Prg. 2002, 5847
Ontbreken bestemming van boete in beëindigingsovereenkomst niet in strijd met 7:650 lid 3 BW. Bepaling bestemming slechts vereist bij overtreding ordevoorschriften gedurende dienstverband. Uitsluiten die boete te kunnen matigen wel in strijd met 6:94 lid 3 BW. Sterke matiging van gevorderde boete ad ƒ 20 000 tot ƒ 500.
Rb. 's-Gravenhage 07-02-2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AJ0747
- Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
- Datum
7 februari 2002
- Magistraten
G.H.I.J. Hage
- Zaaknummer
189404/CVEXPL00-2215
- LJN
AJ0747
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Vermogensrecht (V)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBSGR:2002:AJ0747, Uitspraak, Rechtbank 's-Gravenhage, 07‑02‑2002
- Wetingang
BW art. 6:94 lid 3; BW art. 7:650
Essentie
Ontbreken bestemming van boete in beëindigingsovereenkomst niet in strijd met 7:650 lid 3 BW. Bepaling bestemming slechts vereist bij overtreding ordevoorschriften gedurende dienstverband. Uitsluiten die boete te kunnen matigen wel in strijd met 6:94 lid 3 BW. Sterke matiging van gevorderde boete ad ƒ 20 000 tot ƒ 500.
Samenvatting
Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ex-werknemer nog twee maal de bedrijfslocatie bezocht. Die bezoeken zouden volgens werkgeefster in strijd zijn met een in de beëindigingsovereenkomst neergelegd verbod, waarop een — niet te matigen — boete is gesteld van ƒ 10 000 per overtreding. Gevorderd wordt dan ook een boetebedrag van ƒ 20 000, vermeerderd ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.