Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.2.4:15.2.4 Vermoeden van onschuld en aanwezigheidsrecht
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.2.4
15.2.4 Vermoeden van onschuld en aanwezigheidsrecht
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS453387:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, PbEU 2016, L65/1.
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij het proces aanwezig te zijn, COM(2013) 821 def.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De richtlijn inzake het vermoeden van onschuld en het aanwezigheidsrecht, 1 strekt tot het waarborgen van diverse aspecten van het vermoeden van onschuld en een normering van het aanwezigheidsrecht. De in verband met het vermoeden van onschuld opgenomen waarborgen zijn deels abstract, deels concreet. Meer abstracte onderdelen, zoals de formulering van het vermoeden van onschuld als uitgangspunt, het verbod op publieke uitlatingen over schuld voor de veroordeling en het beginsel dat de bewijslast op de vervolgende instantie rust, voegen in mijn optiek op zich niet veel toe aan de bestaande mensenrechten uit bijvoorbeeld het EVRM. Dat geldt ook voor het nemo tenetur-beginsel en het zwijgrecht, welke ook in de richtlijn zijn opgenomen. Te betreuren valt dat de uiteindelijke richtlijn niet langer concreet bepaalt dat bewijs dat in strijd met deze waarborgen is verkregen niet mag worden gebruikt, tenzij dat gebruik geen afbreuk doet op het algehele eerlijke verloop van de procedure. Het voorstel van de Commissie kende wel een dergelijke, concrete bepaling.2 Hoewel ook uit de jurisprudentie van het EHRM in dergelijke gevallen soms de noodzaak voortvloeit tot bewijsuitsluiting over te gaan, zou het hier zijn gegaan om een concrete, door de lidstaten in het nationale recht te implementeren bewijsregel. Dat zou het beroep hierop eenduidiger hebben gemaakt en het onderling vertrouwen vergroot. Nu wordt het, bij gebreke aan algemene rechtspraak van het Hof van Justitie over het te bieden redres bij EU-rechtelijke onrechtmatigheden, aan de lidstaten zelf overgelaten. Ik zal in de conclusie van dit boek verdedigen dat duidelijkheid op de aan onrechtmatigheden te verbinden gevolgen het onderling vertrouwen kan versterken. Het schrappen van de bedoelde bepaling zie ik derhalve als een gemiste kans.
Toegevoegde waarde heeft de normering van het aanwezigheidsrecht in de richtlijn. Van die normering gaat een uniformering uit, die voor alle lidstaten duidelijk maakt wanneer het wel en wanneer het niet mogelijk is een verdachte buiten zijn aanwezigheid te berechten. Hoewel het Kaderbesluit verstekzaken in veel gevallen al het beroep op een weigeringsgrond vanwege een veroordeling in absentia uniformeerde en beperkte, kan na implementatie van deze richtlijn pas worden gezegd dat het vertrouwen dat met dat Kaderbesluit werd opgelegd – geen weigeringsgrond, dus geen toetsing – ook werkelijk gerechtvaardigd is. Deze richtlijn biedt de veroordeelde de rechten waarvan het genoemde kaderbesluit al uitging: als in elke lidstaat dezelfde minimumeisen aan een veroordeling in absentia worden gesteld en een veroordeelde in andere gevallen een nieuwe behandeling rechtens kan afdwingen, zijn weigeringsgronden inderdaad niet meer noodzakelijk.