Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/2.3.4.1
2.3.4.1 Inleiding
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS609396:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Fairhurst 2016, p. 83 en 84, Petursson 2014, p. 139 en Tridimas 2006, p. 176, waarnaar Petursson eveneens verwijst. Daarnaast verwijst Petursson in dit verband naar artikel 5 Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, waaruit volgt dat het evenredigheidsbeginsel zowel ten aanzien van de verhouding EU-lidstaat als EU-burger geldt. De passage van artikel 5 waar Petursson naar verwijst luidt: ‘In de ontwerpen van wetgevingshandelingen wordt er rekening mee gehouden dat alle, financiële of administratieve, lasten voor de Unie, de nationale regeringen, de regionale of lokale overheden, het bedrijfsleven en de burgers tot een minimum moeten worden beperkt en in verhouding moeten staan tot het te bereiken doel.’
HvJ EG 13 november 1990, C-331/88 (Fedesa), r.o. 13.
Petursson 2014, p. 141-147.
Tridimas 2006, p.138, waarnaar tevens door Petursson 2014, p.141 wordt verwezen. Zie ook Sauter 2013, p. 12-15.
Zie par. 2.3.7, waar uiteengezet wordt dat de bepalingen uit de Richtlijn ETS een beperking van het recht van vrije vestiging veroorzaken, maar dat ten aanzien van de evenredigheidsvraag door het Hof slechts de test wordt aangelegd of de maatregel ‘kennelijk ongeschikt’ is om het nagestreefde doel te bereiken.
Zie bijvoorbeeld: HvJ EG 13 november 1990, C-331/88 (Fedesa), r.o. 14, HvJ EG 11 juli 1989, C-265/87 (Schräder), r.o. 22 en HvJ EG 14 december 2004, C-210/03 (Swedish Match), r.o. 48. Zie over de ‘kennelijke ongeschiktheid’ tevens: Petursson 2014, p. 141-143.
Harbo 2010, i.h.b. p. 173
Het eigendomsrecht wordt mogelijk aangetast, nu immers de exploitanten van installaties worden onderworpen aan de verplichting hun emissies bij te houden en emissierechten in te leveren. Door het beperkte aantal emissierechten wordt daarbij hun mogelijkheid tot gebruik van hun installaties beperkt. Het recht op een vrije beroepsuitoefening wordt mogelijk beperkt, nu het drijven van een vliegmaatschappij of installatie aan regels wordt gebonden, voor zover het drijven hiervan onder het ETS valt.
Door het Hof van Justitie wordt in het kader van eigendomsbeperkingen expliciet vereist dat de beperkingen uit de maatregelen daadwerkelijk het doel van de maatregel nastreven, en dat deze niet zo ver gaan dat het eigendomsrecht wezenlijk wordt aangetast (HvJ EG 13 december 1979, C-44/79 (Hauer), r.o. 23; zie ook HvJ EG, 3 september 2008, C-402/05P en C-415/05 P (Kadi), r.o. 355. Naar het oordeel van Benedikt Pirker intensiveerde het Hof haar toets ten aanzien van evenredigheid in het kader van een eigendomsrecht in Kadi (zie Pirker 2013, p. 254). Dit is mijns inziens echter een incorrecte analyse van dit arrest, aangezien de intensievere toets en het oordeel dat de maatregel van de EU onevenredig was, gestoeld was op het feit dat het procedurele recht van verzoeker om gehoord te worden was geschonden (r.o. 368-370)).
Het evenredigheidsbeginsel wordt in artikel 5 EG als volgt verwoord:
‘Het optreden van de Gemeenschap gaat niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken.’1
Het evenredigheidsbeginsel van artikel 5 EG, thans artikel 5 VEU, heeft betrekking op de verhouding tussen de EU en de lidstaten, alsook op de verhouding tussen de EU en het individu.2 Het evenredigheidsbeginsel wordt verder als algemeen rechtsbeginsel van de EU door het Hof van Justitie erkend.3
Het evenredigheidsbeginsel kent verschillende interpretaties, afhankelijk van de context waarin het wordt toegepast. Zo is de intensiteit van de toets groter wanneer er nationale maatregelen aan vrij verkeersbepalingen worden getoetst.4 Wanneer echter een EU-handeling aan het evenredigheidsbeginsel wordt getoetst zal over het algemeen de toets worden aangehouden of de handeling ‘kennelijk ongeschikt’ is om het nagestreefde doel te bereiken.5 Ook wanneer deze toetsing plaatsvindt in de context van de vrij verkeersbepalingen.6 Deze ‘kennelijk ongeschiktheid-toets’ wordt daarbij mijns inziens gebaseerd op de discretionaire bevoegdheid van de EU-wetgever.7
Daarnaast wordt ook wel het standpunt ingenomen dat de intensiteit van de evenredigheidstoets toeneemt, wanneer er fundamentele rechten van een individueel karakter aan de orde zijn. En dat de origine van de maatregel (EU- of lidstaatniveau) minder relevant is.8 Aangezien het Hof in de context van de vrij verkeersbepalingen ten aanzien van EU-wetgeving slechts de toets toepast of de maatregel ‘kennelijk ongeschikt’ is, terwijl de toets ten aanzien van lidstaatmaatregelen in die context intensiever is, ben ik het niet met dat standpunt eens. De origine van een maatregel (EU- of lidstaatniveau) blijkt wel degelijk van doorslaggevend belang te zijn voor de intensiteit van de evenredigheidstoets.
Echter, waar andere individuele rechten aan de orde zijn, is de toets van het Hof over het algemeen wel intensiever. In de context van de Richtlijn kan er daarbij op worden gewezen dat deze mogelijk het eigendomsrecht en het recht op een vrije beroepsuitoefening beperkt.9 Ten aanzien van deze rechten wordt mijns inziens door het Hof een strengere toets toegepast dan de ‘kennelijke ongeschiktheid’.10 In het navolgende zal de Richtlijn worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel in het algemeen, en in het kader van het eigendomsrecht en het recht op een vrije beroepsuitoefening. Voor zover het evenredigheidsbeginsel in het kader van de vrij verkeersbepalingen (zoals het vrij verkeer van goederen) ten aanzien van de Richtlijn moet worden toegepast, zal dit behandeld worden in de context van de desbetreffende vrij verkeersbepalingen in de subparagrafen 2.3.5-2.3.7.