Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.5.1:17.5.1 Inspanningsvertrouwen
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.5.1
17.5.1 Inspanningsvertrouwen
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456993:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij inspanningsvertrouwen gaat het om het vertrouwen op de inspanning om feitelijke en juridische verplichtingen in verband met de rechtshulpverlening na te leven. Eerder is er al op gewezen dat bij meer juridische verplichtingen het inspanningsvertrouwen sterker lijkt te zijn dan bij feitelijke verplichtingen. En binnen de EU zal in die gevallen het vertrouwen doorgaans sterker werken dan buiten het verband van de EU. Hoewel er een zekere versnippering optreedt doordat wordt samengewerkt met verschillende justitiële autoriteiten, hetgeen wellicht tot een minder sterk vertrouwen leidt, staat daartegenover dat die autoriteiten deze juridische aspecten veelal zelf direct in de hand hebben. Bovendien zijn zij onderdeel van een justitieel apparaat dat voorkomt dat het al dan niet naleven van voorschriften en verplichtingen enkel afhankelijk is van de betrokken autoriteit. De gelding van het EVRM zorgt er in elk geval voor dat niet-naleving van mensenrechtelijk getinte juridische verplichtingen aan het EHRM kunnen worden voorgelegd, maar binnen de EU bestaan ook voor andere verplichtingen vormen van rechterlijk toezicht. Hoewel de betrokken burger geen direct klachtrecht heeft, zorgen de mogelijkheden die er wel zijn voor een versterkt vertrouwen dat juridisch getinte aspecten uiteindelijk zullen worden nageleefd. Het gaat dan om inbreukprocedures, maar vooral ook de mogelijkheid tot het stellen prejudiciële vragen.
Voor meer feitelijke verplichtingen lijkt dat anders te liggen. De hiervoor besproken hiërarchie van toezicht zal voor deze feitelijke verplichtingen minder soelaas bieden. Bovendien is veelal onduidelijk wie de naleving ervan precies in de hand heeft. Uiteraard bestaat dan nog steeds een beginsel van vertrouwen op de inspanning van de autoriteit van de andere staat om de wenselijke toestand of gevolgen na te streven, maar het hangt veel meer van de situatie af of dat vertrouwen dan op zijn plaats is. Dit verandert niet wezenlijk binnen de Europese Unie. Uitzondering is wellicht de detentiepraktijk indien werk wordt gemaakt van verbetering van die praktijk, een onderdeel van de vertrouwensagenda.