Procestaal: Frans.
HvJ EU, 12-03-2026, nr. C-119/24
ECLI:EU:C:2026:189
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
12-03-2026
- Magistraten
I. Ziemele, kamerpresident, A. Kumin (rapporteur) en S. Gervasoni
- Zaaknummer
C-119/24
- Conclusie
N. Emiliou
- Roepnaam
Chefquet
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:189, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑03‑2026
ECLI:EU:C:2025:674, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑09‑2025
Uitspraak 12‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Vrij verkeer van werknemers — Inkomstenbelasting — Aanvullende belasting op de inkomstenbelasting van natuurlijke personen die kan worden geheven door gemeenten of agglomeraties waar deze personen wonen — Aanvullende belasting op de inkomstenbelasting ten laste van personen die geen fiscaal inwoner zijn en ten bate van de staat — Hogere belastingdruk voor personen die geen fiscaal inwoner zijn dan voor fiscale inwoners van een lidstaat — Vergelijkbaarheid van situaties — Geen rechtvaardiging
I. Ziemele, kamerpresident, A. Kumin (rapporteur) en S. Gervasoni
Partij(en)
In zaak C-119/24* [Chefquet] i.,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d'appel de Liège (hof van beroep Luik, België) bij beslissing van 5 februari 2024, ingekomen bij het Hof op 14 februari 2024, in de procedure
DK,
JO
tegen
Belgische Staat
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: I. Ziemele, kamerpresident, A. Kumin (rapporteur) en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
DK en JO, vertegenwoordigd door C. Lourtie, avocate,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door S. Baeyens, P. Cottin en C. Pochet als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Ferrand en W. Roels als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 september 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van artikel 45 VWEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen DK en JO, twee natuurlijke personen die fiscaal inwoner van Frankrijk zijn en wier beroepsinkomsten en inkomsten uit onroerend goed voor een deel in België zijn verkregen, enerzijds, en de Belgische Staat anderzijds, over hun belastingplicht in België gedurende meerdere jaren voor de inkomstenbelasting verhoogd met een aanvullende belasting die in deze lidstaat verschuldigd is door personen die geen fiscaal inwoner zijn (hierna: ‘betrokken aanvullende belasting’) en die wordt vastgesteld naar analogie van de aanvullende gemeentebelasting waaraan fiscale inwoners van die lidstaat zijn onderworpen (hierna: ‘betrokken aanvullende gemeentebelasting’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 45 VWEU luidt:
- ‘1.
Het verkeer van werknemers binnen de [Europese] Unie is vrij.
- 2.
Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
- 3.
Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om:
- a)
in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling;
- b)
zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten;
- c)
in een der lidstaten te verblijven teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden;
- d)
op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de [Europese] Commissie vast te stellen verordeningen.
- 4.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de betrekkingen in overheidsdienst.’
Belgisch recht
4
Artikel 245 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen van 10 april 1992 (Belgisch Staatsblad van 30 juli 1992, blz. 17120; hierna: ‘WIB 92’), zoals van toepassing voor de belastingjaren 1992 tot en met 2003, bepaalde:
‘De belasting gevestigd ingevolge de artikelen 243 en 244 [betreffende de inkomstenbelasting van niet-inwoners] wordt verhoogd met 6 opcentiemen ten bate van de Staat, berekend op de wijze als bepaald in artikel 466. […]’
5
Bij artikel 398 van de programmawet van 24 december 2002 (Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, blz. 58686) is aan artikel 245 WIB 92 een nieuwe alinea toegevoegd, die van toepassing is met ingang van belastingjaar 2005 en die bepaalt dat ‘[d]e Koning […] vastgesteld na overleg in de Ministerraad die opcentiemen [kan] verhogen tot maximaal zeven opcentiemen.’ Met ingang van belastingjaar 2005 zijn de in artikel 245, eerste alinea, WIB 92 bedoelde extra centiemen vastgesteld op zeven cent.
6
Artikel 465 WIB 92 luidt als volgt:
‘[…] [D]e agglomeraties en de gemeenten [mogen] een aanvullende belasting vestigen op de personenbelasting.’
7
Artikel 466 WIB 92 bepaalt:
‘De aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting en de aanvullende agglomeratiebelasting op de personenbelasting worden berekend op de personenbelasting vastgesteld:
- —
vóór verrekening van de […] vermelde voorafbetalingen en van de voorheffingen, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en de belastingkredieten […];
- —
vóór de toepassing van de […] vermeerderingen, van de […] bonificatie en van de belastingverhogingen […].’
8
Artikel 467 WIB 92 bepaalt het volgende:
‘De aanvullende belasting op de personenbelasting wordt door de gemeente of door de agglomeratie geheven ten laste van de rijksinwoners die respectievelijk belastbaar zijn in die gemeente of in de gemeenten die deel uitmaken van die agglomeratie.’
9
Artikel 468 WIB 92 luidt:
‘De aanvullende belasting wordt voor alle belastingplichtigen van eenzelfde agglomeratie of gemeente vastgesteld op een eenvormig percentage van de rijksbelasting. Wanneer dat percentage een breukgedeelte omvat, moet dat breukgedeelte tot één decimaal worden beperkt; dat percentage mag niet hoger liggen dan 1 % als de belasting wordt geheven door een agglomeratie. Op de aanvullende belasting mag geen vermindering, vrijstelling of uitzondering worden toegepast.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10
DK en JO, verzoekers in het hoofdgeding, zijn natuurlijke personen die gedurende de belastingjaren 1992 tot en met 1998, 2001 tot en met 2003 en 2007 tot en met 2009 (hierna: ‘betrokken belastingjaren’) fiscale inwoners van Frankrijk waren. In de loop van deze jaren is DK hoofdzakelijk als directeur Onderzoek werkzaam geweest bij het Centre national de la recherche scientifique (nationaal centrum voor wetenschappelijk onderzoek in Parijs, Frankrijk) en heeft hij daarnaast als parttimeleraar in loondienst gewerkt aan verschillende universiteiten in België, waarbij deze werkzaamheden in loondienst minder dan 25 % van zijn totale Belgische en buitenlandse beroepsinkomsten opbrachten. Zijn echtgenote JO werkte van 1992 tot en met 1998 in loondienst in Frankrijk, maar oefent sinds 2000 geen beroepswerkzaamheden meer uit. Voorts blijkt uit de informatie waarover het Hof beschikt dat verzoekers in het hoofdgeding in de betrokken belastingjaren eigenaar waren van onroerende goederen in België.
11
Zij zijn voor die belastingjaren door de Belgische autoriteiten als personen die geen fiscaal inwoner zijn belast over hun in België verkregen beroepsinkomsten en inkomsten uit onroerende goederen. Overeenkomstig artikel 245 WIB 92 is de inkomstenbelasting waaraan zij uit dien hoofde zijn onderworpen, verhoogd met de betrokken aanvullende belasting tegen een tarief van 6 % voor de belastingjaren 1992 tot en met 1998 en 2001 tot en met 2003, en met een tarief van 7 % voor de belastingjaren 2007 tot en met 2009.
12
Verzoekers in het hoofdgeding hebben bezwaar gemaakt tegen de voor de betrokken belastingjaren vastgestelde inkomstenbelasting en hebben dienaangaande meerdere bezwaren ingediend, met dien verstande dat voor sommige van deze belastingjaren alleen DK bezwaar heeft gemaakt. Deze bezwaren zijn bij verschillende administratieve besluiten deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard, waarbij alleen de bezwaren met betrekking tot de belastingjaren 1993 en 2008 deels zijn toegewezen.
13
Verzoekers in het hoofdgeding hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de tribunal de première instance de Namen (rechtbank van eerste aanleg Namen, België). Bij uitspraak van 20 januari 2016 heeft deze rechter deze beroepen gevoegd en deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
14
Bovendien heeft deze rechter bij die uitspraak het Grondwettelijk Hof (België) verzocht om een prejudiciële beslissing. Bij arrest van 6 juni 2019 heeft dat hof met name voor recht verklaard dat artikel 245 WIB 92, zoals van toepassing op de aanslagjaren 1992 tot en met 2009, geen met de artikelen 10 en 11 van de Belgische grondwet strijdige ongerechtvaardigde discriminatie inhield van personen die geen fiscaal inwoner van België zijn.
15
Op 3 februari 2020 hebben verzoekers in het hoofdgeding tegen de uitspraak van 20 januari 2016 hoger beroep ingesteld bij de cour d'appel de Liège (hof van beroep Luik, België), de verwijzende rechter.
16
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat verzoekers in het hoofdgeding bij deze rechter met name twijfels hebben geuit over de verenigbaarheid van artikel 245 WIB 92 met artikel 45 VWEU, aangezien enkel personen die geen fiscaal inwoner van België zijn, op grond van artikel 245 zijn onderworpen aan een aanvullende belasting tussen 6 en 7 % op de inkomstenbelasting die ten bate van de staat wordt betaald en wordt vastgesteld naar analogie van de in artikel 466 WIB 92 bedoelde betrokken aanvullende gemeentebelasting die door fiscale inwoners van die lidstaat verschuldigd is.
17
De Belgische Staat verzoekt de verwijzende rechter in essentie om de uitspraak van 20 januari 2016 te bevestigen.
18
Aangaande de verenigbaarheid van artikel 245 WIB 92 met artikel 45 VWEU volgt de verwijzende rechter het oordeel van het Grondwettelijk Hof dat artikel 245 van het WIB, zoals blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet waarbij dat artikel is ingevoerd, ertoe strekt met de heffing van de betrokken aanvullende belasting van personen die geen fiscaal inwoner van België zijn, elke discriminatie te voorkomen tussen fiscale inwoners van deze lidstaat, die aan de betrokken aanvullende gemeentebelasting zijn onderworpen, en niet-inwoners, alsmede laatstgenoemden naar evenredigheid te laten bijdragen aan de financiering van taken van algemeen belang, aangezien zij over het algemeen ook profiteren van de door de Belgische overheid geleverde voorzieningen en diensten.
19
Deze aanvullende belasting heeft bovendien geen kennelijk onevenredige gevolgen, aangezien zij wordt berekend naar evenredigheid van de belasting die verschuldigd is over de in die lidstaat behaalde of verkregen inkomsten. Voorts hebben de belasting op een tweede woning in die lidstaat en de woonbelasting in Frankrijk, waaraan niet-inwoners kunnen worden onderworpen, niet hetzelfde voorwerp of dezelfde functie als deze aanvullende belasting en zijn zij dus niet vergelijkbaar. Die aanvullende belasting wordt op dezelfde wijze berekend als de betrokken aanvullende gemeentebelasting, maar wordt geheven ten bate van de staat en heeft dus noch dezelfde aard, noch hetzelfde doel als deze belasting.
20
Tegen deze achtergrond heeft de cour d'appel de Liège de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Staat artikel 45 VWEU in de weg aan de toepassing van artikel 245 [WIB 92], voor zover dit artikel de belastingplichtige niet-inwoner onderwerpt aan een aanvullende nationale belasting van 6 tot 7 % ten opzichte van de belasting die hij zou betalen indien hij inwoner van het Koninkrijk [België] was; een aanvullende belasting die is vastgesteld naar analogie van de lokale belasting die de Belgische agglomeraties en gemeenten heffen van inwoners van het Koninkrijk [België] die hun hoofdverblijfplaats in deze agglomeraties en gemeenten hebben?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
21
Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen uiten verzoekers in het hoofdgeding twijfels over de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, door te stellen dat de motivering van dit verzoek niet voldoet aan de inhoudelijke vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en de punten 14, 15, 19 en 20 van de aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1; hierna: ‘aanbevelingen’), die door het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn geformuleerd en thans zijn opgenomen in de punten 14, 15, 19 en 20 van de aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB C, C/2024/6008), aangezien de prejudiciële vraag niet is opgenomen in een afzonderlijk deel van de verwijzingsbeslissing en deze beslissing geen uiteenzetting van de feiten en de in het onderhavige geval relevante nationale bepalingen bevat.
22
In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de nationale rechter wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, een omschrijving dient te geven van het feitelijke en wettelijke kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of ten minste de feiten uiteen te zetten waarop die vragen zijn gebaseerd (arresten van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C-320/90–C-322/90, EU:C:1993:26, punt 6, en 16 oktober 2025, Braila Winds, C-391/23, EU:C:2025:799, punt 30).
23
De gegevens in de verwijzingsbeslissingen moeten, ten eerste, het Hof in staat stellen een nuttig antwoord te geven op de vragen van de nationale rechter en, ten tweede, de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbenden in staat stellen het hun bij artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verleende recht uit te oefenen om opmerkingen in te dienen. Het Hof dient erop toe te zien dat dit recht gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge deze bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de belanghebbenden worden gebracht (arrest van 16 oktober 2025, Braila Winds, C-391/23, EU:C:2025:799, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
Deze cumulatieve vereisten met betrekking tot de inhoud van een verwijzingsbeslissing staan uitdrukkelijk vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering, en de verwijzende rechter wordt in het kader van de door artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking geacht deze te kennen en nauwgezet na te leven. Deze vereisten worden bovendien ook vermeld in de punten 13, 15 en 16 van de aanbevelingen (arrest van 16 oktober 2025, Braila Winds, C-391/23, EU:C:2025:799, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
In het onderhavige geval blijkt uit de gegevens in de verwijzingsbeslissing dat zij, ten eerste, het Hof in staat stellen een nuttig antwoord te geven op de gestelde vraag en, ten tweede, de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbenden in staat stellen het hun bij artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verleende recht uit te oefenen om opmerkingen in te dienen.
26
Het feitelijke kader van het hoofdgeding is weliswaar beknopt, maar het bevat om te beginnen alle daartoe noodzakelijke gegevens. Daarnaast is de inhoud van artikel 466 WIB 92, dat betrekking heeft op de berekening van de betrokken aanvullende gemeentebelasting, weliswaar niet uiteengezet in de verwijzingsbeslissing, maar kan worden volstaan met de opmerking dat artikel 245 WIB 92 de rechtsgrondslag vormt voor de aan verzoekers in het hoofdgeding opgelegde betrokken aanvullende belasting en in die beslissing letterlijk is overgenomen. Voorts is de in de schriftelijke opmerkingen van verzoekers vermelde precieze inhoud van artikel 466 van ondergeschikt belang, aangezien artikel 245 enkel naar artikel 466 verwijst voor de berekening van deze aanvullende belasting en uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze laatste op dezelfde wijze wordt berekend als de aanvullende gemeentebelasting. Ten slotte moeten de gestelde vragen volgens punt 19 van de aanbevelingen in een afzonderlijk en duidelijk omschreven deel van de verwijzingsbeslissing worden vermeld. In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat de gestelde vraag in een afzonderlijk punt van het dictum aan het einde van deze beslissing is weergegeven.
27
In die omstandigheden is dit verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Ten gronde
28
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 45 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke de inkomstenbelasting die in een lidstaat wordt geheven van personen die geen fiscaal inwoner zijn, wordt verhoogd met een aanvullende belasting tegen een vast tarief ten bate van deze lidstaat, die wordt vastgesteld naar analogie van een door fiscale inwoners van die lidstaat verschuldigde aanvullende belasting op de inkomstenbelasting ten bate van de agglomeraties of gemeenten die ervoor kiezen deze in te voeren en die het tarief ervan bepalen.
29
Vooraf zij eraan herinnerd dat, ofschoon de directe belastingen tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren, deze laatste niettemin verplicht zijn die bevoegdheid uit te oefenen in overeenstemming met het Unierecht en met name met de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden (arrest van 30 oktober 2025, Attal et Associés, C-321/24, EU:C:2025:836, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Toepasselijke fundamentele vrijheid
30
Nagegaan moet worden of artikel 45 VWEU van toepassing is op het hoofdgeding.
31
Volgens vaste rechtspraak valt iedere Unieburger die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en die in een andere lidstaat dan zijn woonstaat een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit, binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU [arrest van 15 juli 2021, Belgische Staat (Verlies van belastingvoordelen in de woonstaat), C-241/20, EU:C:2021:605, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
32
Hoewel in het onderhavige geval de nationaliteit van DK en JO niet in de verwijzingsbeslissing wordt vermeld, is deze beslissing niettemin gebaseerd op het uitgangspunt dat zij staatsburgers van een lidstaat zijn.
33
Zoals blijkt uit punt 10 hierboven, heeft DK, als fiscaal inwoner van Frankrijk, in de betrokken belastingjaren in België beroepswerkzaamheden in loondienst uitgeoefend zodat zijn situatie binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt.
34
Volgens de informatie waarover het Hof beschikt, heeft JO in die jaren daarentegen uitsluitend een beroepswerkzaamheid in loondienst uitgeoefend in Frankrijk, waar zij haar fiscale woonplaats heeft, en oefent zij sinds 2000 geen beroepswerkzaamheden meer uit, aangezien de enige Belgische inkomsten van JO in die belastingjaren de in de punten 10 en 11 hierboven genoemde inkomsten uit onroerend goed waren waarover verzoekers in het hoofdgeding door de Belgische autoriteiten zijn belast.
35
Wat vastgoedinvesteringen betreft, is het vaste rechtspraak dat nationale maatregelen die verband houden met handelingen waarmee niet-inwoners dergelijke investeringen op het grondgebied van een lidstaat doen, zowel onder artikel 49 VWEU betreffende de vrijheid van vestiging als onder artikel 63 VWEU betreffende het vrije verkeer van kapitaal kunnen vallen [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C-342/20, EU:C:2022:276, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36
In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat bij de beantwoording van de vraag of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening moet worden gehouden met het voorwerp van de regeling in kwestie en, wanneer op basis van die regeling niet kan worden uitgemaakt onder welke van de fundamentele vrijheden zij overwegend valt, met de feitelijke gegevens van het concrete geval [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C-342/20, EU:C:2022:276, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37
De regels inzake het recht van vestiging kunnen in beginsel evenwel slechts worden toegepast indien een permanente aanwezigheid in de lidstaat van ontvangst verzekerd is en, in het geval van verwerving en bezit van onroerende goederen, deze goederen actief worden beheerd [arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C-342/20, EU:C:2022:276, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38
Gelet op het voorgaande is het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de situatie van JO binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt, zoals de bewoordingen van het verzoek om een prejudiciële beslissing suggereren, dan wel of zij veeleer moet worden getoetst aan artikel 49 VWEU of aan artikel 63 VWEU, met dien verstande dat in deze laatste gevallen het antwoord van het Hof op grond van artikel 45 VWEU mutatis mutandis zou kunnen worden toegepast (zie naar analogie arresten van 28 februari 2013, Beker en Beker, C-168/11, EU:C:2013:117, punt 45, en 14 maart 2019, Jacob en Lennertz, C-174/18, EU:C:2019:205, punt 23).
Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal
39
Volgens artikel 45, lid 2, VWEU houdt het vrije verkeer van werknemers de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten, wat de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden betreft.
40
Voorts zij er in dit verband aan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het in artikel 45, lid 2, VWEU opgenomen beginsel van gelijke behandeling niet alleen rechtstreekse discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, maar ook alle vormen van indirecte discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria, zoals het woonplaatscriterium, in feite tot hetzelfde resultaat leiden [arresten van 12 februari 1974, Sotgiu, 152/73, EU:C:1974:13, punt 11, en 30 mei 2024, Finanzamt Köln-Süd (Aanslag op verzoek van een beperkt belastingplichtige), C-627/22, EU:C:2024:431, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41
In het bijzonder zou het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van beloning worden uitgehold wanneer daaraan afbreuk kan worden gedaan door discriminerende nationale bepalingen inzake de inkomstenbelasting [arrest van 10 maart 2022, Commissie/België (Aftrek van onderhoudsuitkeringen), C-60/21, EU:C:2022:172, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42
In het onderhavige geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de betrokken aanvullende belasting, die verschuldigd is door personen die geen fiscaal inwoner van België zijn, bij artikel 245 WIB 92 is ingevoerd onder verwijzing naar de betrokken aanvullende gemeentebelasting, die uitsluitend wordt betaald door fiscale inwoners van deze lidstaat, teneinde deze twee categorieën belastingplichtigen naar evenredigheid van hun Belgische inkomsten bij te laten dragen en hen dus aan dezelfde belastingdruk te onderwerpen. Bijgevolg kunnen werknemers die staatsburger van andere lidstaten zijn niet zwaarder worden getroffen door de invoering van deze aanvullende belasting op zich.
43
Aan deze analyse wordt niet afgedaan door het betoog van verzoekers in het hoofdgeding dat zij in Frankrijk, hun fiscale woonstaat, reeds een woonbelasting betalen waardoor zij dubbel zouden worden belast. Immers moet worden vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft gedaan, dat de belasting over de huurwaarde van een woning geen enkel verband houdt met de in een lidstaat verworven inkomsten, zodat deze belasting niet kan worden gelijkgesteld met een op die inkomsten gebaseerde belasting (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, Pazdziej, C-349/14, EU:C:2015:338, punten 21–23). Bijgevolg kan hoe dan ook niet worden geoordeeld dat verzoekers in het hoofdgeding aan een dubbele belasting zijn onderworpen omdat zij zowel in Frankrijk als in België belastingplichtig waren voor respectievelijk de woonbelasting en de betrokken aanvullende belasting.
44
Uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt echter dat de betrokken aanvullende belasting, die ongeacht hun nationaliteit van toepassing is op alle personen met Belgische inkomsten die geen fiscaal inwoner zijn, laatstgenoemden in bepaalde situaties aan een hogere belastingdruk onderwerpt dan de belastingdruk die uit hoofde van dezelfde inkomsten op fiscale inwoners van België rust. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, worden fiscale inwoners van de Belgische gemeenten of agglomeraties waar de bevoegde lokale overheid de betrokken aanvullende gemeentebelasting niet heeft ingevoerd of het tarief ervan op een lager niveau heeft vastgesteld dan het tarief van de betrokken aanvullende belasting, immers fiscaal gunstiger behandeld dan niet-inwoners die aan de betrokken aanvullende belasting worden onderworpen.
45
Het is juist dat uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat het tarief van de betrokken aanvullende gemeentebelasting in andere Belgische gemeenten of agglomeraties hoger is dan het tarief van de betrokken aanvullende belasting. Bijgevolg worden fiscale inwoners slechts in een deel van de Belgische gemeenten of agglomeraties uit hoofde van in België verworven inkomsten aan een lagere belastingdruk onderworpen dan personen die geen fiscaal inwoner zijn.
46
In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat, opdat een maatregel als indirect discriminerend kan worden beschouwd, deze niet tot gevolg hoeft te hebben dat alle eigen staatsburgers van de betrokken staat worden begunstigd of dat enkel staatsburgers van andere lidstaten, met uitsluiting van de staatsburgers van de betrokken staat, worden benadeeld [arrest van 15 juni 2023, Ministero dell'Istruzione, dell'Università e della Ricerca (Speciale ranglijsten), C-132/22, EU:C:2023:489, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Zelfs de belastingregeling van een lidstaat die in de meeste gevallen gunstiger uitvalt voor belastingplichtige niet-inwoners kan indirecte discriminatie van laatstgenoemden vormen, wanneer zij hen in bepaalde gevallen benadeelt (zie in die zin arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek, C-252/14, EU:C:2016:402, punt 38).
47
Het in punt 44 hierboven vastgestelde verschil in behandeling zal waarschijnlijk meer ten nadele van de staatsburgers van andere lidstaten werken aangezien niet-inwoners vaker buitenlanders zijn (zie in die zin arresten van 27 juni 1996, Asscher, C-107/94, EU:C:1996:251, punt 38, en 16 mei 2024, Hocinx, C-27/23, EU:C:2024:404, punt 35), zodat zij in beginsel een door artikel 45 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van werknemers vormt.
48
Een dergelijke beperking kan enkel worden aanvaard indien zij betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (arrest van 22 juni 2017, Bechtel, C-20/16, EU:C:2017:488, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Op het gebied van de directe belastingen bevinden inwoners en niet-inwoners zich in het algemeen niet in vergelijkbare situaties, aangezien het door een niet-inwoner in een lidstaat verworven inkomen meestal slechts een deel van zijn totale inkomen vormt waarvan het zwaartepunt is geconcentreerd op zijn woonplaats, en de persoonlijke draagkracht van de niet-inwoner, die gevormd wordt door zijn totale inkomsten en zijn persoonlijke en gezinssituatie, het gemakkelijkst kan worden beoordeeld op de plaats waar hij het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft, hetgeen in het algemeen overeenkomt met zijn gewone verblijfplaats [arresten van 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, EU:C:1995:31, punten 31 en 32, en 10 maart 2022, Commissie/België (Aftrek van onderhoudsuitkeringen), C-60/21, EU:C:2022:172, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
50
Er kan dus slechts sprake zijn van een beperking van het vrije verkeer van werknemers in de zin van artikel 45 VWEU indien vaststaat dat belastingplichtige inwoners en belastingplichtige niet-inwoners, ondanks hun woonplaats in verschillende lidstaten, zich in een vergelijkbare situatie bevinden, gelet op de doelstelling alsmede het voorwerp en de inhoud van de betrokken nationale bepalingen [zie arresten van 10 maart 2022, Commissie/België (Aftrek van onderhoudsuitkeringen), C-60/21, EU:C:2022:172, punt 21, en 27 februari 2025, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (Wijze waarop een icb wordt beheerd), C-18/23, EU:C:2025:119, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
51
Alleen de in de betrokken regeling vastgelegde relevante onderscheidingscriteria mogen in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of het uit die regeling voortvloeiende verschil in behandeling beantwoordt aan objectief verschillende situaties [arrest van 27 februari 2025, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (Wijze waarop een icb wordt beheerd), C-18/23, EU:C:2025:119, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
52
Zoals blijkt uit punt 42 hierboven, is de betrokken aanvullende belasting in het onderhavige geval ingevoerd om personen die fiscaal geen inwoner zijn te onderwerpen aan dezelfde belastingdruk als die waaraan fiscale inwoners van België uit hoofde van de betrokken aanvullende gemeentebelasting zijn onderworpen. Zoals de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, wordt dit bevestigd door zowel de Belgische wetgever in de voorbereidende werkzaamheden van de wet waarbij artikel 245 WIB 92 is ingevoerd, als het Grondwettelijk Hof, dat van oordeel was dat deze aanvullende belasting ertoe strekte niet-inwoners en inwoners gelijk te behandelen teneinde te voorkomen dat laatstgenoemden ongunstig werden behandeld.
53
Wat het voorwerp en de inhoud van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling betreft, zij opgemerkt, zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie heeft gedaan, dat de betrokken aanvullende belasting en de betrokken aanvullende gemeentebelasting weliswaar een verschillende rechtsgrondslag hebben, maar dat dit niet wegneemt dat deze twee belastingen leiden tot een verhoging van de belastingdruk uit hoofde van de in België belastbare inkomsten en aldus alle belastingplichtigen, ongeacht of zij fiscaal inwoner van deze lidstaat zijn of niet, laten bijdragen aan de financiering van de openbare diensten.
54
Gelet op de doelstelling alsmede het voorwerp en de inhoud van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, moet worden vastgesteld dat inwoners en niet-inwoners zich in een vergelijkbare situatie bevinden ten aanzien van de belastingen die ertoe leiden dat belastingplichtigen bijdragen aan de financiering van de openbare diensten van de lidstaat waar zij inkomsten verwerven en waarvan het bedrag niet wordt bepaald aan de hand van hun persoonlijke of gezinssituatie in de zin van de in punt 49 hierboven uiteengezette rechtspraak, maar wordt berekend naar evenredigheid van het in die lidstaat verworven inkomen.
55
Bovendien moet worden vastgesteld dat de grondslag van de betrokken aanvullende belasting volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie wordt bepaald aan de hand van de in artikel 466 WIB 92 vastgestelde grondslag van de betrokken aanvullende gemeentebelasting.
56
Daarmee behandelt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling belastingplichtige niet-inwoners in dit opzicht dus op dezelfde wijze als belastingplichtige inwoners en erkent die regeling aldus dat hun situaties vergelijkbaar zijn voor de toepassing van de betrokken belastingen.
57
De betrokken aanvullende belasting wordt weliswaar betaald aan de staat terwijl de betrokken aanvullende gemeentebelasting wordt betaald aan de Belgische gemeenten of agglomeraties die deze hebben vastgesteld, maar dit verschil doet geen afbreuk aan de vergelijkbaarheid van de betrokken situaties. De heffing van deze aanvullende belasting van belastingplichtige niet-inwoners hangt immers samen met het feit dat zij geen ‘belastbare inwoners’ in een bepaalde gemeente of agglomeratie van die lidstaat in de zin van artikel 467 WIB 92 zijn, en het dus niet mogelijk is om hen rechtstreeks met een van deze overheidslichamen in verband te brengen teneinde hen, net als belastingplichtige inwoners, aan deze gemeentebelasting te kunnen onderwerpen.
58
Het verschil tussen de hoogte van de betrokken aanvullende belasting en de betrokken aanvullende gemeentebelasting berust dus op een onderscheidingscriterium dat rechtstreeks en uitsluitend voortvloeit uit de woonplaats van de betrokken belastingplichtigen (zie naar analogie arresten van 17 maart 2022, AllianzGI-Fonds AEVN, C-545/19, EU:C:2022:193, punt 73, en 27 april 2023, L Fund, C-537/20, EU:C:2023:339, punt 57) in de zin van de in punt 40 hierboven vermelde rechtspraak, ook al bevinden personen die fiscaal geen inwoner zijn en die aan de betrokken aanvullende belasting worden onderworpen, zich in een situatie die vergelijkbaar is met die van fiscale inwoners van België, die de betrokken aanvullende gemeentebelasting verschuldigd zijn.
59
Gelet op de in punt 44 hierboven vastgestelde ongelijke behandeling ten nadele van personen die fiscaal geen inwoner zijn — aangezien zij aan een hogere belastingdruk worden onderworpen dan bepaalde fiscale inwoners van België, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan — beperkt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling derhalve het vrije verkeer van werknemers (zie naar analogie arresten van 28 februari 2013, Petersen, C-544/11, EU:C:2013:124, punt 46, en 30 oktober 2025, Attal et Associés, C-321/24, EU:C:2025:836, punt 38).
Rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van werknemers
60
Een beperking van het vrije verkeer van werknemers is volgens vaste rechtspraak van het Hof slechts gerechtvaardigd wanneer zij geschikt is om de verwezenlijking van een legitieme doelstelling te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken (zie in die zin arrest van 10 juli 2025, Städteregion Aachen, C-257/24, EU:C:2025:567, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter en de Belgische regering aangeven dat de betrokken aanvullende belasting beoogt te voorkomen dat fiscale inwoners van België worden gediscrimineerd ten opzichte van personen die geen fiscaal inwoner zijn, door deze laatsten — met het oog op een gelijke behandeling — op vergelijkbare wijze en naar evenredigheid van hun Belgische inkomsten te laten bijdragen aan de financiering van de openbare diensten.
62
In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat het juist is dat de doelstelling om personen die geen fiscaal inwoner zijn, naar evenredigheid van de in een lidstaat verworven inkomsten te laten bijdragen aan de financiering van de openbare diensten van deze lidstaat, legitiem kan zijn. Echter moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zoals blijkt uit punt 44 hierboven, niet een gelijke belastingdruk maar — in bepaalde situaties — een zwaardere belastingdruk aan deze niet-inwoners oplegt dan op sommige van die inwoners rust. Deze regeling is dus niet geschikt om deze doelstelling te verwezenlijken en gaat verder dan noodzakelijk is om die te bereiken.
63
Ten tweede moet worden vastgesteld dat een beperking van het vrije verkeer van werknemers ten nadele van belastingplichtige niet-inwoners niet kan worden gerechtvaardigd door de doelstelling om omgekeerde discriminatie van belastingplichtige inwoners te voorkomen (zie naar analogie arrest van 27 juni 1996, Asscher, C-107/94, EU:C:1996:251, punten 51–54).
64
Overeenkomstig artikel 45, lid 2, VWEU houdt het vrije verkeer van werknemers immers de afschaffing in van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten. Zoals in essentie blijkt uit punt 47 hierboven, zijn niet-inwoners meestal buitenlanders terwijl inwoners meestal eigen staatsburgers zijn.
65
Indien een lidstaat een beperking van het vrije verkeer van werknemers ten nadele van belastingplichtige niet-inwoners zou kunnen rechtvaardigen krachtens artikel 45, lid 2, VWEU op grond dat daarmee wordt beoogd een ongunstige behandeling van belastingplichtige inwoners te voorkomen, zou dit erop neerkomen dat het vrije verkeer van werknemers wordt uitgehold. In een dergelijk geval zou een doel dat onverenigbaar is met de doelstelling van afschaffing van elke discriminatie op grond van nationaliteit voorrang hebben, aangezien de bescherming door een lidstaat van zijn eigen onderdanen daarmee voorrang zou krijgen boven die van onderdanen van andere lidstaten.
66
Voorts zij eraan herinnerd dat het Unierecht geen rekening houdt met een door een lidstaat ten nadele van eigen staatsburgers ingevoerd verschil in behandeling dat in voorkomend geval onder het begrip ‘omgekeerde discriminatie’ valt (zie in die zin arrest van 2 april 2020, PF e.a., C-830/18, EU:C:2020:275, punt 35).
67
Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat een eventueel verschil in behandeling ten laste van fiscale inwoners van België in het onderhavige geval niet voortvloeit uit het Unierecht maar uit het Belgische recht, aangezien de heffing van de betrokken aanvullende gemeentebelasting geenszins wordt verplicht door het Unierecht (zie in die zin en naar analogie arrest van 21 maart 2019, Commissie/Polen, C-127/17, EU:C:2019:236, punt 62).
68
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter is de indirecte discriminatie op grond van artikel 45, lid 2, VWEU waarmee personen die geen fiscaal inwoner van België zijn in bepaalde situaties worden geconfronteerd, dus niet gerechtvaardigd.
69
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 45, lid 2, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke de inkomstenbelasting die in een lidstaat wordt geheven van personen die geen fiscaal inwoner zijn, wordt verhoogd met een aanvullende belasting tegen een vast tarief ten bate van deze lidstaat, die wordt vastgesteld naar analogie van een door fiscale inwoners van die lidstaat verschuldigde aanvullende belasting op de inkomstenbelasting ten bate van de agglomeraties of gemeenten die ervoor kiezen deze in te voeren en die het tarief ervan bepalen, wanneer de daaruit voortvloeiende belastingdruk voor deze personen die geen fiscaal inwoner zijn, althans in bepaalde gevallen, zwaarder is dan de belastingdruk die uit hoofde van die belasting op die fiscale inwoners rust.
Kosten
70
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 45, lid 2, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke de inkomstenbelasting die in een lidstaat wordt geheven van personen die geen fiscaal inwoner zijn, wordt verhoogd met een aanvullende belasting tegen een vast tarief ten bate van deze lidstaat, die wordt vastgesteld naar analogie van een door fiscale inwoners van die lidstaat verschuldigde aanvullende belasting op de inkomstenbelasting ten bate van de agglomeraties of gemeenten die ervoor kiezen deze in te voeren en die het tarief ervan bepalen, wanneer de daaruit voortvloeiende belastingdruk voor deze personen die geen fiscaal inwoner zijn, althans in bepaalde gevallen, zwaarder is dan de belastingdruk die uit hoofde van die belasting op die fiscale inwoners rust.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑03‑2026
Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Conclusie 04‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Artikel 45 VWEU — Vrij verkeer van werknemers — Inkomstenbelasting — Nationale wetgeving waarbij niet-ingezeten belastingplichtigen worden onderworpen aan een aanvullende nationale belasting naar analogie met op ingezeten belastingplichtigen geheven gemeentebelastingen
N. Emiliou
Partij(en)
Zaak C-119/24 [Chefquet] i.1.
DK,
JO
tegen
Belgische Staat
[verzoek van de cour d'appel de Liège (hof van beroep Luik, België) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
‘Niets ter wereld is moeilijker te begrijpen dan de inkomstenbelasting’2. is een beroemde, aan Albert Einstein toegeschreven uitspraak die vaak aangehaald wordt en zeer herkenbaar is, met name in een geval als het onderhavige, waar de belasting niet alleen wordt berekend op basis van het inkomen maar ook op basis van de postcode.
2.
Het onderhavige prejudiciële verzoek van de cour d'appel de Liège (hof van beroep Luik, België) heeft met name betrekking op Belgische nationale wetgeving waarbij alleen niet-ingezeten belastingplichtigen onderworpen zijn aan een aanvullende nationale belasting (‘opcentiemen’) als toeslag op de inkomstenbelasting. Die toeslag op nationaal niveau was echter ingevoerd als tegenhanger van de extra percentages die boven op de inkomstenbelasting voor ingezeten belastingplichtigen worden geheven door de stedelijke agglomeraties en de gemeenten en had de evenredigheid van de belastingdruk voor ingezetenen en niet-ingezetenen tot doel. Terwijl de aanvullende nationale belasting voor niet-ingezetenen op een vast tarief is vastgesteld, varieert de gemeentelijke toeslag per agglomeratie of gemeente. De verwijzende rechter verzoekt om aanwijzingen om uit te maken of die wetgeving verenigbaar is met het in artikel 45 VWEU verankerde vrije verkeer van werknemers.
3.
Deze zaak biedt het Hof dus de gelegenheid om opnieuw een situatie te verduidelijken en nader te onderzoeken, die zich op het snijvlak bevindt van de directe belastingen (die tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren) en de VWEU-bepalingen inzake het vrije verkeer (die de lidstaten bij de uitoefening van die bevoegdheid niettemin in acht dienen te nemen).3.
II. Toepasselijke bepalingen
4.
Het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: ‘WIB 92’) onderwerpt ingezetenen van België aan inkomstenbelasting over hun wereldwijd verworven inkomen, terwijl niet-ingezetenen slechts worden belast over in België verworven inkomen. In beide gevallen zijn de belastingtarieven die op de respectieve belastbare inkomens worden toegepast in beginsel gelijk.4.
5.
Volgens artikel 465 WIB 92 mogen de agglomeraties en gemeenten een aanvullende belasting vestigen op de personenbelasting voor ingezetenen van hun grondgebied (‘opcentiemen’; hierna: ‘gemeentelijke toeslag’). Die toeslag wordt op de in artikel 466 WIB 92 bepaalde wijze berekend als percentage van de (vóór toepassing van belastingaftrek, voorschotten of andere aanpassingen) verschuldigde inkomstenbelasting. Het specifieke tarief van de toeslag — dat is te zeggen: het toegepaste percentage — wordt door elke agglomeratie of gemeente5. zelfstandig vastgesteld en kan derhalve variëren.
6.
Artikel 245 WIB 92, de litigieuze bepaling in deze zaak, bepaalt dat op de inkomstenbelasting van niet-ingezetenen een fiscale toeslag wordt toegepast ten bate van de staat (eveneens ‘opcentiemen’ genoemd; hierna: ‘toeslag voor niet-ingezetenen’), die wordt vastgesteld op een vast tarief, maar net als de gemeentelijke toeslagen wordt berekend in overeenstemming met genoemd artikel 466 WIB 92.
7.
De precieze formulering van artikel 245 WIB 92 was, evenals het toepasselijke tarief van de toeslag voor niet-ingezetenen, tijdens de voor het hoofdgeding relevante periode onderhevig aan veranderingen.
8.
In de versie die gold voor de fiscale jaren 1992 tot en met 2003 bepaalde dat artikel: ‘De belasting [voor niet-ingezetenen] wordt verhoogd met [%] ten bate van de Staat, berekend op de wijze als bepaald in artikel 466 [WIB 92].’
9.
Met ingang van het fiscale jaar 2005 werd dat artikel aangevuld met een tweede alinea, die luidde: ‘De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad die [toeslag voor niet-ingezetenen] verhogen tot maximaal [7 %]’6.. Het tarief van de toeslag voor niet-ingezetenen is sindsdien vastgesteld op 7 %.7.
III. Procedure in het hoofdgeding en prejudiciële vragen
10.
Het onderhavige prejudiciële verzoek is gerezen in de context van een procedure tussen het echtpaar DK en JO (hierna samen: ‘appellanten’), enerzijds, en de Belgische Staat, anderzijds, betreffende de vaststelling van de door appellanten te betalen inkomstenbelasting over verschillende fiscale jaren.
11.
Tijdens de hier relevante fiscale jaren (te weten: 1992 tot en met 1998, 2001 tot en met 2003 en 2007 tot en met 2009) woonden appellanten in Frankrijk.8. DK werkte hoofdzakelijk in Frankrijk, maar daarnaast ook parttime in België, als hoogleraar op diverse universiteiten. Zijn echtgenote, JO, was tot 2000 in loondienst in Frankrijk en is sindsdien niet meer beroepsmatig actief geweest. Appellanten bezaten tijdens deze periode voorts onroerend goed in België.
12.
Appellanten werden als niet-ingezetenen in België belast ter zake van hun in België — uit arbeid en onroerend goed — verworven inkomsten. Conform artikel 245 WIB 92 pasten de Belgische autoriteiten in hun aanslag voor de inkomstenbelasting de toeslag voor niet-ingezetenen toe.
13.
Appellanten hebben deze aanslagen inkomstenbelasting, waaronder de toepassing van de toeslag voor niet-ingezetenen, voor de relevante fiscale jaren betwist. Zij hebben bij de bevoegde administratieve autoriteiten achtereenvolgende bezwaarschriften ingediend, die alle zijn afgewezen als niet-ontvankelijk of ongegrond.9.
14.
Appellanten hebben vervolgens bij de tribunal de première instance, Namur (rechtbank van eerste aanleg Namen, België), vier afzonderlijke beroepen ingesteld, waarin zij de relevante aanslagen inkomstenbelasting — waaronder de toepassing van de toeslag voor niet-ingezetenen — op meerdere gronden hebben betwist.10. Op 20 januari 2016 heeft die rechter die beroepen gevoegd en de meeste door appellanten aangevoerde middelen verworpen als niet-ontvankelijk of ongegrond. Met betrekking tot de overige aangevoerde middelen heeft deze rechter zijn beslissing aangehouden en twee prejudiciële vragen voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof (België) betreffende de verenigbaarheid van enige bepalingen van het WIB 92 met de artikelen 10 en 11 van de Belgische grondwet (waarin het discriminatieverbod en het beginsel van gelijke behandeling van Belgische burgers zijn verankerd).
15.
Voor het onderhavige prejudiciële verzoek is enkel de eerste van die twee vragen relevant, te weten die met betrekking tot artikel 245 WIB 92 inzake de toeslag voor niet-ingezetenen. Met name werd het Grondwettelijk Hof gevraagd of dat artikel een ongerechtvaardigde discriminatie tussen niet-ingezetenen en ingezetenen oplevert, in de zin dat het niet-ingezetenen onderwerpt aan een toeslag die overeenkomsten vertoont met de gemeentelijke toeslagen voor ingezetenen, terwijl de niet-ingezetenen niet op dezelfde wijze van de voorzieningen en infrastructuur van een Belgische gemeente profiteren als de ingezetenen.
16.
Bij arrest van 6 juni 2019 (hierna: ‘arrest van het Grondwettelijk Hof’)11. heeft het Grondwettelijk Hof die vraag ontkennend beantwoord, en geoordeeld dat artikel 245 WIB 92 niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Belgische grondwet. Dat hof wees er met name op dat die bepaling, blijkens de totstandkomingsgeschiedenis ervan, tot doel heeft elke discriminatie tussen ingezetenen en niet-ingezetenen te vermijden. Het merkte bovendien op dat zowel niet-ingezetenen als ingezetenen op algemene wijze profiteren van de door de Belgische overheden verschafte installaties en diensten, voor zover die hen in staat stellen om Belgische inkomsten te verwerven (waarop de aan de Belgische Staat verschuldigde belasting van niet-ingezetenen wordt berekend). Het Grondwettelijk Hof benadrukte voorts dat de toeslag voor niet-ingezetenen uitsluitend wordt berekend over het inkomen dat deze uit Belgische bronnen hebben verworven (en niet over hun inkomen wereldwijd), en aldus ertoe strekt de niet-ingezetenen op evenredige wijze te laten bijdragen in de financiering van taken van algemeen belang.
17.
Op 3 februari 2020 hebben appellanten bij de cour d'appel de Liège, de verwijzende rechter, beroep ingesteld tegen de beslissing in eerste aanleg. In hun beroep trokken appellanten onder meer in twijfel of artikel 245 WIB 92 verenigbaar is met de in artikel 45 VWEU verankerde vrijheid van verkeer van werknemers, en verzochten zij die rechter om hierover een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie. In die omstandigheden heeft de cour d'appel de Liège besloten om de procedure te schorsen en het Hof de volgende vraag voor te leggen:
‘Staat artikel 45 VWEU in de weg aan de toepassing van artikel 245 [WIB 92], voor zover dit artikel de belastingplichtige niet-ingezetene onderwerpt aan een aanvullende nationale belasting van 6 tot 7 % ten opzichte van de belasting die hij zou betalen indien hij ingezetene van het Koninkrijk [België] was; een toeslag die is vastgesteld naar analogie van de lokale belasting die de Belgische agglomeraties en gemeenten heffen van ingezetenen van het Koninkrijk [België] die hun hoofdverblijfplaats in deze agglomeraties en gemeenten hebben?’
18.
Appellanten, de Belgische regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Er heeft geen terechtzitting plaatsgevonden.
IV. Analyse
19.
Met zijn prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter om advies over de verenigbaarheid van de toeslag voor niet-ingezetenen krachtens artikel 245 WIB 92 met artikel 45 VWEU, waarin het vrije verkeer van werknemers is verankerd, met de motivering dat die toeslag alleen wordt geheven jegens niet-ingezetenen, door de staat en volgens een vast tarief, maar de tegenhanger vormt van de gemeentelijke toeslagen die de gemeenten, tegen variërende tarieven, heffen van de ingezetenen.
20.
Wat de opbouw van de analyse van deze vraag betreft, acht ik het noodzakelijk om eerst de argumenten uiteen te zetten die zijn aangevoerd in de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen (A). Ik zal vervolgens overgaan tot de beoordeling van de gestelde vraag, en onderzoeken of de onderhavige nationale wetgeving leidt tot onterechte discriminatie (B).
A. Opmerkingen voor het Hof
21.
Appellanten betogen dat artikel 245 WIB 92 onverenigbaar is met artikel 45 VWEU, omdat het discriminatie tussen ingezetenen en niet-ingezetenen van België oplevert, en derhalve een belemmering vormt voor het vrije verkeer van werknemers.
22.
Om dat standpunt te staven betogen zij dat de toeslag voor niet-ingezetenen fundamenteel verschilt van de gemeentelijke toeslag. Terwijl die laatste toeslag wordt bepaald en geheven door gemeentelijke autoriteiten, tegen een per gemeente variërend tarief, en dient voor de financiering van plaatselijke openbare diensten, wordt de eerste toeslag tegen een vastgesteld uniform tarief geheven door en ten bate van de staat. Daarom stellen appellanten dat de toeslag voor niet-ingezetenen als maatregel volledig verschilt van de gemeentelijke toeslag en alleen wordt opgelegd op grond van de status van niet-ingezetenen. Zij lijken derhalve te betogen dat zij, als belastingplichtigen, verkeren in een situatie die vergelijkbaar is met die van ingezetenen en toch verschillend worden behandeld, doordat zij worden onderworpen aan een nationale belasting die 6 tot 7 % van hun inkomstenbelasting bedraagt en die zij niet zouden hoeven te betalen wanneer zij Belgische ingezetenen waren.
23.
Zij erkennen vervolgens, enigszins dubbelzinnig, dat de toeslag voor niet-ingezetenen overeenkomt met de gemeentelijke toeslag en stellen vanuit dat perspectief dat zij op dezelfde wijze als ingezetenen worden behandeld, hoewel ze niet in een vergelijkbare situatie verkeren, aangezien zij, anders dan ingezetenen, niet in dezelfde mate profiteren van de door de gemeentelijke autoriteiten aangeboden diensten (zij sturen hun kinderen bijvoorbeeld niet naar een gemeentelijke school).
24.
Ten slotte wijzen appellanten erop dat zij ook in hun woonplaats (in Frankrijk) aan een plaatselijke belasting worden onderworpen — met name de taxe d'habitation (woonbelasting). Zij betogen dat de toeslag voor niet-ingezetenen, ook al houdt deze geen verband met de werkelijke woonplaats, in wezen op een tweede taxe d'habitation neerkomt en hen blootstelt aan dubbele belastingheffing.12.
25.
De Belgische regering betoogt van haar kant dat artikel 45 VWEU zich niet verzet tegen de oplegging van de toeslag voor niet-ingezetenen. In navolging van het arrest van het Grondwettelijk Hof betoogt zij dat niet-ingezetenen van België, voor zover zij in dat land onderworpen zijn aan inkomstenbelasting over hun aldaar verworven inkomen, zich bevinden in een situatie die vergelijkbaar is met die van ingezetenen, aangezien zij op dezelfde wijze profiteren van de openbare diensten die een kader scheppen waarbinnen zij in staat zijn dat inkomen te verwerven. In dat verband doet het volgens die regering niet ter zake of die openbare diensten op regionaal of federaal niveau worden aangeboden. De Belgische regering stelt dan ook dat de toeslag voor niet-ingezetenen als maatregel gelijkwaardig is aan de gemeentelijke toeslagen, en dus niet discriminerend is. Die maatregel beoogt daarentegen juist, volgens de doelstelling ervan, te verzekeren dat niet-ingezetenen op vergelijkbare wijze en in feite niet gunstiger worden behandeld dan ingezetenen, waarmee omgekeerde discriminatie wordt voorkomen — een doel dat de lidstaten rechtmatig kunnen nastreven.
26.
De Commissie stelt dat artikel 245 WIB 92 niet discriminerend is en geen belemmering vormt voor het vrije verkeer van werknemers. Haars inziens verkeren ingezetenen en niet-ingezetenen niet in een vergelijkbare situatie, aangezien niet-ingezetenen bij gebreke van een woonplaats in het land niet aan de gemeentelijke toeslag onderworpen kunnen zijn. Tegelijkertijd is zij ook van mening dat de toeslag voor niet-ingezetenen als maatregel losstaat van de gemeentelijke toeslag, op een andere rechtsgrondslag berust en is bedoeld om diensten op een ander niveau (namelijk op federaal niveau) te financieren. De Commissie benadrukt niettemin dat beide toeslagen berusten op dezelfde gedachtegang en een vergelijkbare doelstelling. Zij tekent bovendien aan dat het tarief van de toeslag voor niet-ingezetenen ongeveer op het niveau lijkt te liggen van het gemiddelde toeslagtarief van alle Belgische gemeenten. De Commissie suggereert dat de keuze voor een zodanig gemiddeld tarief (indien dit inderdaad het geval is) geen discriminatie is, maar valt binnen de aanvaardbare grenzen van de vrijheid van de lidstaten op het gebied van directe belastingen. Tot slot vestigt de Commissie er de aandacht op dat de toeslag voor niet-ingezetenen ertoe dient om de gelijke behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen te verzekeren in situaties waar identieke belasting praktisch gezien niet haalbaar is.
B. Beoordeling van de prejudiciële vraag
27.
Ik wijs er nogmaals op dat de verwijzende rechter met zijn vraag wenst te vernemen of artikel 245 WIB 92 tot instelling van een door de staat geheven vaste toeslag op de inkomstenbelasting voor niet-ingezetenen, naar analogie met de uiteenlopende, aan de ingezetenen van België opgelegde gemeentelijke toeslagen, verenigbaar is met het in artikel 45 VWEU verankerde vrije verkeer van werknemers.13. De verwijzende rechter vraagt in essentie om verduidelijking of de toeslag voor niet-ingezetenen een met artikel 45 VWEU strijdige discriminatie oplevert.
28.
Dienaangaande moet er vooraf aan worden herinnerd dat volgens artikel 45 VWEU het vrije verkeer van werknemers inhoudt dat elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit ten aanzien van werknemers uit de lidstaten moet worden afgeschaft, met name wat hun loon betreft. Zoals het Hof heeft opgemerkt, betekent dit dat artikel 45 VWEU zich ook verzet tegen discriminerende nationale bepalingen inzake de inkomstenbelasting, aangezien het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van beloning anders zou worden uitgehold.14.
29.
Voorts heeft het Hof consequent geoordeeld dat het in artikel 45 VWEU neergelegde beginsel van gelijke behandeling niet alleen rechtstreekse discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, maar ook alle vormen van indirecte discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria, zoals woonplaats, in feite tot hetzelfde resultaat leiden.15. Het is dan ook vaste rechtspraak dat artikel 45 VWEU zich verzet tegen maatregelen die weliswaar ongeacht nationaliteit van toepassing zijn, maar naar hun aard migrerende werknemers meer kunnen treffen dan nationale werknemers en dus in het bijzonder eerstgenoemden dreigen te benadelen.16. Tot slot is het ook vaste rechtspraak dat er slechts sprake is van discriminatie wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties.17.
30.
In het licht van het bovenstaande moet, voor de beantwoording van de vraag van de verwijzende rechter inzake de verenigbaarheid van artikel 245 WIB 92 met artikel 45 VWEU, worden vastgesteld of die nationale bepaling, ook al is zij van toepassing op alle nationaliteiten, een discriminatie tussen ingezetenen en niet-ingezetenen van België oplevert.
31.
Derhalve dient te worden onderzocht of ingezetenen en niet-ingezetenen in de onderhavige omstandigheden in een vergelijkbare situatie verkeren (1) en of zij op verschillende wijze worden behandeld (2), en dit met een passende rechtvaardiging (3).
1. Verkeren ingezetenen en niet-ingezetenen in de onderhavige omstandigheden in een vergelijkbare situatie?
32.
Zoals het Hof heeft vastgesteld, is de situatie van ingezetenen en niet-ingezetenen bij directe belastingen in het algemeen niet vergelijkbaar. Het inkomen dat een niet-ingezetene in een staat verwerft, is meestal slechts een deel van zijn totale inkomen, waarvan het zwaartepunt is geconcentreerd op de plaats waar hij woont. Aangezien de persoonlijke draagkracht van de niet-ingezetene gevormd wordt door zijn totale inkomsten en zijn persoonlijke en gezinssituatie, kan deze bovendien het gemakkelijkst worden beoordeeld op de plaats waar hij het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft; deze plaats is in het algemeen zijn gebruikelijke woonplaats. 18.
33.
Desalniettemin volgt uit de rechtspraak van het Hof ook dat beide categorieën belastingplichtigen zich toch in een vergelijkbare situatie kunnen bevinden wanneer er, gelet op het doel en de inhoud van de betrokken nationale bepalingen, tussen hen geen objectieve verschillen bestaan.19.
34.
Zoals hierboven reeds uiteengezet, worden in de onderhavige zaak niet-ingezetenen in België alleen belast over hun daar verworven inkomen, in tegenstelling tot ingezetenen, die worden belast over hun wereldwijd verworven inkomen. De hoogte van de litigieuze toeslagen wordt evenwel niet vastgesteld op basis van de draagkracht van de belastingplichtige en staat los van zijn persoonlijke omstandigheden en gezinssituatie.
35.
Wat de inhoud van de litigieuze maatregel betreft, zij erop gewezen dat de toeslag voor niet-ingezetenen, net als de gemeentelijke toeslag, slechts een verhoging van de aanslag voor de inkomstenbelasting vormt, die dus het onmiddellijke doel dient om de belastingopbrengsten te verhogen die worden gebruikt voor de financiering van openbare diensten. Feitelijk zijn beide toeslagen op te vatten als een verhoging van het tarief van de inkomstenbelasting20., respectievelijk berekend over de belastbare grondslag van ingezetenen en niet-ingezetenen.
36.
In dat verband wijs ik erop dat het Hof bij meerdere gelegenheden heeft geoordeeld dat er met betrekking tot het op de respectieve belastbare inkomens toe te passen belastingtarief geen objectieve verschillen bestonden tussen de situatie van ingezeten en niet-ingezeten belastingplichtigen, en dat die beide groepen, ceteris paribus, moesten worden geacht zich in dat opzicht in een vergelijkbare situatie te bevinden.21.
37.
De omstandigheden van de onderhavige zaak bevestigen eigenlijk die conclusie: voor zover zowel ingezetenen als niet-ingezetenen belastbaar inkomen in België genereren en als zodanig via de inkomstenbelasting proportioneel moeten bijdragen aan de financiering van openbare diensten, bestaat er tussen hen geen objectief verschil dat zou rechtvaardigen dat hun respectieve belastbaar inkomen in België wordt belast volgens een effectief verschillend tarief — of dit nu het (voor beide groepen identieke22.) ‘hoofdtarief’ is, of de daarover berekende toeslag. Met andere woorden, er is geen objectief onderscheid tussen beide groepen wat betreft de belastingdruk op het in België belastbare gedeelte van hun inkomen.
38.
Het feit dat de toeslag voor niet-ingezetenen op federaal niveau en de gemeentelijke toeslag op gemeentelijk niveau wordt geheven en aangewend, doet niets af aan deze conclusie.
39.
In de eerste plaats is dit onderscheid slechts een uitdrukking van de gedecentraliseerde opzet van het Belgische belastingstelsel, waar de bevoegdheid om bepaalde belastingen te heffen en aan te wenden is toegedeeld aan plaatselijke autoriteiten.23. Wat de gevolgen hiervan betreft, verschillen deze niet materieel van het scenario waarin een centrale autoriteit alle belastingplichtigen aan één enkele toeslag onderwerpt en de opbrengst daarvan vervolgens verdeelt over allerlei openbare taken, waarvan sommige op plaatselijk niveau worden verricht.
40.
In de tweede plaats moet worden benadrukt dat — zoals het geval is bij alle belastingen in het algemeen — het fundamentele doel van de inkomstenbelasting, en dienovereenkomstig van elke toeslag daarop, ongeacht het niveau waarop deze wordt geheven, de financiering van openbare diensten blijft, ongeacht het niveau waarop deze worden aangeboden.24. Appellanten, en kennelijk tot op zekere hoogte ook de Commissie, lijken van mening te zijn dat, aangezien de gemeentelijke toeslag bedoeld is om diensten te bekostigen die op gemeentelijk niveau worden aangeboden, en aangezien niet-ingezetenen niet in dezelfde mate van dergelijke diensten profiteren als ingezetenen, de twee groepen zich niet bevinden in een vergelijkbare situatie die het opleggen van een toeslag op de inkomstenbelasting aan niet-ingezetenen, naar analogie met de gemeentelijke toeslag, zou rechtvaardigen.
41.
Een redenering als deze verwart belastingen mijns inziens echter met heffingen (of ‘bijdragen’) voor specifieke diensten.25. Anders dan zulke heffingen, zijn belastingen niet bestemd voor een gespecificeerde dienst, is het bedrag ervan niet bedoeld om de werkelijke kosten van een door de betaler genoten voorziening te compenseren, en worden ze niet betaald als tegenprestatie voor een specifieke verleende dienst.26. Het feit dat een belastingplichtige hoort bij te dragen aan de financiering van openbare diensten staat dan ook los van het gebruik dat hij zelf van een bepaalde openbare dienst maakt. Het argument dat de gemeentelijke toeslag in verband moet worden gebracht met specifieke, door gemeenten aangeboden diensten, en dat ingezetenen zich niet in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van niet-ingezetenen, die geen gebruik maken van die specifieke diensten, snijdt mijns inziens daarom ook geen hout.
42.
Kortom, ik ben van mening dat, in het geval van belastingwetgeving als de onderhavige, die in wezen betekent dat meer inkomstenbelasting verschuldigd is, de situatie van niet-ingezetenen (die in België zijn onderworpen aan de inkomstenbelasting) vergelijkbaar moet worden geacht met die van ingezeten belastingplichtigen.
2. Is er een verschil in behandeling?
43.
Gelet op het bovenstaande moet vervolgens worden vastgesteld of ingezeten en niet-ingezeten belastingplichtigen op dezelfde wijze of verschillend worden behandeld. Wat dat betreft dienen mijns inziens twee aspecten te worden onderzocht: ten eerste, de oplegging van een toeslag voor niet-ingezetenen, in plaats van de gemeentelijke toeslag, als zodanig (a), en ten tweede, het tarief van die toeslag (b).
a) Oplegging van de toeslag als zodanig
44.
Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereidende werkzaamheden27. werd bij artikel 245 WIB 92 een toeslag boven op de inkomstenbelasting van niet-ingezetenen ingevoerd in plaats van de toeslag op de inkomstenbelasting voor ingezetenen, die krachtens artikel 465 van datzelfde wetboek wordt geheven door de gemeenten.
45.
Hoewel deze toeslagen verschillen naar de rechtsgrondslag ervan en het niveau waarop zij worden geheven en aangewend, worden beide berekend op grond van artikel 466 WIB 92, met gebruik van dezelfde methode, en worden zij geheven over dezelfde grondslag (namelijk het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting). Bovendien zijn (zoals hierboven in de punten 35–41 reeds uiteengezet) de functie en het doel van beide gelijk: de belastingdruk voor belastingplichtigen verhogen en daardoor meer openbare middelen verwerven voor het algemeen belang. Hoewel het wetgevende kader voor de twee toeslagen derhalve niet identiek is, zijn de toeslagen zelf in wezen gelijkwaardig (wat ook door de appellanten zelf lijkt te worden erkend).28. Hieruit volgt dat er, wat de oplegging van een toeslag als zodanig betreft, geen verschil in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen bestaat.
46.
Het argument van appellanten, dat zij aan dubbele belastingheffing worden blootgesteld omdat zij huns inziens in wezen zowel in België als in Frankrijk respectievelijk gemeentelijke belastingen en belastingen in de vorm van de taxe d'habitation betalen, doet niets af aan deze constatering. Ik merk dienaangaande op dat de taxe d'habitation, zoals deze gold in de relevante periode, werd geheven van particuliere personen die het exclusieve genot of de beschikking over woonruimte in Frankrijk hadden, en werd berekend op basis van de huurwaarde daarvan. Als zodanig verschilt deze naar de aard en het doel ervan fundamenteel van de inkomstenbelasting. Daarom heeft het Hof eerder geoordeeld dat de taxe d'habitation niet kan worden gelijkgesteld met inkomstenbelasting29., en evenmin met een toeslag op de inkomstenbelasting — zoals ook werd geoordeeld in het arrest van het Grondwettelijk Hof. Appellanten kunnen derhalve in dit opzicht niet worden geacht aan dubbele belastingheffing te zijn onderworpen. Voor alle zekerheid zou ik hieraan willen toevoegen dat, zelfs indien zou worden aanvaard dat er wel sprake was van een vorm van dubbele belasting (quod non), het Hof heeft geoordeeld dat bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie, de nadelen die uit de parallelle uitoefening van belastingbevoegdheden door verschillende lidstaten kunnen voortvloeien, voor zover deze uitoefening geen discriminatie oplevert, geen beperkingen vormen van de verkeersvrijheden.30.
47.
Gezien het bovenstaande ben ik van mening dat de oplegging aan niet-ingezetenen van een toeslag op de inkomstenbelasting die een tegenhanger is van de aan ingezetenen opgelegde gemeentelijke toeslag, op zichzelf geen differentiërende behandeling tussen beide groepen vormt, en derhalve niet onverenigbaar is met artikel 45 VWEU.
48.
Ik denk dat de analyse hier zou kunnen stoppen, indien de tarieven voor de niet-ingezetenen en de gemeentelijke toeslagen gelijk zouden zijn.31. Zoals hierboven reeds werd aangegeven, lopen de toegepaste tarieven echter uiteen, hetgeen de vraag opwerpt of het verschil in de werkelijke tarieven van de toeslag een discriminerende behandeling oplevert. Ik zal dit aspect daarom hieronder bespreken.
b) Tarief van de toeslag
49.
Volgens artikel 245 WIB 92 is de toeslag voor niet-ingezetenen bepaald op een vast tarief dat, zoals hierboven gezegd, tijdens de relevante fiscale jaren 6 tot 7 % bedroeg. De verwijzingsbeslissing geeft aan dat de gemeentelijke toeslagen door de gemeenten worden bepaald, wat impliceert dat die tarieven per gemeente uiteenlopen, maar vermeldt niet wat de daadwerkelijke tarieven van die toeslagen bedroegen tijdens de voor het hoofdgeding relevante fiscale jaren.
50.
De Commissie heeft evenwel gewezen op openbaar toegankelijke gegevens32., blijkens welke de tarieven van de gemeentelijke toeslagen in de relevante periode varieerden van 0 % voor sommige gemeenten tot 9,5 % voor andere. Volgens diezelfde gegevens varieerde het gemiddelde tarief van de gemeentelijke toeslag over alle gemeenten tijdens de relevante jaren van ongeveer 6,8 % tot 7,4 %. Uit deze cijfers blijkt dat het tarief van 6 tot 7 % van de toeslag voor niet-ingezetenen over dezelfde periode overeenkwam met, of iets lager was dan het gemiddelde tarief van de gemeentelijke toeslag voor elk jaar uit die periode, hetgeen echter natuurlijk moet worden geverifieerd door de verwijzende rechter. De onderstaande analyse berust op de aanname dat deze cijfers kloppen, niet in de laatste plaats omdat dit ook enige malen in het dossier wordt aangegeven.33.
51.
Gezien het bovenstaande dient te worden onderzocht of de toepassing op niet-ingezetenen van een vast tarief, dat — in de praktijk, en kennelijk bewust34. — overeenkomt met het gemiddelde tarief van de verschillende gemeentelijke toeslagen (maar daar iets onder ligt), nog steeds kan worden aangemerkt als behandeling op dezelfde wijze als ingezetenen.
52.
Wat het tijdens de relevante fiscale jaren toepasselijke toeslagtarief betreft, blijkt uit de omstandigheden van de onderhavige zaak duidelijk dat niet-ingezetenen alleen kunnen worden geacht volstrekt gelijk te zijn behandeld ten aanzien van de ingezetenen van de gemeenten waarvan het tarief van de gemeentelijke toeslag exact gelijk was aan dat van de toeslag voor niet-ingezetenen. In alle overige gevallen werden niet-ingezetenen onderworpen aan een lagere of een hogere toeslag dan ingezetenen, al naargelang van het specifieke door elke gemeente geheven tarief. In die gevallen werden niet-ingezetenen dus gunstiger behandeld dan de ingezetenen van sommige gemeenten en minder gunstig dan de ingezetenen van andere gemeenten.
53.
Ik dien hier op te merken dat het gebruik van een toeslagtarief voor niet-ingezetenen dat overeenkomt met (maar iets lager is dan) het gemiddelde gemeentelijke tarief in de praktijk betekende dat de toeslag — en dus de inkomstenbelasting — die niet-ingezetenen tijdens de relevante fiscale jaren moesten betalen, gelijk was aan of lager was dan wat de meerderheid van de ingezeten belastingplichtigen van België moesten betalen.35. Derhalve zijn niet-ingezetenen in vergelijking met ingezetenen in de meeste gevallen gunstiger of althans gelijk behandeld. Dit doet echter niets af aan het feit dat het tarief van de toeslag voor niet-ingezetenen in bepaalde gemeenten hoger was dan het tarief van de toeslag voor ingezetenen. Vergeleken met die ingezetenen werden niet-ingezetenen derhalve minder gunstig behandeld, omdat zij feitelijk onderworpen waren aan een hoger tarief voor de inkomstenbelasting. Overigens moet worden opgemerkt dat, ongeacht de hoogte van de specifieke toepasselijke tarieven (die door de verwijzende rechter moeten worden geverifieerd), de oplegging van een vast toeslagtarief aan niet-ingezetenen, bij uiteenlopende tarieven van de gemeentelijke toeslagen, in de regel ruimte laat voor een verschillende behandeling tussen niet-ingezetenen en althans sommige ingezetenen.
54.
In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat, zelfs indien een maatregel in de meeste gevallen gunstiger uitvalt voor niet-ingezetenen, die maatregel, wanneer hij die niet-ingezeten belastingplichtigen benadeelt, een ongelijke behandeling ten opzichte van ingezeten belastingplichtigen tot gevolg heeft. Evenzo heeft het Hof reeds geoordeeld dat de omstandigheid dat een nationale regeling in één situatie nadelig is voor niet-ingezetenen, niet kan worden gecompenseerd door de omstandigheid dat die regeling in andere situaties niet-ingezetenen niet ongunstiger behandelt dan ingezetenen.36. Ten slotte heeft het Hof ook geoordeeld dat nationale wetgeving die regionale verschillen in behandeling toestaat voor belastingendoeleinden, onverenigbaar is met de VWEU-bepalingen inzake het vrije verkeer, wanneer deze ertoe leiden dat niet-ingezetenen minder gunstig worden behandeld dan ingezetenen van bepaalde regio's (zelfs wanneer ingezetenen van andere regio's evenmin van de gunstige behandeling profiteren).37.
55.
Artikel 245 WIB 92 leidt derhalve tot een ongelijke behandeling inzake belastingen voor zover het (behoudens verificatie door de verwijzende rechter) toestaat dat een hoger belastingtarief wordt opgelegd over het belastbaar inkomen van niet-ingezetenen en dat niet-ingezetenen derhalve naar verhouding hoger worden belast dan — althans een deel van — de ingezetenen.38. Een dergelijk verschil in behandeling — dat waarschijnlijk meer ten nadele van de onderdanen van andere lidstaten zal werken, aangezien niet-ingezetenen vaker buitenlanders zijn — vormt indirecte discriminatie op grond van nationaliteit.39.
56.
Derhalve ben ik het niet eens met de stelling van de Commissie dat de toepassing van een ‘gemiddeld’ tarief geen discriminatie vormt. De Commissie lijkt met name te betogen dat ‘forfaitaire’ wetgeving op zichzelf niet discriminerend is, en verwijst dienaangaande naar het arrest Sopora40., waarin het Hof oordeelde dat wetgeving met forfaitaire limieten in beginsel niet in strijd was met artikel 45 VWEU.
57.
Het arrest Sopora had betrekking op een belastingvoordeel waarbij aan ‘ingekomen’ werknemers een belastingvrijstelling kon worden verleend voor vergoedingen van kosten die zij hadden gemaakt omdat zij buiten hun land van herkomst werkten. In die zaak had de nationale wetgeving in wezen een vermoeden ingesteld dat personen daarvoor in aanmerking kwamen op basis van limieten die noodzakelijkerwijs een forfaitair karakter hadden (betreffende de afstand tussen het land van herkomst en Nederland alsook de hoogte van de onkosten). Werknemers die niet aan die limieten voldeden, konden echter hetzelfde voordeel verkrijgen door de werkelijk gemaakte kosten aan te tonen. De motivering van dat arrest kan derhalve niet gelden voor de onderhavige zaak, waar de toepassing van een ‘forfaitair’ gemiddeld tarief geenszins een weerlegbaar vermoeden is, maar tot een concreet en onvermijdelijk verschil in behandeling leidt.
58.
Ter beoordeling staat dus nog slechts of dat verschil in behandeling te rechtvaardigen is, zodat het toch verenigbaar is met artikel 45 VWEU.
c) Parallel met rechtspraak van het EVA-Hof
59.
Alvorens tot die beoordeling over te gaan, is het echter het vermelden waard dat bovenstaand standpunt in overeenstemming is met de redenering die het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) heeft gevolgd in een zaak die sterke overeenkomsten vertoont met de onderhavige.41. Met name vond dat hof zich in zaak E-11/22 voor de vraag gesteld of Liechtensteinse wetgeving die niet-ingezetenen van staatswege onderwierp aan een vaste toeslag op hun verworven inkomen, in plaats van de variabele, door de gemeenten van ingezetenen geheven gemeentelijke toeslagen, verenigbaar was met het vrije verkeer van werknemers. Het EVA-Hof oordeelde dat ingezeten en niet-ingezeten belastingplichtigen wat betreft de voorschriften inzake hun inkomstenbelasting (en de toeslagen daarop) in een vergelijkbare situatie verkeren, ongeacht of die belasting op gemeentelijk of op nationaal niveau wordt geheven.42. Het oordeelde vervolgens dat er sprake was van een verschil in behandeling tussen die vergelijkbare situaties, bestaande in het ongunstige tarief van de toeslag die op niet-ingezetenen werd toegepast (en niet in de toeslag als zodanig).43. In die zaak was het op niet-ingezetenen toegepaste toeslagtarief hoger dan dat van de hoogste gemeentelijke toeslagen die van ingezetenen werden geheven, zodat het EVA-Hof concludeerde dat er duidelijk sprake was van indirecte discriminatie.
60.
De onderhavige zaak verschilt hiervan slechts voor zover het op niet-ingezetenen toegepaste tarief niet volstrekt ongunstig is in vergelijking met alle ingezetenen, maar eerder overeenkomt — hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan — met het gemiddelde tarief van de door de ingezetenen betaalde gemeentelijke toeslagen. Mijns inziens zou dit aspect relevant kunnen blijken voor de beoordeling of de onderhavige maatregel gerechtvaardigd kan zijn.
3. Is de discriminatie gerechtvaardigd?
61.
Volgens de rechtspraak van het Hof kan een maatregel die indirect discriminerend is, zoals in dit geval artikel 245 WIB 92, niettemin gerechtvaardigd zijn wanneer deze een legitieme doelstelling nastreeft en daaraan evenredig is.44.
62.
Met betrekking tot het nagestreefde doel heeft de Belgische regering aangevoerd dat artikel 245 WIB 92 beoogt omgekeerde discriminatie te voorkomen, dat wil zeggen: te verzekeren dat ingezeten belastingplichtigen niet worden benadeeld ten opzichte van niet-ingezetenen. Hoewel het Unierecht omgekeerde discriminatie niet verbiedt, kan het voorkomen daarvan mijns inziens worden beschouwd als een legitieme doelstelling die lidstaten mogen nastreven en die in beginsel kan dienen om een beperking van het vrije verkeer van werknemers te rechtvaardigen.45.
63.
Wat betreft de vraag of de litigieuze maatregel in het licht van een legitieme doelstelling evenredig is, dient volgens de rechtspraak van het Hof te worden nagegaan of die maatregel i) geschikt is om die doelstelling te verwezenlijken, ii) niet verder gaat dan daarvoor noodzakelijk is, en iii) evenredig is in strikte zin, als redelijk evenwicht tussen de verschillende betrokken belangen.46.
64.
Hoewel het Hof aanwijzingen kan geven om de verwijzende rechter bij te staan, is het uiteindelijk aan de nationale rechter om uit te maken of een nationale maatregel, gelet op alle omstandigheden van het hoofdgeding en alle relevante elementen feitelijk en rechtens, aan het evenredigheidsbeginsel voldoet.47. In de onderhavige zaak zie ik mij genoodzaakt, bij gebreke van volledige geverifieerde informatie inzake de relevante nationale context (met name over de tijdens de relevante fiscale jaren geldende tarieven van de gemeentelijke toeslagen) of van enige toelichting door de Belgische regering aangaande de keuze voor de litigieuze maatregel, om mijzelf te beperken tot een aantal algemene overwegingen met betrekking tot elk van de drie elementen van de evenredigheidstoetsing.
65.
In dat verband dient van meet af aan in gedachten te worden gehouden dat de beoordeling van de evenredigheid van artikel 245 WIB 92 geen betrekking heeft op de toeslag voor niet-ingezetenen als zodanig (aangezien deze, zoals hierboven uiteengezet, op zichzelf geen ongelijke behandeling oplevert), maar alleen op de toepassing van een vast tarief voor die toeslag (dat overeen lijkt te komen met het gemiddelde van de gemeentelijke tarieven), die leidt tot een verschillende behandeling tussen niet-ingezetenen en — althans sommige — ingezetenen.
66.
Wat de geschiktheid van de betrokken maatregel betreft, kan het gebruik van een vast tarief voor de toeslag voor niet-ingezetenen in bepaalde gevallen tot een minder gunstige behandeling van ingezetenen ten opzichte van niet-ingezetenen leiden, wanneer de voor ingezetenen geldende gemeentelijke tarieven hoger zijn dan het vaste tarief dat geldt voor niet-ingezetenen. Het tarief van de toeslag voor niet-ingezetenen slaagt derhalve niet geheel in de verwezenlijking van het doel om omgekeerde discriminatie te vermijden. Toepassing van een tarief dat ruwweg overeenkomt met het gemiddelde van de gemeentelijke toeslagtarieven kan echter fungeren als een redelijke en werkbare manier om stelselmatige onderbelasting van niet-ingezetenen ten opzichte van ingezetenen te voorkomen. Vanuit dat oogpunt kan de maatregel toch nog in grote lijnen geschikt worden geacht om het nagestreefde doel te verwezenlijken.
67.
Voor de beoordeling van het noodzakelijkheidselement dient te worden onderzocht of minder beperkende maatregelen het nagestreefde doel even doeltreffend zouden kunnen bereiken. Naar mijn mening zouden verschillende alternatieve maatregelen kunnen worden overwogen, bijvoorbeeld de toepassing van een uniform toeslagtarief voor alle belastingplichtigen, of de vaststelling van de toeslag op basis van het tarief dat geldt in de gemeente waar het inkomen is verworven. Beide opties zouden de gelijke behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen waarborgen en daarmee tegelijkertijd de inachtneming van artikel 45 VWEU en de preventie van omgekeerde discriminatie verzekeren. Het blijft evenwel onduidelijk of de met die opties gepaard gaande uitdagingen en complicaties op het gebied van afstemming en implementatie48. deze in de praktijk buitensporig ingewikkeld en onwerkbaar maken, rekening houdend met het feit dat België bestaat uit meer dan 580 gemeenten.49.
68.
Daarentegen kan niet worden ontkend dat het gebruik van een vast tarief, voor zover dat daadwerkelijk overeenkomt met het gemiddelde van de geldende gemeentelijke toeslagtarieven, een veel eenvoudigere, en zoals de Commissie opmerkte, feitelijk meer haalbare benadering is.50. Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat overwegingen van administratieve aard weliswaar geen afwijkingen van het Unierecht kunnen rechtvaardigen, maar dat het Hof ook heeft aanvaard dat de lidstaten niet de mogelijkheid kan worden ontzegd om legitieme doelstellingen na te streven met de invoering van algemene regels die door de bevoegde autoriteiten gemakkelijk kunnen worden gehandhaafd en gecontroleerd.51. In die zin zou het gebruik van een vast gemiddeld tarief kunnen worden beschouwd als realistisch gezien noodzakelijk.
69.
Hoewel ik me nog steeds afvraag of er geen minder beperkende alternatieven bestaan, moet de beoordeling — indien het gebruik van een vast gemiddeld tarief in de onderhavige omstandigheden niet alleen in het algemeen geschikt maar ook realistisch gezien noodzakelijk wordt geacht —, vervolgens worden gericht op de evenredigheid stricto sensu. Hier gaat het om een afweging van de aan de toepassing van een vast tarief verbonden voordelen, in verhouding tot het nagestreefde doel, versus de daarmee gepaard gaande nadelen voor niet-ingezetenen ten aanzien van hun rechten van vrij verkeer. In dat opzicht is de cruciale vraag, mijns inziens, of het verschil in behandeling ten gevolge van de toepassing van een vast gemiddeld tarief — met name de extra last voor niet-ingezetenen in vergelijking tot ingezetenen — in feite niet marginaal is, terwijl de maatregel dient ter waarborging van de legitieme doelstelling om op de meest werkbare manier binnen een ingewikkeld fiscaal kader omgekeerde discriminatie te voorkomen. In het licht van het voorgaande en pp basis van de beschikbare informatie komt de keuze voor een vast gemiddeld tarief mij voor als een evenwichtig compromis tussen de betrokken belangen.
70.
Derhalve kan toepassing van een vast gemiddeld tarief voor de toeslag voor niet-ingezetenen mijns inziens evenredig worden geacht, mits de extra belastingdruk voor niet-ingezetenen strikt beperkt blijft en even doeltreffende maar minder beperkende alternatieven praktisch niet haalbaar zijn. Dit doet uiteraard niets af aan eventuele andere overwegingen — of zelfs bijkomende rechtvaardigingen — die de verwijzende rechter in zijn concrete toetsing van de evenredigheid van artikel 245 WIB 92 zou willen betrekken.
V. Conclusie
71.
Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vraag van de verwijzende rechter aldus te beantwoorden dat artikel 45 VWEU zich niet verzet tegen nationale wetgeving als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, waarbij aan niet-ingezetenen een toeslag op de inkomstenbelasting wordt opgelegd in plaats van de gemeentelijke toeslagen waaraan ingezetenen worden onderworpen, mits de op die toeslag toepasselijke tarieven niet hoger zijn dan de voor ingezetenen in enige regio geldende tarieven zonder dat er daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat en mits het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑09‑2025
Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Oorspronkelijke taal: Engels.
Mattersdorf, L., Einstein on Taxes [Letter to the editor by Einstein's tax advisor]. Ingezonden brieven, Time Magazine van 22 februari 1963.
Arrest van 22 maart 2007, Talotta (C-383/05, EU:C:2007:181, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name artikelen 5, 130, 228 en 243 WIB 92.
Kortheidshalve zal ik in de onderhavige conclusie de term ‘gemeente’ gebruiken om te verwijzen naar zowel agglomeraties als gemeenten.
Volgens artikel 398 van de programmawet van 24 december 2002 (Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, blz. 58686).
In overeenstemming met artikel 80 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Belgisch Staatsblad van 13 september 1993, blz. 20096), zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 4 december 2003 (Belgisch Staatsblad van 17 december 2003, blz. 59397).
In de verwijzingsbeslissing wordt de nationaliteit van appellanten niet genoemd, maar het lijkt niet betwist dat ze onderdanen van de Unie zijn. Uit het dossier kan ook, onder enig voorbehoud, worden afgeleid dat zij de Belgische nationaliteit hebben.
Met uitzondering van enkele bezwaren betreffende de fiscale jaren 1993 en 2008 die gedeeltelijk gegrond werden verklaard, om redenen die geen verband houden met het onderhavige prejudiciële verzoek.
Volgens de verwijzingsbeslissing zijn de betwiste belastingaanslagen voor de fiscale jaren 1993 tot en met 1998 alleen gericht tot DK, maar die voor de overige jaren tot beide appellanten.
Arrest nr. 92/2019 van het Grondwettelijk Hof van België van 6 juni 2019.
Volledigheidshalve teken ik aan, dat appellanten in hun schriftelijke opmerkingen ook hebben gesuggereerd dat de verwijzingsbeslissing niet voldoet aan de eisen die in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en in de Aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1) worden gesteld aan het indienen van prejudiciële verzoeken. Voor appellanten is dat geen reden om te betogen dat het prejudiciële verzoek — waar zij immers zelf om hebben gevraagd — niet-ontvankelijk zou zijn, maar zij lijken dit slechts ter sprake te brengen om uit te leggen waarom zij het nodig achtten de achtergrond, feitelijk en rechtens, te verduidelijken. Mijns inziens volstaat het dienaangaande erop te wijzen dat de verwijzingsbeschikking de relevante feiten, alsmede de teneur van de relevante nationaalrechtelijke bepalingen volgens artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering voldoende heeft weergegeven om het Hof in staat te stellen de gestelde vraag te begrijpen en op zinvolle wijze te beantwoorden, zodat de ontvankelijkheid van de verwijzingsbeschikking naar mijn mening niet ter discussie staat.
Ik stel vast dat noch de verwijzende rechter, noch de Belgische regering of de Commissie de toepasselijkheid van artikel 45 VWEU in de onderhavige zaak ter discussie heeft gesteld. Op basis van de veronderstelling dat appellanten de Belgische nationaliteit hebben (zie hierboven, voetnoot 8) maar wonen in Frankrijk, kunnen zij zich in beginsel beroepen op de VWEU-bepalingen inzake het vrije verkeer.Ik vermeld hier echter het volgende: DK was tijdens de in casu relevante fiscale jaren, terwijl hij in Frankrijk woonde, parallel werkzaam in zowel Frankrijk als België, en valt derhalve binnen de werkingssfeer van artikel 45 VWEU (ongeacht zijn nationaliteit) [zie bijvoorbeeld arresten van 27 juni 1996, Asscher (C-107/94, EU:C:1996:251, punt 33; hierna: ‘arrest Asscher’) en 12 december 2002, De Groot (C-385/00, EU:C:2002:750, punten 76-79 en aldaar aangehaalde rechtspraak)]. Anderzijds heeft JO, volgens de verwijzingsbeslissing, slechts gewerkt tot 2000 en kan zij zich derhalve na dat tijdstip in beginsel niet meer op het vrije verkeer van werknemers beroepen. Hoe dan ook wordt niet betwist dat zij, omdat zij alleen in Frankrijk heeft gewerkt, in België geen belastbaar inkomen uit arbeid heeft, maar daar alleen wordt belast over haar inkomen uit onroerend goed. Hieruit volgt dat de in haar geval relevante vrijheid die van het vrije verkeer van kapitaal uit hoofde van artikel 63 VWEU zou zijn. Niettemin zou de onderhavige analyse — door de lens van het vrije verkeer van werknemers — of een bepaalde behandeling discrimineert tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, mutatis mutandis ook vanuit het oogpunt van het vrije kapitaalverkeer relevant zijn [zie in dit verband arrest van 11 oktober 2007, Hollmann (C-443/06, EU:C:2007:600); hierna: ‘arrest Hollmann’].
Arrest van 24 februari 2015, Sopora (C-512/13, EU:C:2015:108, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Sopora’).
Zie arresten van 14 februari 1995, Schumacker (C-279/93, EU:C:1995:31, punt 26; hierna: ‘arrest Schumacker’), en 15 juni 2023, Ministero dell'Istruzione, dell'Università e della Ricerca (Speciale ranglijsten) (C-132/22, EU:C:2023:489, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 22 juni 2017, Bechtel (C-20/16, EU:C:2017:488, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Schumacker, punt 30, en arrest van 28 juni 2012, Erny (C-172/11, EU:C:2012:399, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Erny’).
Zie arrest Asscher, punt 41, en arrest van 12 juni 2003, Gerritse (C-234/01, EU:C:2003:340, punt 43; hierna: ‘arrest Gerritse’).
Zie bijvoorbeeld arresten van 29 april 1999, Royal Bank of Scotland (C-311/97, EU:C:1999:216, punt 29; hierna: ‘arrest RBS’); 10 mei 2012, Commissie/Estland (C-39/10, EU:C:2012:282, punt 51), en 9 februari 2017, X (C-283/15, EU:C:2017:102, punten 30–32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Technisch gesproken wordt het nominale belastingtarief zelf niet gewijzigd door de toeslag, die wordt berekend als een percentage van de (na toepassing van het toepasselijke tarief) te betalen [inkomsten]belasting, en daarbij wordt opgeteld. Uiteindelijk staat het effect ervan in zijn totaal echter gelijk aan dat van een hoger belastingtarief.
Zie bijvoorbeeld arresten Asscher, punt 48; RBS, punt 30; Gerritse, punt 53; Hollmann punt 53, en arrest van 6 oktober 2009, Commissie/Spanje (C-562/07, EU:C:2009:614, punten 48 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest C-562/07’).
Zie hierboven, punt 4.
Zie dienaangaande bijvoorbeeld Traversa, E., ‘Is there still room left in EU law for tax autonomy of Member States' regional and local authorities?’, EC Tax Review, deel 20(1), 2011, blz. 4–15, die ook betoogt dat de toedeling aan verschillende autoriteiten van de bevoegdheid om ter zake van dezelfde belasting de verplichtingen van ingezetenen en niet-ingezetenen te regelen, zonder strenge onderlinge afstemming vrijwel onvermijdelijk tot inbreuken op het vrije verkeer zou leiden; zie ook Bourgeois, M., ‘Le cadre institutionnel de l'impôt des non-résidents après la sixième réforme de l'État: observations préalables à l'étude de Hannelore Niesten’, Revue de Fiscalité Régionale et Locale, nr. 1, 2018, blz. 21–26.
Zie bijvoorbeeld Barassi, M., ‘The notion of tax and the different types of taxes — comparative approach’, en Bourgeois, M., ‘Constitutional framework of the different types of income’, in Peeters, B., The Concept of Tax, EATLP, 2005, blz. 59–73 en 99–183.
Ibid.; zie ook De Jonckheere, M., Schep, A., en Monsma, A., ‘Open versus Closed Competence to Tax: A Comparative Legal Study of Municipal Taxes in Belgium and the Netherlands’, Intertax, Deel 47(5), Kluwer Law International, 2019, blz. 468–489, en Spitzer, H. D., ‘Taxes vs. fees: A curious confusion’, Gonzaga Law Review, Deel 38(2), Gonzaga University School of Law, 2002–2003, blz. 335–365.
Maar, in de woorden van rechter Oliver Wendell Holmes Jr.: ‘Belastingen zijn wat we betalen voor een beschaafde samenleving.’
Parl. St. Kamer, 1977–1978, nr. 113/1, blz. 1, en Parl. St. Kamer, 2002–2003, DOC 50-2124/001 en DOC 50-2125/001, blz. 194, aangehaald in het arrest van het Grondwettelijk Hof.
Zie punt 23 van de onderhavige conclusie.
Zie arrest van 21 mei 2015, Pazdziej (C-349/14, EU:C:2015:338, punten 21–24).
Arrest van 26 mei 2016, NN (L) International (C-48/15, EU:C:2016:356, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ik teken aan dat de analyse in het arrest van het Grondwettelijke Hof zich zorgvuldig heeft beperkt tot het bestaan van de toeslag zelf, en niet is ingegaan op de details van de verschillende tarieven.
Zie het overzicht van de gemeentelijke toeslag, per gemeente en per fiscaal jaar, aangeboden door de Belgische Federale Overheidsdienst Financiën, te vinden op: https://finances.belgium.be/sites/default/files/Statistieken_SD/open-data/Taux_IPP_Com.xlsx.
Zie bijvoorbeeld punt A.2.1 van het arrest van het Grondwettelijk Hof, waar de standpunten van appellanten voor de tribunal de première instance de Namur worden weergegeven.
Zie de voorbereidende werkzaamheden, aangehaald in het arrest van het Grondwettelijk Hof (Parl. St. Kamer, 2002–2003, DOC 50-2124/001 en DOC 50-2125/001, blz. 194), van de wet waarbij de mogelijkheid werd ingevoerd om het tarief van de toeslag voor niet-ingezetenen vast te stellen bij koninklijk besluit (met ingang van het fiscale jaar 2005), teneinde beter aan te kunnen sluiten op de werkelijke — dikwijls hogere — gemeentelijke toeslagtarieven.
Dit is met name het geval omdat, zoals werd aangegeven in punt 50 van de onderhavige conclusie, de hierboven genoemde gemiddelde tarieven het gemiddelde weergeven van de tarieven van de gemeentelijke toeslagen (namelijk het over alle gemeenten genomen gemiddelde), in plaats van een gewogen gemiddelde dat rekening houdt met de inwonersaantallen van de gemeenten. Het lijkt er derhalve op dat een klein aantal gemeenten met een toeslag van nul procent en weinig inwoners, de gemiddelde tarieven aanzienlijk naar beneden hebben gedrongen.
Arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek (C-252/14, EU:C:2016:402, punt 38).
Arrest van 3 september 2014, Commissie/Spanje(C-127/12, EU:C:2014:2130, punt 66).
Zie ook arresten Asscher, punt 49; RBS, punt 30; Hollmann, punt 54, en arrest C-562/07, punt 43.
Arrest van 16 mei 2024, Hocinx (C-27/23, EU:C:2024:404, punt 35).
Hierboven aangehaald in voetnoot 14.
Arrest van het EVA-Hof van 4 juli 2023 in zaak E-11/22, RS/Steuerverwaltung des Fürstentums Liechtenstein.
Daarbij moet erop worden gewezen dat het EVA-Hof allereerst de situatie van ingezetenen vergelijkbaar achtte met die van niet-ingezetenen die vrijwel hun gehele wereldwijd verworven inkomen in Liechtenstein verdienden, zoals voor de verzoeker in die zaak het geval was. Het EVA-Hof benadrukte vervolgens evenwel, met verwijzing naar het arrest Asscher, dat de status van ingezetene of niet-ingezetene voor de bepaling van het toepasselijke belastingtarief hoe dan ook niet relevant is.
Het verdient vermelding dat Liechtenstein de bestreden wetgeving reeds had gewijzigd (naar aanleiding van een eerder arrest van zijn constitutionele rechter), waarbij de toeslag voor niet-ingezetenen weliswaar werd gehandhaafd, maar werd bepaald dat het tarief daarvan jaarlijks werd vastgesteld in het Finanzgesetz. Zoals het EVA-Hof opmerkte, stelt dit het Liechtensteinse parlement in de gelegenheid om de toeslag telkens vast te stellen met verwijzing naar de laagste toegepaste gemeentelijke toeslag.
Arrest Erny, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook arrest van 10 juli 2025, Städteregion Aachen (C-257/24, EU:C:2025:567, punt 46).
Zie arrest van 30 november 2023, Ministero dell'Istruzione en INPS (C-270/22, EU:C:2023:933, punt 73).
Arrest van 5 december 2023, Nordic Info (C-128/22, EU:C:2023:951, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 13 februari 2025, Lexitor (C-472/23, EU:C:2025:89, punt 50).
Zie CFE ECJ Task Force, ‘Opinion Statement ECJ-TF 4/2023 on the Decision of the EFTA Court of 4 July 2023 in Case E-11/22, RS’; zie ook Traversa, E., hierboven aangehaald in voetnoot 23, op. cit., blz. 14.
Ik wil hier niettemin aan toevoegen dat gebruik van een gewogen gemiddelde waarbij rekening wordt gehouden met de inwonersaantallen van de gemeenten (zie hierboven, voetnoot 35) waarschijnlijk een meer representatieve maatstaf zou vormen. Bij gebreke van gegevens hierover is echter onduidelijk of dit zou leiden tot een materieel andere uitkomst, of dat deze methode in feite al wordt gevolgd.
Zie arrest Sopora, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak.