Einde inhoudsopgave
Samenlevingsverbanden in de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting (FM nr. 136) 2011/3.3.1
3.3.1 Kenmerken van individualisering
Dr. N.C.G. Gubbels, datum 21-03-2011
- Datum
21-03-2011
- Auteur
Dr. N.C.G. Gubbels
- JCDI
JCDI:ADS591230:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Personen- en familierecht / Huwelijk, relaties en echtscheiding
Schenk- en erfbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Personen- en familierecht / Relatievermogensrecht
Inkomstenbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Voetnoten
Voetnoten
Duyvendak 2004, p. 495 en voetnoot 7 van zijn bijdrage.
Schnabel 2004, p. 7 en p. 31-32.
Boutellier, de Beer & Van Praag 2004, p. 14 en 15, Vandercasteele 2004, p. 305.
Schnabel 2004, p. 7, De Beer & Koster 2007, p. 66.
Schnabel 2004, p. 1, Dit blijkt ook uit het historisch overzicht in Felling, Peters & Scheepers 2000, hfdst. 1.
Vandercasteele 2004, p. 331.
Felling, Peters & Scheepers 2000, par. 1.5. Zie ook De Beer & Koster 2007, p. 66-68.
Vgl. Felling 2004, p. 17-22.
Boutellier, de Beer & Van Praag 2004, p. 25 en 26.
Duyvendak 2004, p. 495.
Het begrip ‘individualisering’ is buitengewoon lastig te omschrijven. En, zoals Duyvendak schrijft, “als het al tot een omschrijving komt, dan blijkt er bovendien voortdurend iets anders onder te worden verstaan”.1 Hierna kom ik nog terug op een aantal aspecten dat met enige regelmaat met individualisering in verband wordt gebracht. Eerst moet echter worden opgemerkt dat ‘individualisering’ geen nieuw fenomeen is. Het is een historisch, sociaal en cultureel proces dat al sinds eeuwen in onze samenleving werkzaam is.2 Het is dan ook geen modeverschijnsel dat weer zal overwaaien. Niettemin staat dit verschijnsel de afgelopen decennia bijzonder in de schijnwerpers. Zeer uiteenlopende maatschappelijke verschijnselen worden geacht het gevolg te zijn van de individualiseringstrend. Zo wordt gewezen op de toename van het aantal ongehuwd samenwonenden, de ontzuiling, de stijging van de arbeidsdeelname van vrouwen, de afname van informele sociale controle, het toenemende aantal echtscheidingen en alleenstaanden, de steeds minder sterke binding met politieke partijen en de stijging van de criminaliteit en normvervaging.3
Individualisering is – in tegenstelling tot het ‘individualisme’ – ook geen ideologie, waarvan men een aanhanger of tegenstander kan zijn. Individualisering is een maatschappelijk proces waar niet individueel voor wordt gekozen.4 Individualisering kan bovendien alleen ontstaan in hoogontwikkelde geletterde samenlevingen, waarin het voor het individu ook mogelijk is om te verzelfstandigen en daarin niet wordt belemmerd door tradities en overleveringen.5 Dit roept de vraag op in hoeverre de individualiseringstendens de hele samenleving raakt. In het algemeen wordt gedacht dat individualisering zich vooral voordoet bij hogere opgeleiden en in mindere mate bij de sociaal lagere klassen. Zo schrijft Vandercasteele:
“(...) het nieuwe geïndividualiseerde gedachtegoed waarvan men verwacht dat het de hele samenleving overspoelt, lijkt enkel bestemd te zijn voor een beperkt deel van de maatschappij”.6
Hiermee is echter nog steeds niet de vraag beantwoord wat onder de term ‘individualisering’ moet worden verstaan. Hoewel individualisering dus een heel breed begrip is, waarmee allerlei uiteenlopende maatschappelijke verschijnselen worden geduid, wordt er in de literatuur wel een aantal gemeenschappelijke elementen onderkend.
In het boek Individualisering in Nederland aan het einde van de twintigste eeuw, worden de volgende vijf dimensies onderscheiden:7
Detraditionalisering (de-institutionalisering). Het losmaken of niet meer participeren in traditionele instituties. Men distantieert zich steeds meer van allerlei traditionele verbanden zoals kerken, het gezin, politieke partijen en vakbonden. De banden met anderen zijn zwakker en minder allesomvattend geworden.
Modernisering (culturele individualisering). Men wordt steeds minder gestuurd door traditionele opvattingen. In toenemende mate wordt de nadruk gelegd op zelfcontrole, eigen verantwoordelijkheid en zelfsturing.
Privatisering. Omdat de opvattingen steeds minder worden gevormd door de sociale verbanden waarvan men deel uitmaakt, bestaat er minder samenhang met de sociale klasse, opleiding of leeftijd. Mensen zijn dan minder makkelijk in te delen in sociale categorieën; de ‘groepsgebonden polarisatie’ neemt af. Het is dan steeds moeilijker om te spreken van typische opvattingen van katholieken, jongeren of hoogopgeleiden. Dit verschijnsel wordt ook wel aangeduid als emancipatie.
Fragmentering van opvattingen en waarden. Er zou steeds minder samenhang bestaan tussen de opvattingen en waarden van individuen. De opvattingen zijn minder makkelijk samen te brengen onder een gemeenschappelijke noemer. Dit kan worden verduidelijkt met een voorbeeld uit de politiek. Er bestaat een politieke stroming die kan worden aangeduid als de conservatieve ideologie. In deze ideologie wordt de culturele vrijheid van het individu beperkt (bijv. blijkend uit opvattingen over euthanasie of abortus of de traditionele rol van de vrouw), terwijl de economische vrijheid onbeperkt is. Als er sprake zou zijn van fragmentering van opvattingen en waarden zouden individuen vaker bijvoorbeeld wel de opvatting delen over de economische vrijheid zonder dat ze de opvatting over de beperking van de culturele vrijheid onderstrepen.8
Heterogenisering van de opvattingen en waarden. Dit betekent dat de verschillen in opvattingen tussen individuen steeds groter worden en dus de overeenstemming tussen mensen steeds kleiner. Een gevolg hiervan zou zijn dat er minder snel consensus over allerlei zaken kan worden bereikt. Het verschil met de onder 4 genoemde dimensie, is dat fragmentering betekent dat de opvattingen van individuen minder samenclusteren tot herkenbare patronen. Bij heterogenisering gaat het erom dat er steeds meer verschillen in opvattingen tussen individuen bestaan, met andere woorden dat mensen steeds minder dezelfde opvattingen delen.
Het lijkt erop dat de onder 1 en 2 genoemde dimensies, de afname van het belang van traditionele verbanden en dat men zich minder laat sturen door traditionele opvattingen, meer aan de ‘inputzijde’ zitten van het individualiseringsproces en de onder 3, 4 en 5 genoemde verschijnselen de mogelijke uitkomst daarvan zijn. Dit betekent echter niet dat als de onder 1 en 2 genoemde verschijnselen zich in onze samenleving inderdaad – in meer of mindere mate – voordoen, dit noodzakelijkerwijs leidt tot de onder 3, 4 en 5 genoemde gevolgen. Als de keuzevrijheid inderdaad toeneemt doordat men zich losmaakt van als knellend ervaren banden, betekent dit niet dat men daardoor ook andere keuzes maakt.9 Ook in de omschrijving van Duyvendak komt het verschil tussen de onderliggende verschijnselen, de input, en de uitkomst van het individualiseringsproces, de output, terug.10 Hij spreekt in dit verband over ‘decollectivisering’, of een andere ‘wij-ik-balans’, wat op individueel niveau zou leiden tot een toegenomen individuele keuzevrijheid en het koesteren van individualistische waarden en dat op maatschappelijk niveau zou resulteren in een grotere diversiteit in gedrag en opvattingen.