Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/6.3.2.0:6.3.2.0 Inleiding
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/6.3.2.0
6.3.2.0 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630522:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de zogenoemde onrendabele investeringen. Dit zijn investeringen waarvan op het tijdstip dat de investering wordt gedaan al duidelijk is dat ze niet het bedrijfseconomische geëiste rendement zullen opleveren. Dergelijke investeringen komen met name voor bij non-profitorganisaties en overheidsorganisaties, omdat deze organisaties gezien hun doelstelling/bedrijfsuitoefening ook investeringen zullen plegen die niet een financieel doel maar een maatschappelijk doel hebben. Deze situatie verschilt van een miskoop. Bij een miskoop blijkt later dat het rendement veel lager is dan verwacht.
S.A. Stevens illustreert de problematiek aan de hand van het volgende voorbeeld:
‘Stel op 31 december 2007 is een woning opgeleverd. De voortbrengingskosten zijn 1.000.000 De bedrijfswaarde is 700.000 zodat de onrendabele top 300.000 is. Per 1 januari 2008 wordt de openingsbalans gemaakt en moet de woning gewaardeerd worden op 700.000. De gehele onrendabele top van 300.000 komt ten laste van de onbelaste periode. Zou dezelfde investering in de belaste periode zijn gedaan (in het jaar 2008) dan drukt de onrendabele top geheel op de belaste periode. De last komt tot uitdrukking via de afschrijvingen (of waardering op lagere bedrijfswaarde) en uiterlijk bij vervreemding of buiten gebruikstelling.’1
Op basis van de huidige systematiek moeten de onrendabele investeringen gewaardeerd worden tegen de waarde in het economische verkeer op de fiscale openingsbalans. Het verschil tussen het bedrijfseconomisch geëiste rendement en het werkelijke rendement is de onrendabele top die volledig wordt toegerekend aan de onbelaste periode. In de belaste periode wordt de contante waarde van een zakelijk rendement in aanmerking genomen in plaats van het genoten rendement. Hierdoor sluit het rendement dat in de heffing wordt betrokken niet aan bij het genoten rendement. Als de woning vervolgens wordt verkocht in de belaste periode voor € 800.000 dan leidt dit tot de volgende winstallocatie:
Onbelaste periode
Belaste periode
Totaal
Waardemutatie/onrendabele top
€
-300.000
€
100.000
€
-200.000
Totaal
€
-300.000
€
100.000
€
-200.000
In hoofdstuk drie heb ik geconcludeerd dat maatschappelijke kosten aftrekbaar zijn als de kosten verband houden met het behartigen van de maatschappelijke doelstelling van het lichaam. Het lijkt mij daarom niet terecht dat deze kosten nu in het geheel niet aftrekbaar zijn. Er kan worden betoogd dat het besluit tot investering de kosten veroorzaakt en daardoor de gehele onrendabele investering moet wordt toegerekend aan de onbelaste periode. Als deze beslissing de fiscaal meest relevante gebeurtenis is, is het correct dat de winstbepaling hierbij aansluit. Als daarentegen het feitelijke gebruik en de exploitatie (de bedrijfsuitoefening) worden gezien als de feiten die onderrentabiliteit veroorzaken, is het logischer de kosten aan de exploitatieperiode toe te rekenen. Ook omdat de investering weliswaar onrendabel is in economische zin, maar wel degelijk bijdraagt aan de doelstelling van de (belaste) onderneming. De investering blijft (maatschappelijke) nutsprestaties afleveren in de belaste periode. De sociale huurwoningen van een woningcorporatie dragen bij aan het verwezenlijken van de maatschappelijke doelstelling van een woningcorporatie, los van de huurinkomsten. Op de fiscale openingsbalans wordt dit nut niet als afzonderlijk actief gewaardeerd, omdat dit nut voor een onafhankelijke zakelijke derde geen financiële waarde vertegenwoordigt.2 Voor een woningcorporatie hebben de sociale huurwoningen wel degelijk een maatschappelijke waarde.