Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.2.2.1
3.2.2.1 De (Franse) wet van 1810
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702072:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een treffend voorbeeld vond plaats in Lyon, waar er na vier deskundigenrapporten, vijf uitspraken van de prefect, een besluit van de minister, twee arresten van de Prefecturale Raad, vijf vonnissen van de rechtbank, een arrest van de Koninklijke Raad en vijf uitspraken van de Raad van State nog steeds geen uitkomst was. Zie: Del Marmol 1868, p. 11-12; in het Nederlands weergegeven door Sluysmans & Procee 2016, p. 4. Voor andere voorbeelden verwijs ik naar: Visser 1884, p. 27.
Er bestond namelijk reeds een ‘Wet inzake de droogmakerijen’ van 16 september 1807. Die was erg effectief, maar kende weinig waarborgen voor de voormalig eigenaar. Met name de bepalingen aangaande de wijze van begroting van de schadeloosstelling (artt. 56 en 57) konden op kritiek rekenen. De begroting van de schade werd opgedragen aan administratieve rechtbanken (conseils de préfecture) die zich konden laten bijstaan door deskundigenadvies. Van Andel 1857, p. 7. De wet wordt weergegeven in: Van den Honert 1841, p. 2-17.
Van Andel 1857, p. 7; Van den Honert 1841, p. 25; Wijting 1984, p. 48.
Van Andel 1857, p. 6.
Van Galen 1839.
Van Andel 1857, p. 3-15.
Wijting 1984, p. 48 e.v.
Loi sur les expropriations pour cause d’utilité publique, art. 17: “… ne vaudra que comme renseignement.” (Bulletin des Lois nr. 273).
Delalleau 1835, chapitre VI.
Ondanks dat er in het verre verleden dus al tot vormen van onteigening werd overgegaan, was van een systematisch opgezet onteigeningsrecht nog geen sprake. Een dergelijk formeel en systematisch onteigeningsrecht kwam er voor het eerst in 1810. Napoleon Bonaparte toonde zich rond die tijd niet alleen als hoog aangeschreven veldmaarschalk, maar ook als bevlogen wetgevingsjurist. Met enige ergernis keek hij al enige tijd naar de toenmalige Franse onteigeningspraktijk.1 In een nota van 29 september 1809 riep hij vanuit het door hem veroverde Schloss Schönbrunn de conseil d’êtat op een (nieuwe) onteigeningswet te ontwerpen, waarvan Napoleon zelf de contouren schetste.2
Op 8 maart 1810 werd deze eerste echte onteigeningswet door de Wetgevende Vergadering vastgesteld. 3Toen het door Lodewijk Napoleon bestuurde Koninkrijk Holland in 1810 bij het Franse Keizerrijk werd ingelijfd, werd deze Franse onteigeningswet bij keizerlijk decreet (8 november 1810) per 1 maart 1811 van toepassing verklaard.4 Voor een overzicht van de inhoud van deze wet, die reeds alle cruciale elementen van de latere onteigeningswet van 1851 bevatte, verwijs ik kortheidshalve naar Van Galen,5 Van Andel6 en Wijting.7 Ik merk hier op dat er onder de vigeur van de wet van 1810 reeds een voorname rol was weggelegd voor deskundigen. Zo was het vaststellen van de schadeloosstelling opgedragen aan de rechter, maar deze kon zich conform art. 17 laten adviseren door één of drie deskundigen, wier rapport niet bindend was. De ‘kan-bepaling’ wees op een facultatief deskundigenbericht,8 maar in de praktijk werden bijna altijd deskundigen benoemd. Van hun rapport ging ook toen al een behoorlijk suggestieve kracht uit.9