Overeenkomst tot arbitrage
Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/5.8.3:5.8.3 Bewijs (art 1021 Rv en art. 6 lid 1 EVRM)
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/5.8.3
5.8.3 Bewijs (art 1021 Rv en art. 6 lid 1 EVRM)
Documentgegevens:
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS509681:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
P. SANDERS in zijn noot (sub 7) bij Rb. Rotterdam 9 november 1990 en Rb. Rotterdam 7 december 1990, TvA 1991, blz. 147 (i.h.b. blz. 150-151).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een scheiding tussen (hoofd)overeenkomst en arbitrageovereenkomst vloeit ook voort uit art. 1021 Rv dat voor de arbitrageovereenkomst een eigen specifiek bewijsvoorschrift behelst dat niet voor de (hoofd)overeenkomst geldt. Veelal zal voor de hóófdovereenkomst, waarin het arbitraal beding is opgenomen of waarop de arbitrageovereenkomst betrekking heeft, zelfs helemaal geen (afzonderlijk) bewijsvoorschrift bestaan. Indien de vraag zich voordoet of een arbitrageovereenkomst is totstandgekomen, zal men het arbitraal beding of het compromis soms moeten "scheiden" van de hoofdovereenkomst omdat (slechts) voor de arbitrageovereenkomst het afzonderlijk geldende bewijsvoorschrift heeft te gelden (zie Hoofdstuk 8). Hetzelfde geldt als het arbitraal beding deel uitmaakt van algemene voorwaarden en de vraag aan de orde is of het arbitraal beding in de algemene voorwaarden van toepassing is (zie 8.4.5).
Omdat het bewijsvoorschrift van art. 1021 Rv zijn "schaduw" vooruit werpt, zal het ook de totstandkoming van de arbitrageovereenkomst bepalen. Aldus kan worden verdedigd dat, ook wat de totstandkoming betreft, een scheiding tussen hoofd- en arbitrageovereenkomst bestaat (dit als wij ervan uitgaan dat voor de totstandkoming van de hoofdovereenkomst geen speciale totstandkomingseisen gelden).
De separabiliteit wordt tot nog toe vrijwel alleen, klassiek, in het licht van het zojuist genoemde art. 1053 Rv beschouwd (zie 5.8.2). Niettemin wordt de separabiliteit als zodanig soms wel betrokken op het afzonderlijk voor de arbitrageovereenkomst geldende bewijsvoorschrift: "Indien wij, geheel in de lijn met de voor het arbitraal beding algemeen aanvaarde separabiliteit, de doorwerking van het arbitraal beding toetsen aan artikel 1021komt mijns inziens de beantwoording van de hier gestelde vraag neer op de vraag of de derde zélf dan wel een tussenpersoon námens hem dit arbitraal beding stilzwijgend heeft aanvaard. (...)."1 [cursivering toegevoegd]