. In onderdeel 6.van de uitspraak gaat het Hof voor de navorderingsaanslagen echter niet uit de deze bedragen, doch van de in het kader van het boetebewijs minimaal aannemelijk geachte correcties en de daarbij behorende belastbare vermogens. Een en ander leidt tot de volgende verschillen afgerond op duizendtallen:
Jaar VB | Dupliek/r.o.4.32 | 4.45/dictum | verschil |
|---|---|---|---|
1991 | 288.000 | 288.000 | 0 |
1992 | 283.000 | 283.000 | 0 |
1993 | 265.000 | 265.000 | 0 |
1994 | 277.000 | 252.000 | 25.000 |
1995 | 237.000 | 217.000 | 20.000 |
1996 | 240.000 | 202.000 | 38.000 |
1997 | 286.000 | 187.000 | 99.000 |
1998 | 303.000 | 99.000 | 204.000 |
1999 | 356.000 | 82.000 | 274.000 |
2000 | 254.000 | 64.000 | 190.000 |
Het Hof heeft zonder enige motivering de correctie voor de vermogensbelasting vanaf het jaar 1994 bepaald op de hoogte van het van het microfiche bekende saldo in plaats van het op basis van de door de inspecteur ontwikkelde schattingsmodel, hetwelk het Hof in r.o. 4.32 als een redelijke schatting heeft aangemerkt.
Voorts heeft het Hof bij de berekening van de belastbare som wel bedragen aan hefñngsrente in mindering gebracht die gebaseerd zijn op de door de inspecteur bij de conclusie van dupliek gemaakte herberekeningen. In zoverre is de berekeningswijze van het Hof ook nog intern tegenstrijdig.
Tevens wijs ik er op dat het Hof voor de inkomstenbelasting wel conform het uitgangspunt in r.o. 4.32 de belastbare inkomens heeft gebaseerd op de door de inspecteur in de conclusie van dupliek herberekende schattingsbedragen.
II
Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 18 (tekst tot 1998) en artikel 67e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof de boeten voor de vermogensbelasting vanaf het jaar 1994 heeft verminderd, zulks ten onrechte dan wel op gronden díe beslissing niet kan dragen.
Toelichting op het tweede middel
Het Hof heeft de boeten vermogensbelasting niet berekend op basis van een percentage van de verschuldigde belasting, doch op basis van de door het Hof in r.o 4.40. tenminste aanwezig geachte saldo. Daarmee laat het Hof de vermogenscorrectie, voor zover die ziet op het op basis van de redelijke schatting in aanmerking genomen bedrag boven het van het fiche bekende saldo geheel buiten beschouwing. Daardoor houdt het Hof ten onrechte geen rekening met de door het Hof zelf aannemelijk geachte verzwegen vermogen (zie r.o. 4.32). Dit geschatte deel van de correctie blijft daardoor geheel buiten de boetegrondslag.
In dit kader wijs ik op de noot van Albert onder het arrest HR 15 april 2011, nr. 09/03075, BNB 2011/206c* :
‘—4.2.
In HR 19 juni 1985, nr. 22 076, BNB 1986/29C*, besliste de Hoge Raad dat het opleggen van een administratiefrechtelijke boete moet worden aangemerkt als het instellen van strafvervolging in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM. Dat heeft tot gevolg dat de belastingplichtige de waarborgen geniet die in art. 6 EVRM staan opgesomd, zoals de onschuldpresumptie van het tweede lid: ‘Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.’ De onschuldpresumptie impliceert volgens r.o. 4.5 van HR 15 juli 1988, nr. 24 483, BNB 1988/270*, dat‘de vervolgende autoriteit [moet] bewijzen dat alle bestanddelen van het aan de verdachte ten laste gelegde feit zijn verwezenlijkt, en de verdachte niet mag worden belast met het bewijs van het tegendeel’. Het is dus aan de inspecteur om te bewijzen dat alle bestanddelen van de delictomschrijving zijn vervuld. Wat zijn die bestanddelen? Art. 67e, eerste lid, AWR bepaalt: ‘Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld (…), vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem (…) een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de bestuurlijke boete.’ Uit de geciteerde tekst kunnen twee delictbestanddelen worden afgeleid:
- 1)
opzet/grove schuld en
- 2)
een te lage primitieve aanslag.
Concentreren wij ons op het tweede bestanddeel: is het voldoende dat de inspecteur bewijst dat de (primitieve) aanslag te laag is vastgesteld (als gevolg van een onjuiste aangifte), of moet hij (tevens) bewijzen hoeveel de (primitieve) aanslag te laag is vastgesteld? Uit r.o. 3.6.7 van HR 18 januari 2008, nr. 41 832, BNB 2008/165*, volgt dat de inspecteur niet hoeft te bewijzen hoeveel de (primitieve) aanslag te laag is vastgesteld.[21] Uit (de combinatie van) BNB 1988/270*, BNB 2008/165* en de tekst van art. 67e AWR kan dus worden geconcludeerd dat de inspecteur, behalve opzet/grove schuld, moet bewijzen dat de (primitieve) aanslag te laag is vastgesteld (en niet hoeveel die aanslag te laag is vastgesteld).
—4.3.
Zoals in 4.2 opgemerkt, is een boete pas aan de orde als alle bestanddelen van de delictomschrijving zijn vervuld. Vereist is dus dat de inspecteur bewijst dat belanghebbende in het desbetreffende belastingjaar niet-aangegeven rente heeft genoten (hij hoeft niet te bewijzen hoeveel niet-aangegeven rente belanghebbende heeft genoten). De Hoge Raad overweegt terecht (r.o. 4.5.2): ‘De omstandigheid dat een belanghebbende heeft geweigerd de door de inspecteur van hem gevraagde inzage te verschaffen, levert als zodanig geen bewijs op van een beboetbaar feit bestaande In het over een bepaald jaar niet aangeven van bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen en heeft ook geen invloed op de bewijslastverdeling te dier zake. (…) Een andere opvatting zou ook niet verenigbaar zijn met het door artikel 6, lid 2, van het EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld.’ Over de bewijslast van de Inspecteur zegt de Hoge Raad (r.o. 4.8.3): ‘De rechtspraak van het EHRM laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens (EHRM 7 oktober 1988, no. 10519/83, Salabiaku tegen Frankrijk, NJ 1991/351, FED 1990/420). Dat gebruik mag er echter niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende; het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen. Het zwijgen van de belanghebbende kan alleen bijdragen tot het bewijs voor zover uit de aanwezige bewijsmiddelen reeds een zodanige verdenking voortvloeit dat die vraagt om uitleg van de belanghebbende, hetgeen betekent dat dit zwijgen alleen kan meewegen bij het waarderen van de overtuigingskracht van die aanwezige bewijsmiddelen.’
Hieruit komt naar voren dat voor het mogen opleggen van een boete slechts noodzakelijk is dat bewezen wordt dat in ieder jaar de primitieve aanslag onjuist is vastgesteld doordat belanghebbende een onjuiste aangifte heeft gedaan. Zodra die ‘sluis’ is gepasseerd, mag de boete qua berekening worden gebaseerd op de aangebrachte inkomens- of vermogenscorrectie, waarbij vanwege het aspect van de toepassing van omkering van de bewijslast een matiging kan worden aangebracht, indien daarvoor voldoende reden bestaat.
Het Hof heeft echter de boeten berekend op basis van de het op de KB Luxrekening aanwezige saldo en de daarbij behorende rente-inkomsten. Uit het arrest BNB 2011/206c*, r.o. 4.6.3. leid ik echter af dat de Hoge Raad, conform de tekst van artikel 67e, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor de berekening van de boete uitgaat van de verschuldigde belasting. Uitsluitend voor de beoordeling van de proportionaliteit van de boete acht de Hoge Raad van belang dat acht wordt geslagen op de wijze waarop die verschuldigde belasting is komen vast te staan. Ook in artikel 18 (tekst tot 1998) werd de boete uitgedrukt in een percentage van de in een navorderingsaanslag begrepen belasting.
Hieruit volgt dat het Hof ten onrechte van een te lage boetegrondslag is uitgegaan.
Het Hof had voor de berekening van de boete uit dienen te gaan van de verschuldigde belasting (zoals door mij verdedigd in het eerste middel) en vervolgens dienen te beoordelen in hoeverre deze boete gematigd dient te worden vanwege de toegepaste omkering van de bewijslast met betrekking tot de verzwegen inkomsten uit de onderneming en de lange behandelingsduur van de zaak. In casu acht het Hof vanwege de omkering van de bewijslast een matiging van 5% passend en geboden.
Het Hof heeft in casu echter twee keer rekening gehouden de omkering van de bewijslast. Het Hof heeft eerst in r.o. 4.40 geoordeeld dat in afwijking van de door de inspecteur herberekende schattingsbedragen, voor het boetebewijs aannemelijk is dat het van het microfiche bekende saldo ten minste gelijk is gebleven. Daarmee gaat het Hof reeds uit van een lagere grondslag dan de op basis van omkering van de bewijslast toegepaste redelijke schatting. Vervolgens nogmaals 5% in mindering te brengen vanwege omkering van de bewijslast is dubbelop.
Ik wijs er overigens op dat het Hof wat betreft de matiging wegens omkering van de bewijslast (5%) en matiging vanwege undue delay (25%) afwijkt van de werkwijze van bijvoorbeeld Hof Amsterdam. Dat Hof past tweemaal een matiging met 21% toe. In hoeverre hier uniformiteit gewenst is, laat ik verder over aan Uw Raad.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco