Einde inhoudsopgave
Brancherichtlijn politie 2023
7 Gedragscode bestuurder van voertuigen
Geldend
Geldend vanaf 21-10-2023. Let op: treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 01-01-2023
- Bronpublicatie:
26-06-2023, Stcrt. 2023, 28692 (uitgifte: 20-10-2023, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
21-10-2023, terugwerkend tot: 01-01-2023
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
26-06-2023, Stcrt. 2023, 28692 (uitgifte: 20-10-2023, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Verkeersrecht / Inrichting wegverkeer
Verkeersrecht / Aansprakelijkheid
Motorvoertuigen met optische en geluidssignalen verstoren het normale verkeersbeeld; niet alleen door geluid en licht, maar ook door een ander rijgedrag (van zowel bestuurders van voorrangsvoertuigen als hierop reagerende overige weggebruikers). De bestuurder van een voorrangsvoertuig dient zich dus bewust te zijn van het feit dat de reactie van overige weggebruikers een onvoorspelbare factor is.
Voorspelbaar gedrag van bestuurders van voorrangsvoertuigen komt de verkeersveiligheid ten goede. Een dergelijke situatie kan gecreëerd worden door een gezamenlijke – en ook voor de buitenwacht herkenbare – gedragscode af te spreken over veelvoorkomende en tevens gevaarlijke situaties.
Algemeen
Het afwijken van algemeen geldende verkeersregels en gedragsnormen gebeurt restrictief en alleen indien daartoe voldoende noodzaak bestaat. Hierbij maakt de bestuurder een afweging tussen te nemen risico en het beoogde doel.
Het in- en uit schakelen van de optische en geluidssignalen dient op zodanige wijze te geschieden dat schrikreacties zoveel mogelijk worden tegengegaan bij de overige weggebruikers. Het voortdurend aan- en uitzetten van de signalen wordt onwenselijk geacht. Voorkomen moet worden dat dit in-, of uitschakelen gebeurt vlak voor of op een kruisingsvlak.
De bestuurder van een voorrangsvoertuig dient zich bewust te zijn van zijn bijzondere positie en verantwoordelijkheden. De optische en geluidssignalen worden gebruikt als vraag om medewerking van andere weggebruikers en niet als dwangmiddel. De bestuurder moet zich rekenschap geven van de mogelijkheid dat andere weggebruikers hem niet horen en/of zien, dan wel zijn richting en/of snelheid niet goed kunnen inschatten. Dit betekent dat er rekening gehouden dient te worden met reacties van andere weggebruikers. Het algehele rijgedrag van de bestuurder van het voorrangsvoertuig dient beheerst te zijn.
Kruispunten
Het naderen en oversteken van kruispunten gebeurt met aangepaste snelheid. Bij het oprijden van het kruisingsvlak dient de bestuurder van het voorrangsvoertuig ervan uit te gaan dat andere weggebruikers hem niet hebben opgemerkt en hem dus mogelijk niet voor laten gaan. Daarom wordt zo nodig gestopt.
Rood licht
Het negeren van een rood verkeerslicht gebeurt met een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur.
Bij bruggen en spoorwegovergangen wordt het rode licht niet genegeerd en mag niet worden doorgereden.
Vluchtstrook
Een vluchtstrook wordt bereden met een snelheid van maximaal 50 km per uur.
Maximumsnelheid
De rijbaan wordt bereden met een snelheid van maximaal 40 km per uur boven de ter plaatse geldende maximumsnelheid voor voertuigen ≤ 5000 kg TMM. Voor voertuigen boven de 5000 kg TMM, geldt een maximale overschrijding van maximaal 20 km.
Tegen het verkeer inrijden
Tegen het verkeer inrijden is bij niet-gescheiden rijbanen toegestaan als er sprake is van een significante tijdwinst en er met een snelheid wordt gereden waarbij gestopt kan worden binnen de afstand die te overzien is en waarover de rijbaan vrij is. Dit geldt voor gebodsborden, geslotenverklaringen en het rijden op weghelften bestemd voor het tegemoetkomend verkeer.
Bij gescheiden rijbanen waarbij een fysiek obstakel terugkeer of uitwijken naar de eigen rijrichting onmogelijk maakt, is het tegen het verkeer inrijden alleen toegestaan onder dezelfde voorwaarden als hierboven benoemd, echter daarbij ook pas na toestemming van de meldkamer. Daarbij moet zeker zijn gesteld dat het verkeer is stil gelegd.
Dit geldt niet voor zeer korte fysieke scheidingen van enkele meters bij gevaarspunten in het wegverloop of het naderen van kruispunten (zogeheten midden-eilanden of verkeersheuvels).
Plaats op de weg bij files
- 1.
Indien een vrije vluchtstrook beschikbaar is voor het voorrangsvoertuig, wordt er gebruik gemaakt van deze vluchtstrook.
- 2.
Indien de vluchtstrook niet beschikbaar is, wordt bekeken of er een mogelijkheid bestaat middels afkruisen door de wegbeheerder tijdig een rijstrook vrij te laten maken.
- 3.
Indien opties 1 en 2 niet uitvoerbaar zijn, wordt gebruik gemaakt van de methode van middendoor rijden. Hierbij wordt tussen de 1e1. en 2e rijstrook middendoor gereden.
Voetnoten
Rijstrook 1 is de rijstrook die het dichtst tegen de middenberm aan ligt.