HR, 10-05-2019, nr. 18/04662
ECLI:NL:HR:2019:689
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-05-2019
- Zaaknummer
18/04662
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:689, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑05‑2019; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2018:4235
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑05‑2018
- Vindplaatsen
NLF 2019/1176 met annotatie van Sara Verkaik
Belastingblad 2019/237 met annotatie van L.J. Boone
BNB 2019/110 met annotatie van J.A. MONSMA
NTFR 2019/1212 met annotatie van mr. E.D. Postema
FutD 2019-1277
Viditax (FutD) 2019051001
Uitspraak 10‑05‑2019
Inhoudsindicatie
art. 229 Gemeentewet; leges volgens tarieventabel dan wel werkelijke bouwkosten; motiveringsplicht rechter.
Partij(en)
10 mei 2019
Nr. 18/04662
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 oktober 2018, nr. 17/00397, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/7713) betreffende van belanghebbende geheven leges. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend. Aangezien deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft in 2014 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een hotel-restaurant met vergaderaccommodatie in [Q] . Deze vergunning is in 2015 verleend. Voor de behandeling van deze aanvraag is € 498.993,12 aan leges in rekening gebracht (hierna: de leges).
2.1.2.
De tarieventabel bij de Verordening op de heffing en invordering van leges 2014 van de gemeente Tilburg (hierna: de Tarieventabel) bepaalt onder meer:
8.1.1.2 Bouwkosten
De bouwkosten, exclusief BTW, op basis waarvan de leges worden vastgesteld, worden berekend op basis van de tabel “Bouwkosten legesberekening”. (…) De tabel “Bouwkosten legesberekening” is kosteloos in te zien bij de afdeling Dienstverlening (…).
8.3
Omgevingsvergunning
8.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit (…), bedraagt het tarief: (…)
8.3.1.1.6 Indien de bouwkosten € 5.000.000 of meer bedragen: € 140.820,00 vermeerderd met: 2,60% van de bouwkosten minus € 5.000.000, met een maximum van € 650.000,00.
2.1.3.
De leges zijn gebaseerd op een bouwkostenbedrag van € 18.775.889,20. Dit bedrag is berekend op grond van de Tarieventabel. De werkelijke bouwkosten bedragen volgens belanghebbende ongeveer € 11.920.000. De genormaliseerde kosten berekend volgens het Nederlands Bouwkosten Instituut bedragen volgens belanghebbende € 13.233.826,80.
2.2.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de gemeente Tilburg de leges had moeten berekenen over de werkelijke bouwkosten.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015, ECLI:NL:2015:1669, dat het de gemeente vrijstond de bouwsom te baseren op de Tarieventabel.
2.3.1.
De middelen houden in dat dit oordeel onjuist of in elk geval ontoereikend gemotiveerd is in verband met hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft gesteld met betrekking tot de werkelijke bouwkosten.
2.3.2.
De enkele omstandigheid dat in het geding is komen vast te staan dat de werkelijke bouwkosten aanzienlijk lager zijn dan het aan de hand van normbedragen vastgestelde bedrag, noopt de rechter niet tot nadere motivering van zijn oordeel dat de gemeentelijke regelgever de haar toekomende beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden door de heffing van leges uitsluitend aan die normbedragen te verbinden.
De middelen falen in zoverre.
2.4.
De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, omdat de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q.Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2019.
Beroepschrift 10‑05‑2018
Edelhoogachtbaar College,
1. Inleiding
[X] B.V., belanghebbende, voor wie als gemachtigde optreedt […], verbonden aan […], heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de schriftelijke uitspraak van Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 11 oktober 2018 in procedure nr. 17/00397. De cassatieprocedure is bij u geregistreerd onder zaaknummer F 18/04662. Hierna volgend geven we een motivering van het cassatieberoep weer. Tevens is een getekende volmacht bijgesloten.
2. Cassatiemiddel(en)
Belanghebbende draagt als cassatiemiddel voor:
Cassatiemiddel I
2.1
Schending althans verkeerde toepassing van het recht en/of schending van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht dan wel verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, doordat het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch ten onrechte althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen heeft beslist dat de opbrengstlimiet als bedoeld in art. 229b Gemeentewet door de Gemeente Tilburg niet is overschreden.
Toelichting
2.2
De gemeente Tilburg dient op een controleerbare wijze vast te leggen welke baten en lasten zijn opgenomen in de leges verordening. De kostenraming berust op gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar dan wel gegevens die op geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren. Wij hebben aangegeven dat bijvoorbeeld (wij hebben niet aangegeven uitsluitend zoals het hof stelt in r.r 4.18) een kostenverdeelstaat die sluit op de begroting en de jaarrekening cijfermatig voldoende inzicht geeft. Wij begrijpen dat de gemeente ook op een andere, controleerbare wijze dit kan aantonen.
Tijdens de behandeling van het hof is onduidelijk ontstaan om welk percentage van de kosten bij de leges als indirect wordt beschouwd. Tijdens de zitting was dit al besproken echter hiervan is geen notie gemaakt. Hieronder volgt de berekening:
Directe kosten | Indirecte kosten | Percentage | |
Kosten met opslag | € 2.885.088 | € 2.501.159 | 87% |
Kosten zonder opslag | € 276.301 | € 0 | |
Totaal leges bouwen | € 3.161.389 | € 2.501.159 | 79% |
Wij hebben ter discussie gesteld het zeer hoge percentage indirecte kosten. De Rechtbank heeft ons hierin in gelijk gesteld en geconcludeerd dat de gemeente Tilburg onvoldoende inzicht heeft verstrekt. Het hof heeft louter op basis van een mondelinge toelichting tijdens de zitting geconcludeerd dat de gemeente de kostenraming berust op de gemeentebegroting.
In het proces-verbaal van de zitting geeft de heffingsambtenaar aan dat gemeentes een andere structuur kunnen hebben. ‘In Tilburg geeft de afdelingen dienstverlening vergunningen af. In de kosten van de bouwvergunningen zitten naast het salaris van de desbetreffende medewerkers ook andere kosten. Andere afdelingen zoals planning en control maken ook kosten. Dat wordt dan toegerekend als indirecte kosten.’
De afdeling planning en control doen ook werkzaamheden voor andere diensten van de gemeente. Wij kunnen niet controleren of en voor welk deel de gemeente deze kosten nu terecht in de leges tarieven heeft versleuteld. Dit aangezien kostenposten die niet of slechts zijdelings verband houden met belaste diensten, omdat zij nagenoeg geheel andere doeleinden dienen, niet door heffing van leges kunnen worden verhaald. Doordat de heffingsambtenaar aangeeft dat er een toerekening plaatsvindt dan lijkt het ons waarschijnlijk dat hieraan een berekening ten grondslag ligt. Deze heeft de gemeente Tilburg nooit verstrekt. Het hof gaat hier ten onrechte aan voorbij.
De gemeente Tilburg geeft alleen een globale mondelinge toelichting op de kosten ad € 2.501.1589 die tot de bouwleges worden toegekend. Van deze kosten is het niet duidelijk waarop de kosten precies betrekking hebben. Hierdoor kunnen wij niet controleren of wijze van kostentoerekening rechtmatig is. Ons inziens heeft de heffingsambtenaar niet voldaan aan de motiverings- en informatieverplichting. Het Hof gaat daar in r.r. 4.18 ten onrechte aan voorbij.
Het oordeel van het Hof berust gezien het vorengaande op een onjuiste toepassing van artikel 229b Gemeentewet dan Wel het behoeft nadere motivering, welke echter ontbreekt. Nu het Hof geen inzicht heeft gegeven in haar gedachtegang waarom de algemene, mondelinge toelichting van de gemeente controleerbaar en inzichtelijk is, is haar uitspraak onvoldoende met redenen omkleed.
Cassatiemiddel II
2.3
Schending althans verkeerde toepassing van het recht en/of schending van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht dan wel verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, doordat het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch ten onrechte althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen heeft beslist dat de aanslag niet moet worden vernietigd, omdat de tariefstelling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing.
Toelichting
2.4
De gemeente Tilburg hanteert voor het bepalen van de bouwkosten één tarief voor restaurants, cafetaria's en hotels ad € 1.315. Het hof heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom de bouwkosten van een cafetaria te vergelijken is met die van een hotel. In casu bedragen de daadwerkelijk bouwkosten € 11.920.000,000; een bedrag dat door de heffingsambtenaar niet is bestreden en daarmee als onbestreden vast staat. Het ligt in de rede, en is tevens een beginsel van rechtvaardige belastingwetgeving dat bij de berekening van de leges primair wordt aangesloten bij de werkelijke bouwkosten en dat slechts in uitzonderingsgevallen wordt uitgegaan van een vorm van bouwkostennormering. Het Gerechtshof stelt in r.o. 4.27 dat onder andere uit HR juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1669 valt op te maken dat het de gemeente vrij staat om de bouwsom te baseren op de Bouwkostentabel. Wij vermogen dit in het betreffende arrest van Uw Raad niet te lezen. Uitgangspunt bij de bouwleges is dat wordt aangesloten bij de bouwsom dan wel als die ontbreekt — of als in eigen beheer goedkoper wordt gebouwd — bij wijze van uitzondering op de hoofdregel dat wordt aangesloten bij een bouwkostenraming gebaseerd op een bepaalde normering. Groenewegen schrijft in zijn commentaar bij het arrest (NTFR 2015/1925): ‘Uitgangspunt volgens de Hoge Raad is dat zoveel mogelijk bij de werkelijke bouwsommen moet worden aangesloten, ook als die zijn gebleken nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan. ’Dit heeft nog des te meer te gelden indien de genormeerde bouwkosten in aanzienlijk mate hoger zijn dan de werkelijke bouwkosten. Het verschil in bouwkosten zoals door de heffingsambtenaar berekend en de werkelijke bouwkosten is € 6.855.889,20.
Bij een zo grote afwijking tussen de fictieve heffingsmaatstaf en de werkelijke maatstaf kan de heffingsambtenaar niet in redelijkheid uit blijven gaan van deze fictieve heffingsmaatstaf ten nadele van belanghebbende. In een andere zaak bij het gerechtshof 's Hertogenbosch ECLI:NLGHSHE:2017:2218 van de Gemeente Tilburg geeft de heffingsambtenaar notabene zelf aan dat afwijkingen tot 25% binnen de bandbreedte vallen (HR 6 november 1996, nr 31.254, ECLI:L:HR:1996:AA1737). In casu is de afwijking 58%. Dit pleit tot het toepassen van tariefdifferentiatie, wat de gemeente al voor diverse bouwwerken hanteert. Hierdoor wordt rekening gehouden met het feit dat een groot hotel niet gelijk is aan een cafetaria. De grote discrepantie tussen de fictieve heffingsgrondslag op basis van genormeerde kosten en de werkelijke bouwkosten, leidt tot een vorm van willekeurige en onredelijke belastingheffing. Het hof heeft dit onvoldoende gemotiveerd.
Cassatiemiddel III
2.5
Schending althans verkeerde toepassing van het recht en/of schending van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht dan wel verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, doordat het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch ten onrechte althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen heeft beslist dat de gemeente vrij is de leges te berekenen op basis van een bouwsom die volgt uit de Bouwkostentabel.
Toelichting
2.6
De aanslag is gebaseerd op een bouwkostenbedrag volgens het Bouwbesluit van € 18.775.889,20 terwijl de feitelijk bouwkosten aanzienlijk minder bedragen te weten € 11.920.000,000.
Het ligt in de rede, en is tevens een beginsel van rechtvaardige belastingwetgeving dat bij de berekening van de leges primair wordt aangesloten bij de werkelijke bouwkosten en dat slechts in uitzonderingsgevallen wordt uitgegaan van een vorm van bouwkostennormering. Gezien het feit dat belanghebbende mogelijk goedkoper kan bouwen is aansluiting gezocht met de normen van het Nederlands Bouwkosten Instituut (NBI) 2014. Volgens NBI bedragen de bouwkosten € 13.233.826,80. Dit is onderbouwd met de gehanteerde tabel van Nederlands Bouwkosten Instituut 2014 en een bevestiging van een taxateur (Brief Gerechtshof 's Hertogenbosch dd. 2 maart 2018) die de bouwsom heeft berekend op basis van de basisbedragen van het Nederlandse Bouwkosten Instituut 2016. Tijdens de zitting is differentiatie niet behandeld derhalve is het onbegrijpelijk dat het hof concludeert dat we het niet onderbouwd hebben. Het verschil in bouwkosten, zoals door de heffingsambtenaar berekend en de ‘genormaliseerde’ bouwkosten volgens NBI, is € 5.542.062,40. Deze aanpassing resulteert in een heffingsbelang van € 144.093,62. Het hof gaat hier in r.r. 4.28 aan voorbij. Hierbij is de afwijking 31% ten opzichte van wat de gemeente Tilburg hanteert. Dit is eveneens buiten de bandbreedte (HR 6 november 1996, nr 31.254, ECLI:L:HR:1996:AA1737). Deze afwijking is te verklaren door het feit dat de gemeente Tilburg geen tariefdifferentiatie toepast.
Bij een zo grote afwijking tussen de fictieve heffingsmaatstaf en de werkelijke maatstaf kan de heffingsambtenaar niet in redelijkheid uit blijven gaan van deze fictieve heffingsmaatstaf ten nadele van belanghebbende. Nogmaals, voor een genormeerde heffingsgrondslag is alleen plaats als er gegevens omtrent de werkelijke bouwsom ontbreken. Dat is hier evenwel niet het geval.
3. Conclusie
Belanghebbende concludeert op voormelde gronden tot cassatie en daarmee vernietiging van de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch en tot restitutie van het gehele bedrag aan geheven leges van € 498.993,12 (cassatiemiddel I en II) c.q. deze met een bedrag van € 144.093,62 te verminderen tot een bedrag van € 354.899.50 (cassatiemiddel III).
4. Proceskosten
Belanghebbende verzoekt de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten in het kader van de onderhavige cassatieprocedure en de hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch als bedoeld in art. 8:75 Awb. Tevens verzoekt belanghebbende om restitutie van het aan Uw Raad betaalde griffierecht.
Hoogachtend,