Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.3.4
IV.3.4 `Gleichlauf' is geboden
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS379793:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Vlas (2009), nr. 329. Van Solinge vindt zelfs dat sprake is van een 'heersende leer', zie zijn noot sub 4 onder Van der Weijde/ESI. Zijn standpunt is — tezamen met het mijne — eveneens terug te vinden in Van Solinge en Bulten (2002), p. 124-126. De toelichting bij het wetsvoorstel Flex-BV (Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 99) stelt dat het 'niet zeker' is dat art. 22 sub 2 EEX-Vo van toepassing is. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 704, signaleren het probleem van de bevoegdheidsvraag, maar geven geen antwoord op de vraag of de geschillen-regeling onder art. 22 sub 2 EEX-Vo dient te vallen.
Rapport-Jenard (1979), p. 35.
De hoofdregel is dat ten aanzien van een niet-EU-ingezetene het nationale interne procesrecht de rechterlijke bevoegdheid bepaalt. Voor Nederland is dat art. 6 Rv. De Gleichlaufgedachte achter art. 22 EEX-Vo is echter van zo'n groot belang, dat op dit punt de verordening ook voor niet-EUingezetenen geldt. Is een keuze gemaakt voor een te adiëren rechter waarbij een partij een niet-EUingezetene is, dan geldt art. 23 EEX-Vo eveneens onverkort. Zie ook Snijders, Klaassen en Meijer (2007), nr. 76.
Volgens Van Solinge heeft het feit dat in de EEX-Vo geen gewag wordt gemaakt van de Nederlandse geschillenregeling geen betekenis: 'Daarvoor is de Nederlandse geschillenregeling te nietig in het grote geheel van het Europese procesrecht', zie zijn noot sub 4 onder Rb. Rotterdam 10 mei 2001, JOR 2001/144 (Van der Weijde/ESI).
De geschillenregeling valt onder 'en alle daarmee verband houdende onderwerpen', aldus Kamerstukken 24 141, nr. 3 (MvT), p. 19. De wetgever wil hiermee voorkomen dat het begrip 'inwendig bestel' te beperkt wordt uitgelegd, en te stringente beperkingen wordt gehanteerd voor het toepasselijke recht op de corporatie.
Vlas (2009), nr. 329.
HvJ EG 2 oktober 2008, NJ 2009, 193 m.nt. P. Vlas; JOR 2009/123 m.nt. De Haan (Hassett). Het ging om twee artsen — in dienst bij een Ierse gezondheidsdienst — die waren aangesloten bij de Medical Defence Union (MDU), een Britse collectieve belangenbehartigingsorganisatie met de zetel in het Verenigd Koninkrijk. Twee patiënten spanden een procedure tegen de gezondheidsdienst aan, wegens een door de artsen gemaakte beroepsfout. De artsen raakten betrokken bij de procedure. Zij verzochten MDU tot een schadeloosstelling die hen op grond van de statuten van MDU zou kunnen toekomen, maar het bestuur besloot deze verzoeken af te wijzen. Vervolgens probeerde de artsen MDU te dwingen te interveniëren in de procedure voor de Ierse rechter. MDU stelde echter dat niet de Ierse rechter, maar de Britse rechter bevoegd was, omdat de vordering van de artsen in wezen betrekking had op de geldigheid van de door het bestuur genomen besluit. Art. 22 sub b EEX-Vo was van toepassing, aldus MDU.
Zie ro. 18-19 van HvJ EG 2 oktober 2008, NJ 2009, 193 (Hassett), waarin het Hof verwees naar de (restrictieve) uitleg in de rechtspraak over art. 16 EEX-Verdrag. Ook herhaalde het Hof de in het Rapport-Jenard neergelegde uitgangspunt van art. 22 sub b EEX-Vo.
Aldus ook HvJ EG 2 oktober 2008, NJ 2009, 193 (Hassett), ro. 23-24. Het Hof benadrukte vervolgens in ro. 26 dat de werkingssfeer van art. 22 sub b EEX-Vo beperkt is tot de geschillen waarbij een partij de geldigheid van een besluit van een orgaan betwist op grond van het toepasselijke vennootschapsrecht of de statutaire bepalingen betreffende de werking van haar organen. Deze overweging lijkt op het eerste gezicht de geschillenregeling uit te sluiten van de exclusieve bevoegdheidsbepaling, maar het Hof geeft aan dat slechts interne vennootschapsrechtelijke geschillen tot art. 22 sub b EEX-Vo behoren. Een geschil over de uitvoering van een besluit valt er niet onder.
Aldus ook annotator De Haan, HvJ EG 2 oktober 2008, JOR 2009/123 (Hassett), sub 3, die spreekt over een 'heldere en logische beslissing'.
Idem Vlas (2009), nr. 329, die zijn standpunt over de toepasselijkheid van art. 22 EEX-Vo voor de geschillenregeling (en ook de uitkoopregeling) na Hassett niet wijzigt. Zie eerder Vlas (2002), nr. 329. Overigens doet de noot van Vlas onder Hassett (NJ 2009, 193, sub 3) anders vermoeden, nu hij schrijft dat de schending van individuele rechten door een genomen besluit buiten art. 22 sub b EEX-Vo valt. Indien een aandeelhouder wordt 'uitgemolken' door het bij besluit steeds toevoegen van de winst aan de reserves, zou dit volgens Vlas slechts betekenen dat zijn individuele rechten worden geschaad, waardoor art. 22 sub b EEX-Vo toch toepassing mist?
HvJ EG 13 juli 2006, NJ 2008, 78 m.nt. P. Vlas (GAT/LuK). Art. 22 sub 4 EEX-Vo luidt nagenoeg gelijk aan art. 16 sub 4 EEX-Verdrag, zodat het arrest ook van belang blijft voor de uitleg van de EEX-Vo. Idem annotator Vlas, sub 1. Het HvJ EG beantwoordde (ro. 31) de rechtsvraag of de exclusieve bevoegdheidsregel van art. 16 sub 4 EEX-Verdrag zo moet worden uitgelegd dat het alle geschillen over de registratie of de geldigheid van een octrooi, ongeacht of de kwestie bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie (of prealabele vraag) wordt opgeworpen, omvat, bevestigend.
Idem Losbl. Rv (Vlas), EEX-VO, art. 22 aant. 1; De Haan in zijn noot onder Hassett, JOR 2008/123, sub 4; en Strikwerda, concl. bij HR 30 november 2007, NJ 2008, 81 (Audilux).
HvJ EG 22 maart 1983, NJ 1983, 644 m.nt. JCS (Martin Peters GmbH/Zuid Nederlandse Aannemers Vereniging).
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 44, 190.
Een andersluidende redenering leidt tot hetzelfde resultaat: de rechter van de plaats van vestiging van de Nederlandse vennootschap is bevoegd. Valt de geschillenregeling niet onder art. 22 sub 2 EEXVo, dan brengt de lidmaatschapsverhouding van de aandeelhouders mee dat gesproken kan worden van een verbintenis uit overeenkomst. Op grond van de (aanvullende) bevoegdheidsregel van art. 5 sub la EEX-Vo en de in het arrest Martin Peters/Zuid Nederlandse Aannemers Vereniging neergelegde regel (HvJ EG 22 maart 1983, NJ 1983, 644, ov. 14) is derhalve de rechter van de plaats van vestiging van de vennootschap waarin de aandelen worden gehouden, bevoegd om over de vordering tegen een buitenlandse aandeelhouder te oordelen.
Ten aanzien van de vraag of de OK in een enquêteprocedure bevoegd is de overdracht ten titel van beheer van door een Luxemburgse aandeelhouder in een Nederlandse BV gehouden aandelen bij wijze van definitieve voorziening te bevelen (art. 2:356 sub e BW) overwoog zij dat zij (exclusieve) rechtsmacht had: `(...) zulks overigens in overeenstemming met het — in artikel 22 lid 2 EEXVerordening neergelegde — binnen de Europese Unie aanvaarde beginsel dat de rechter van de lidstaat waarin de vennootschap haar zetel heeft, (exclusief) bevoegd is kennis te nemen van verzoeken (rechtsvorderingen) die beogen rechtstreeks in te grijpen in de vennootschappelijke rechtsorde ofwel het inwendige bestel van de vennootschap.' Zie OK 8 september 2008, JOR 2009/ 127 (e-Traction) met een kritische noot van Josephus Jitta op dit punt (sub 2). Dit uitgangspunt van de OK brengt mijns inziens mee dat zij zich (als rechter in hoger beroep) op grond van art. 22 sub 2 EEX-Vo bevoegd zal achten kennis te nemen van een geschillenregelingvordering tegen een buitenlandse aandeelhouder. Zie vervolgens HR 25 juni 2010, JOR 2010/226, ro. 3.14. De Hoge Raad stelde dat indien geen sprake is van een zaak met intemationaliteit, de OK bevoegd is op grond van art. 2:345 BW jo. 995 Rv.
Idem: Vlas (2009), nr. 283. In de mij bekende literatuur over de invoering van art. 2:359c BW (uitkoop na een openbaar bod) is de mogelijke onbevoegdheid van de Nederlandse OK ten aanzien van buitenlandse aandeelhouders niet aan de orde geweest. Mogelijk doet het probleem zich in de praktijk niet voor, omdat de uit te kopen aandeelhouders juist heil zien in de behandeling van de zaak door een gespecialiseerde rechterlijke instantie zoals de OK.
Het oordeel van de rechtbank Rotterdam in Van der Weijde/ESI leidt mijns inziens tot een onwenselijk resultaat. Voor de geschillenregeling dient wel degelijk de exclusieve bevoegdheidsregel van art. 22 sub 2 EEX-Vo (voorheen art. 16 sub 2 EEX-Verdrag) te gelden. De redenen hiervoor komen in deze paragraaf aan de orde. Met Vlas en Van Solinge ben ik van mening dat ingeval een buitenlandse aandeelhouder gedagvaard wordt, de rechter van de plaats van vestiging van de (Nederlandse) vennootschap waarin de aandelen worden gehouden, de bevoegde rechter dient te zijn.1
Voor een onderbouwing van mijn standpunt wijs ik allereerst op de reeds genoemde ratio van de exclusieve bevoegdheidsfora van art. 22 EEX-Vo. De rechtszekerheid en rechtseenheid zijn gediend met de `Gleichlaur van het materiële toepasselijke recht en de bevoegde rechterlijke instantie. Aldus luidt ook het toelichtende Rapport-Jenard: 'In het belang van de rechtszekerheid dient te worden vermeden dat tegenstrijdige beslissingen worden gewezen (....)'.2 Naast rechtszekerheid en rechtseenheid speelt de doelmatigheid een belangrijke rol.
Het in het Rapport-Jenard geformuleerde uitgangspunt geldt niet alleen bij uitstek voor de expliciet in art. 22 sub 2 EEX-Vo genoemde onderwerpen, maar ook voor de beoordeling van de met de aan de genoemde onderwerpen verwante vorderingen van de geschillenregeling. Indien een aandeelhouder wil uittreden en zijn medeaandeelhouders in verschillende lidstaten wonen, dan zou hij in al die verschillende landen de procedure moeten starten, indien art. 22 sub 2 EEX-Vo niet van toepassing is. De vraag rijst vervolgens welke rechter zich bevoegd zal achten, en welke rechter eventueel de zaak moet verwijzen. De aanwezigheid van aandeelhouders met een woonplaats buiten de EU maakt het competentievraagstuk nog gecompliceerder. Om dergelijke ingewikkelde bevoegdheidsproblemen te vermijden is het doelmatiger de procedure te concentreren. De keuze voor de rechter van de woonplaats van de Nederlandse NV of BV, ofwel de rechter van art. 22 EEX-Vo, ligt dan voor de hand. De aandeelhouders zijn, ongeacht hun woonplaats, aandeelhouder in een Nederlandse vennootschap, en zij hebben zich voor diverse aspecten van hun aandeelhouderschap (al) te houden aan de Nederlandse vennootschapsrechtregels. Omdat art. 22 EEX-Vo ingevolge art. 4 EEX-Vo ook geldt indien de gedaagde aandeelhouder geen woonplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft, is voor een niet-EU-aandeelhouder de bevoegdheidskwestie eenvoudig opgelost.3
Het Rapport-Jenard noemt de geschillenregeling niet. Dit is echter geen reden om de geschillenregeling uit te sluiten van de toepasselijkheid van het exclusieve forum. Ten tijde van de inwerkingtreding van het EEX-Verdrag en de verschijning van het Rapport-Jenard bestond de geschillenregeling nog niet. Ook bij de totstandkoming van de EEX-Vo is de geschillenregeling niet aangehaald, maar in het gehele Europese procesrecht is zij slechts van relatief geringe betekenis. Alleen Nederland en België kennen een wettelijke geschillenregeling. Dit verklaart de afwezigheid van een antwoord op de vraag of de Nederlandse geschillenregeling onder de reikwijdte van art. 22 sub 2 EEX-Vo dient te worden begrepen.4 Hetzelfde geldt voor de Belgische geschillenregeling.
In het verlengde van dit `Gleichlaur -motief ligt het argument dat de geschillen-regeling volgens het Nederlands materiële ipr ex art. 3 sub b WCC behoort tot het inwendige bestel van een corporatie.5 De wetgever heeft bewust gekozen voor een ruime, niet-limitatieve opsomming. Dit strookt niet met de opvatting dat het inwendige bestel van de vennootschap slechts de onderwerpen van art. 22 sub 2 EEX-Vo zou omvatten. De 'eigen' rechter zou bij zo'n beperkte visie rechtsmacht toekomen ten aanzien van de restrictief aangeduide onderwerpen in de verordening, maar zich moeten onthouden van een oordeel over verwante, niet expliciet genoemde onderwerpen die nauw verband houden met de inrichting en het functioneren van de vennootschap. Alle onderwerpen die tot het inwendig bestel van een vennootschap behoren, moeten voorgelegd kunnen worden aan de rechter van de woonplaats van die vennootschap.
Art. 22 sub 2 EEX-Vo spreekt over 'de besluiten van hun organen'. Het is niet duidelijk wat hier precies onder valt. Moet ook niet 'het niet kunnen nemen van besluiten' onder deze zinsnede worden begrepen? Vlas is van mening dat dit het geval is.6 Mijns inziens is dit het juiste standpunt. Indien geschillen tussen de aandeelhouders leiden tot een impasse in de aandeelhoudersvergadering, waardoor geen besluiten tot stand komen en de vennootschap een stuurloos schip dreigt te worden, dan is de uitstoting van de (buitenlandse) aandeelhouder mogelijk gerechtvaardigd.
Volgens Strikwerda sluit de ratio van (toen nog) art. 16 sub 2 EEX-Verdrag een ruime opvatting over hetgeen begrepen moet worden onder 'geschillen ten aanzien van besluiten van een orgaan van de vennootschap' niet uit. De eerder aangehaalde motieven van rechtszekerheid en `Gleichlaur gelden immers ook voor een geschil over de uitvoering of de gevolgen van besluitvorming in een vennootschap. Geschillen waarin besluitvorming van organen van een vennootschap worden aangevochten wegens strijd met statuten of vennootschapswetgeving, vallen in ieder geval binnen het bereik van de exclusieve bevoegdheidsregel, aldus Strikwerda.7
Hierop sluit aan de gedachte dat de geschillenregeling onder art. 22 sub 2 EEXVo kan vallen. Een afgeleid argument vormt de vernietiging van besluiten die strijdig zijn met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Het aantasten van besluiten die in strijd met vennootschapswetgeving zijn (zoals art. 2:8 BW) valt onder art. 22 sub 2 EEX-Vo. In een vennootschap waarbij de meerderheidsaandeelhouder de besluiten van de aandeelhoudersvergadering dicteert, kunnen deze besluiten in strijd zijn met art. 2:8 BW omdat de belangen van de minderheidsaandeelhouder met voeten worden getreden. De besluiten kunnen dan vernietigd worden (ex art. 2:15 lid 1 sub b BW), maar de minderheidsaandeelhouder ziet begrijpelijkerwijs geen heil in het bij voortduring starten van vernietigingsprocedures. Zijn uittreding is een betere, meer definitieve oplossing. Nu de besluiten die vernietigbaar zouden zijn grond geven aan de uittredingsvordering van art. 2:343 BW, ligt het mijns inziens in de lijn de vordering ook onder art. 22 sub 2 EEX-Vo te scharen.
Tot op heden is slechts één uitspraak van het Hof van Justitie EG gewezen over de reikwijdte van art. 22 sub 2 EEX-Vo.8 Het ging in de zaak Hassett over de vraag of de gevolgen van een bestuursbesluit — met welk besluit rechten worden geschonden die een partij aan de statuten stelt te ontlenen — onder 'de geldigheid van de besluiten van hun organen' valt. Het Hof stelde dat het uitgangspunt is dat de bevoegdheid van de rechter op de woonplaats van de verweerder wordt gegrond. In een aantal gevallen wettigt echter het voorwerp van het geschil een ander aanknopingspunt, waarbij strikte uitleg wel op zijn plaats is.9 Die strikte uitleg bracht mee dat een vordering waarbij het gevolg van een besluit van een orgaan van een vennootschap, dat verband houdt met de vordering die gebaseerd is op mogelijke statutaire rechten, niet onder de reikwijdte van art. 22 sub 2 EEX-Vo valt. Deze uitspraak zag uitdrukkelijk op de (externe) gevolgen van een besluit.
Zou de rechter art. 22 sub 2 EEX-Vo op dit punt niet restrictief interpreteren, dan brengt dit mee dat een tegen een vennootschap ingestelde rechtsvordering uit overeenkomst, onrechtmatige daad of van andere aard, vrijwel steeds onder de exclusieve bevoegdheidsregel valt. Deze rechtsvorderingen houden immers enig verband met een besluit (van het bestuur), bijvoorbeeld tot het aangaan van een overeenkomst. De rechtsvordering ziet dan niet op het besluit zelf.10 Zo'n uitbreiding is niet te rijmen met de gedachte achter art. 22 sub 2 EEX-Vo dat de exclusieve rechter het best geëquipeerd is en over de juiste kennis beschikt om over de interne vennootschaprechtelijke vraagstukken te oordelen.11 Ook al predikt het Hof restrictie in zijn Hassett-arrest, ik meen dat de geschillenregeling toch onder art. 22 sub 2 EEX-Vo zou moeten vallen. De ratio van de exclusieve bevoegdheidsregel brengt dit mee.12
De uitleg van een andere exclusieve bevoegdheidsbepaling biedt ook een aanknopingspunt voor de gedachte dat de geschillenregeling onder art. 22 sub 2 EEX-Vo zou moeten vallen. Het ging in de zaak GAT/LuK over het inroepen of betwisten van de geldigheid van een octrooi, waarvoor art. 16 sub 4 EEX-Verdrag een exclusieve rechter aanwees.13 Ik geef enkele belangrijke overwegingen uit dit arrest weer, die als richtsnoer kunnen dienen voor een antwoord op de vraag of de geschillenregeling onder art. 22 sub 2 EEX-Vo valt.
`21. Wat de nagestreefde doelstelling betreft, moet worden opgemerkt dat de exclusieve bevoegdheidsregels van artikel 16 van het Executieverdrag tot doel hebben de betrokken geschillen voor te behouden aan de gerechten die feitelijk nabij zijn en juridisch een nauwe band hiermee hebben.
22. Derhalve wordt de toekenning van exclusieve bevoegdheid inzake geschillen ten aanzien van de registratie of de geldigheid van octrooien (...) gerechtvaardigd door de omstandigheid dat deze gerechten het best kennis kunnen nemen van gevallen waarin het geschil zelf de geldigheid van het octrooi of het bestaan van de deponering of de registratie tot inzet heeft (...) Deze zorg voor een goede rechtsbedeling is des te belangrijker op het gebied van octrooien, nu meerdere verdragsluitende staten, gelet op de specifieke aard van de materie, een bijzonder stelsel van rechterlijke bescherming in het leven hebben geroepen waarbij deze geschillen aan gespecialiseerde gerechten worden voorbehouden.
28. In de tweede plaats zou de aldus geboden mogelijkheid om artikel 16, punt 4, van het Executieverdrag te omzeilen, ertoe leiden dat meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn en zou zij de voorzienbaarheid van de door het Executieverdrag gestelde bevoegdheidsregels aantasten, waardoor bijgevolg inbreuk zou worden gemaakt op het rechtszekerheidsbeginsel, als grondslag van dit verdrag (...)
29. Zouden in de derde plaats in het stelsel van het Executieverdrag beslissingen worden toegelaten waarin andere gerechten dan die van de staat die het octrooi heeft verleend, incidenteel uitspraak doen over de geldigheid van dit octrooi, dan zou eveneens het gevaar van onverenigbare beslissingen toenemen, wat het Executieverdrag juist wenst te vermijden (...).'
Deze argumenten van het Hof van Justitie EG gelden mijns inziens evenzeer voor de overige rechtsmachtregels van art. 22 EEX-Vo.14 Pas ik de rechtsoverwegingen namelijk toe op de vraag of de geschillenregeling onder punt 2 van het verdragsartikel valt, dan kan het antwoord niet anders dan bevestigend luiden. De Nederlandse rechter heeft ook een juridisch nauwe band met de vordering tot uitstoting of uittreding. Hij (en niet een buitenlandse rechter) kan het beste kennis nemen van de gevallen die tot een geschillenregelingprocedure aanleiding geven. Ook voor de geschillenregeling geldt dat er een bijzonder stelsel van rechterlijke bescherming in het leven is geroepen, nu in eerste aanleg de rechter van de woonplaats van de vennootschap bevoegd is en in hoger beroep de OK. Deze laatste is zeker te beschouwen als een 'gespecialiseerd gerecht'. Daarnaast kan bij de geschillenregeling de rechtszekerheid eveneens in het geding zijn. Indien een aandeelhouder wil uittreden en hij dagvaardt zijn twee medeaandeelhouders waarvan er één in Duitsland woont en de ander in Spanje, leidt dit ertoe — indien de geschillenregeling niet onder art. 22 sub 2 EEX-Vo valt — dat er `meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn'. Zo'n uitkomst doet afbreuk aan het rechtszekerheidbeginsel. Tot slot brengt de mogelijkheid dat een andere rechter dan de Nederlandse rechter heeft te oordelen over een uitstotings- of uittredingsvordering, en dus het Nederlandse recht en de hierin opgenomen geschillenregeling toepast, eveneens het gevaar van onverenigbare beslissingen met zich. Terwijl de EEX-Verordening dit net als het EEX-Verdrag juist wil vermijden.
De aangehaalde argumenten die het Hof van Justitie EG in de GAT/Lukuitspraak hanteerde en die zien op de uitgangspunten van de exclusieve bevoegdheidsregel van art. 16 EEX-Verdrag en art. 22 EEX-Verordening, leiden volgens mij tot geen andere conclusie dan dat de geschillenregeling onder sub 2 van voornoemde artikelen zou moeten vallen.
Een laatste argument voor toepassing van art. 22 sub 2 EEX-Vo volgt uit een al wat oudere uitspraak van het Hof van Justitie EG.15 In deze zaak was de vraag aan de orde wanneer een verplichting kwalificeerde als een 'verbintenis uit overeenkomst' in de zin van art. 5 sub 1 EEX-Verdrag (thans: art. 5 sub 1 a EEX-Vo). Het Hof overwoog:
`13. In zoverre kan worden gezegd dat het lidmaatschap van een vereniging tussen de leden nauwe betrekkingen tot stand brengt, welke van dezelfde aard zijn als die tussen de pp. bij een overeenkomst; (...)
14. Doordat de meeste nationale rechtsstelsels de plaats van vestiging van de vereniging aanwijzen als de plaats waar de uit het lidmaatschap voortvloeiende verbintenissen moeten worden uitgevoerd, biedt de toepassing van art. 5 sub 1 Verdrag ook praktische voordelen: het gerecht van de plaats waar de vereniging is gevestigd, is gewoonlijk immers het best in staat de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging alsook de omstandigheden die tot het ontstaan van het geschil hebben geleid, te begrijpen.'
Indien deze motivering van het Hof analoog wordt toegepast op een geschil tussen aandeelhouders en het instellen van een vordering uit de geschillenregeling, luidt de slotsom dat art. 22 sub 2 EEX-Vo geldt. Het aandeelhouderschap wordt wel gekenschetst als een lidmaatschapsverhouding, de aandeelhouders hebben evenzeer `nauwe betrekkingen'.16 Omdat de geschillenregeling ex art. 2:335 BW alleen geldt voor houders van aandelen op naam, geldt deze nauwe betrokkenheid des te meer. De rechter van de plaats van vestiging van de vennootschap is dan bevoegd indien er geschillen tussen de aandeelhouders rijzen. De laatste zinsnede van de weergegeven overweging 14 geldt mutatis mutandis voor art. 22 sub 2 EEX-Vo. Het gerecht van de plaats van vestiging van de vennootschap is bij uitstek de rechter waarbij op grond van praktische voordelen aansluiting gezocht kan worden.17
Een bijkomend argument vind ik in art. 2:339 lid 3 BW. Dit lid behelst een praktische regeling voor de werkzaamheden van de deskundigen. Twee artikelen uit het enquêterecht (art. 2:351 BW, over de verplichte informatieverschaffing aan de deskundige en art. 2:352 BW, over de mogelijkheid een rechterlijk bevel te verkrijgen) zijn van overeenkomstige toepassing op de deskundige die in een geschillenregelingprocedure de aandelen moet waarderen. Stel dat de procedure tussen Van der Weijde en ESI Group SA was doorgezet voor een Franse rechter. Deze diende de vordering te beoordelen naar Nederlands recht (art. 2:343 BW) en bij toewijzing moest hij deskundigen benoemen die hadden te rapporteren over de waardering van de aandelen. Zouden de bevoegdheidsregels van het enquêterecht van art. 2:351 en 2:352 jo. 2:339 lid 3 BW dan ook voor deze Franse deskundigen hebben gegolden? Kan de Franse rechter ex art. 2:352 lid 2 BW een last afgeven om een (Nederlandse) woning binnen te treden? Het is de vraag of de Nederlandse vennootschap waar de aandelen in worden gehouden de activiteiten van deze deskundige moet dulden. Deze vragen, waarop niet eenvoudig een antwoord te geven is, komen niet op indien de vorderingen van de geschillenregeling onder art. 22 sub 2 EEX-Vo worden begrepen en de Nederlandse rechter bevoegd is.18
Tot slot dringt zich nog de vraag op wat het gevolg is voor de uitkoopprocedure (van art. 2:92a/201a en 2:359c BW) indien art. 22 sub 2 EEX-Vo niet geldt voor de geschillenregeling. De uitkoopvordering tegen een buitenlandse aandeelhouder zal dan hetzelfde lot treffen, en derhalve is de Nederlandse rechter niet bevoegd. Dit is onwenselijk, zeker omdat het in de praktijk veelal gaat om de uitkoop na de gestanddoening van een openbaar bod op beursgenoteerde aandelen. De vordering wordt dan ingesteld tegen onbekende aandeelhouders met een onbekende woonplaats. De vraag waar de woonplaats van de gedaagde ligt, is in zo'n geval niet te beantwoorden. In theorie kan in ieder land een dergelijke uit te kopen aandeelhouder wonen. Een wildgroei aan uitkoopprocedures in diverse landen is het onwenselijke gevolg. Ook hier geldt dat de nauwe band van het materieel toepasselijke recht en de gespecialiseerde Nederlandse rechter (de OK) de oplossing geven. Het is derhalve zeer goed verdedigbaar dat zowel voor de uitkoopregeling als voor de geschillen-regeling op grond van art. 22 sub 2 EEX-Vo wordt aangeknoopt bij een Nederlandse bevoegde rechter.19