AG: kennelijk wordt hier bedoeld productie 4 die zich als bijlage bij de overgelegde pleitnota bevindt.
HR, 18-01-2022, nr. 20/01948
ECLI:NL:HR:2022:16
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-01-2022
- Zaaknummer
20/01948
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:16, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑01‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1098
ECLI:NL:PHR:2021:1098, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑11‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:16
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑12‑2020
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0008
NJ 2022/96 met annotatie van A.J. Machielse
Uitspraak 18‑01‑2022
Inhoudsindicatie
Overleggen van stukken in hoger beroep, art. 414.1 Sv. Voorhanden hebben voorwerpen bestemd voor hennepteelt, art. 11a Opiumwet. Heeft hof gedeeltelijk in Kroatisch opgestelde stukken van overtuiging betrokken bij zijn beraadslaging? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:1503 en HR:2010:BL7709 m.b.t. bevoegdheid verdachte bij behandeling van zaak in h.b. nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen en verplichting rechter deze overgelegde stukken bij zijn beraadslaging te betrekken. Verdediging heeft gesteld dat verdachte geen criminele intentie had tot illegale hennepteelt, aangezien voorwerpen waren bestemd voor zijn bedrijf in legale hennepteelt in Kroatië. Hof heeft tz. geschorst zodat verdediging hieromtrent stukken (vertaald in Nederlands) aan hof kan sturen. Verdediging heeft die stukken niet toegestuurd maar heeft bij volgende tz. aantal in Nederlands, Engels en Kroatisch opgestelde stukken overgelegd. Verdediging heeft inhoud van Kroatische stukken niet kunnen weergeven en heeft geen concrete passages uit die stukken benoemd, waaruit legaal karakter van werkzaamheden van Kroatische handelspartner van verdachte zou kunnen worden afgeleid. Hof heeft met zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het kennis heeft genomen van de stukken en van wat verdediging daarvan heeft opgemerkt en op grond daarvan geoordeeld dat het niet noodzakelijk was die stukken te laten vertalen. Hof was niet gehouden nader in te gaan op inhoud van stukken. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/01948
Datum 18 januari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 juni 2020, nummer 21-005763-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J.S. Nan en S.A.H. Vromen, beiden advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof de door de verdediging ter terechtzitting van het hof van 5 juni 2020 overgelegde stukken (deels) niet bij zijn beraadslaging heeft betrokken.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 30 augustus 2018 te Woudenberg voorwerpen voorhanden heeft gehad, te weten een tijdschakelkast en drie koolstoffilters en vijverfolie en 2 dozen assimilatielampen waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.”
2.3
Het hof heeft het volgende overwogen met betrekking tot het bewijs:
“De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte geen criminele intentie had tot illegale hennepteelt, dan wel wetenschap of een ernstig vermoeden had bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van een illegale hennepteelt. De raadsman heeft bepleit dat verdachte de goederen slechts bij zich had ten behoeve van een door hem legaal in Kroatië opgezette bedrijf in hennepteelt.
(...)
Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
(...)
Verdachte heeft bij de politie en bij de politierechter verklaard dat hij op 30 augustus 2018 voorwerpen voorhanden heeft gehad, die gebruikt kunnen worden bij het opzetten van een hennepkwekerij. De verdachte heeft daartoe verklaard dat hij de aangetroffen goederen had verzameld voor zijn bedrijf in Kroatië waar hij legaal hennep kweekt.
Ter terechtzitting in hoger beroep op 31 januari 2020 heeft verdachte verklaard dat hij mede-eigenaar was van het bedrijf [A] BV in Kroatië. Verdachte heeft verklaard dat het een legale onderneming in Kroatië betreft en dat hij dit met stukken kon onderbouwen. Het hof heeft vervolgens op de terechtzitting van 31 januari 2020 de behandeling van de zaak aangehouden om de verdediging in gelegenheid te stellen relevante stukken aan het hof over te leggen. Hierbij ging het om stukken die de juistheid van hetgeen verdachte heeft aangevoerd aannemelijk konden maken. De stukken moesten daarbij in het Nederlands zijn vertaald. Ter terechtzitting in hoger beroep op 5 juni 2020 heeft de verdediging aanvullende stukken aan het hof overgelegd. Uit de stukken blijkt weliswaar dat sprake is van een onderneming, maar naar het oordeel van het hof blijkt geenszins dat deze onderneming een vergunning heeft (gehad) voor het legaal telen van hennep in Kroatië dan wel dat verdachte anderszins toestemming heeft gekregen van de autoriteiten in Kroatië voor het telen van hennep. Uit de stukken blijkt zelfs niet dat het bedrijf hennep produceert. De stukken zijn pas ter zitting overgelegd en waren grotendeels niet in het Nederlands vertaald. Het hof is dan ook van oordeel dat door de verdediging onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verdachte mede-eigenaar was van een legaal hennepteeltbedrijf in Kroatië. Aldus is het hof van oordeel dat het verweer van verdediging inhoudende dat verdachte de aangetroffen voorwerpen enkel bij zich had ten behoeve van een door hem legaal in Kroatië opgezet bedrijf in hennepteelt en hij derhalve geen criminele intentie had, niet aannemelijk is geworden.”
2.4
Op grond van artikel 414 lid 1, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering zijn de advocaat-generaal bij het ressortsparket en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid kan in voorkomende gevallen door de rechter worden getoetst aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daarover valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken (vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1503). Als bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de verdachte nadere bescheiden of stukken van overtuiging worden overgelegd, zal de rechter de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging moeten betrekken (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709).
2.5
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2020 blijkt dat het hof het onderzoek heeft geschorst op verzoek van de verdediging om haar in de gelegenheid te stellen bepaalde stukken – vertaald in het Nederlands – uiterlijk twee weken voor de nieuwe zittingsdatum aan het hof toe te sturen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2020 blijkt dat door de verdediging geen vertaalde stukken zijn toegestuurd, maar dat door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting stukken zijn overgelegd en dat deze stukken door het hof zijn bekeken. De betreffende stukken zijn als producties aan de pleitnota van de raadsman gehecht. Het gaat om vijf producties, opgesteld in de Nederlandse, Engelse en Kroatische taal, van in totaal 67 pagina’s. De verdediging heeft op die terechtzitting te kennen gegeven de inhoud van de in het Kroatisch gestelde stukken niet te kunnen weergeven en zij heeft geen concrete passages uit de betreffende stukken benoemd waaruit het legale karakter van de werkzaamheden van de Kroatische handelspartner van de verdachte zou kunnen worden afgeleid.
2.6
Met zijn in 2.3 weergegeven overwegingen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het kennis heeft genomen van de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2020 overgelegde stukken en van wat de verdediging over de inhoud daarvan heeft opgemerkt, en dat het op grond daarvan heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk was die stukken te laten vertalen. Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, mist het feitelijke grondslag. Mede gelet op de onder 2.5 weergegeven omstandigheden, was het hof niet gehouden nader in te gaan op de inhoud van de stukken.
2.7
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.8
Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, A.E.M. Röttgering, C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2022.
Conclusie 23‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Conclusie AG. Voorhanden hebben van voorwerpen bestemd tot het plegen van het feit a.b.i. art. 11.3 Opiumwet. Verweer dat de voorwerpen bestemd waren voor legale hennepteelt in Kroatië, waartoe tijdens zitting hof bewijsstukken in de Kroatische taal zijn overgelegd. Kon het hof, zonder vertaling van deze stukken oordelen dat het verweer niet aannemelijk is gemaakt? De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01948
Zitting 23 november 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1.
De verdachte is bij arrest van 19 juni 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens het onder 1 bewezenverklaarde “voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 2.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door dertig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
1.2.
Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld en mr. J.S. Nan en mr. Vromen, advocaten te 's-Gravenhage, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
1.3.
Wat de feiten aangaat heeft het hof het volgende vastgesteld. Op 30 augustus 2018 hebben twee verbalisanten de verdachte, die een Renault Trafic bestelauto bestuurde, op grond van de Wegenverkeerwet gecontroleerd. Bij de controle van de bestelauto werden een joint, twee gripzakjes met wiet, een bundel met geld en een visitekaartje met een blad van een hennepplant erop aangetroffen. De verdachte verklaarde bij zijn aanhouding dat hij zich bezighoudt met hennepkwekerijen in Kroatië. In de laadruimte van de bestelauto zijn voorwerpen gevonden die gebruikt kunnen worden bij het kweken van hennep, namelijk twee koolstoffilters, een elektrische tijdschakelkast, twee dozen met assimilatielampen en vijverfolie. In de vervolgens tegen de verdachte aanhangig gemaakte strafzaak heeft hij stukken overgelegd waaruit zou moeten blijken dat hij in Kroatië een vergunning heeft om legaal hennep te telen.
1.4.
In cassatie gaat het kortgezegd om de vraag of het hof heeft kunnen beslissen dat de verdachte onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij mede-eigenaar was van een legaal hennepteeltbedrijf in Kroatië, nu het hof de overgelegde stukken (deels) niet bij zijn beraadslaging heeft betrokken omdat deze stukken pas op de zitting zijn overgelegd en deze grotendeels niet in het Nederlands zijn vertaald.
2. Bewezenverklaring
2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 30 augustus 2018 te Woudenberg voorwerpen heeft voorhanden gehad, te weten een tijdschakelkast en drie koolstoffilters en vijverfolie en 2 dozen assimilatielampen waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.”
3. Het middel
3.1.
Het middel klaagt in de eerste plaats dat het hof ten onrechte niet alle door de verdediging overgelegde stukken in zijn beraadslaging heeft betrokken, althans (inhoudelijk) buiten beschouwing heeft gelaten.
3.2.
In de tweede plaats bevat het middel de klacht dat de overweging van het hof dat de stukken pas ter terechtzitting zijn overgelegd terwijl deze grotendeels niet in het Nederlands zijn vertaald, ten gevolge waarvan de verdediging onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verdachte mede-eigenaar was van een legaal hennepbedrijf in Kroatië, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de presumptie van onschuld en de verantwoordelijkheid van de rechter voor de volledigheid van het onderzoek ter terechtzitting.
3.3.
De procesgang
3.3.1.
Uit de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, de volgende procesgang.
3.3.2.
Ter terechtzitting van de rechtbank MiddenNederland van 23 oktober 2018 heeft de verdachte verklaard:
“Op 30 augustus 2018 te Woudenberg heb ik voorwerpen voorhanden gehad die gebruikt kunnen worden bij het opzetten van een hennepkwekerij.
(…)
De aangetroffen goederen verzamel ik voor mijn bedrijf in Kroatië waar ik legaal hennep kweek. Het is nooit mijn intentie geweest om een overtreding te begaan. Ik doe alles legaal en heb ook alle benodigde papieren voorhanden.”
3.3.3.
Bij mondeling vonnis van de rechtbank MiddenNederland van 23 oktober 2018 is de verdachte veroordeeld wegens het onder 1 bewezen verklaarde – kortweg – voorbereiden van hennepteelt.
3.3.4.
Ter terechtzitting van het hof van 31 januari 2020 is in verband met de overgelegde Kroatische stukken het volgende de revue gepasseerd:
“De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:
Ten tijde van het tenlastegelegde feit was ik mede-eigenaar van een bedrijf in Kroatië, [A] BV. Met dit bedrijf kweken we legaal hennep. De aangetroffen goederen in mijn bestelbus had ik verzameld voor dit bedrijf. In eerste aanleg heb ik allerlei stukken overgelegd om één en ander te onderbouwen.
De voorzitter merkt op dat over overlegging van stukken niets wordt vermeld in het procesverbaal van de zitting in eerste aanleg en dat het hof dergelijke stukken ook niet in het dossier heeft aangetroffen.
De advocaat-generaal deelt desgevraagd mede dat hij ook niet over die stukken beschikt.
Het hof onderbreekt het onderzoek voor korte tijd zodat verdachte en de raadsman kunnen bekijken of zij die stukken op hun telefoon hebben en deze alsnog uitgeprint en overgelegd kunnen worden.
Na hervatting van het onderzoek deelt de verdachte -zakelijk weergegeven- mee:
U vraagt mij of ik met de spullen, die in mijn bestelbus zijn aangetroffen, in Duitsland ben geweest en daarna naar Nederland ben gereden. Ik vind dit eigenlijk geen relevante vraag voor de onderliggende kwestie. Ik verzamel die spullen. Ik bewaar die spullen thuis in de schuur. Eén keer per maand rijd ik met de verzamelde spullen naar Kroatië. Ik vind het niet relevant om het hof te vertellen waar of bij wie ik de spullen specifiek heb gekocht. Ik koop die spullen in Nederland, Duitsland of België. De spullen zijn daar beter dan in Kroatië. Ik beschik over papieren, die aantonen dat het een legale onderneming in Kroatië betreft. We zijn indertijd met zijn drieën dit bedrijf begonnen. Inmiddels heb ik mij teruggetrokken uit het bedrijf. Ik ben ooit in zee gegaan met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in Kroatië. We zijn een hennepkwekerij begonnen. [betrokkene 2] en ik hebben geld geïnvesteerd.
Het betreft industriële hennepvezel. Dit mag in Kroatië legaal worden gekweekt. Wij kweken het in een kas en buiten. Het terrein buiten is 23 tot 25 hectare. Binnen bedraagt de ruimte 300 m2 - 400 m2. Voor een cyclus wordt 150 m2 gebruikt. In Nederland is de verwerking van hennepvezel verboden. In Kroatië mag dit echter wel. We zijn begonnen met het maken van olie. Inmiddels werken we samen met een voedselfabrikant en is het idee om koekjes en/of thee te maken.
De bode meldt zich met een aantal gekopieerde stukken. Door de raadsman worden deze stukken aan het hof overgelegd.
De raadsman deelt mede –zakelijk weergegeven–:
De stukken die ik zojuist heb overgelegd, zijn niet de stukken die indertijd bij de rechtbank zijn overgelegd. Nu zijn het een aantal foto’s van de buiten- en binnenruimte waar cannabis wordt gekweekt. Ook betreft het pagina 1 van een overeenkomst tussen [betrokkene 1] en verdachte waaruit blijkt dat het om legale hennepteelt gaat. Bij de rechtbank zijn stukken overgelegd waaruit blijkt dat het legale hennepteelt betreft.
De verdachte verklaart –zakelijk weergegeven–:
Ik wil aantonen dat ik een vergunning heb voor het telen van hennep in Kroatië. Je hebt ook meldplicht als je hennepvezel kweekt. De politie komt ook controleren. We hebben ook een controle gehad in Kroatië. We hebben in Kroatië ook een advocaat. De juiste papieren zijn inderdaad in het Kroatisch opgesteld.
De advocaat-generaal deelt mede –zakelijk weergegeven–:
Het gaat hier niet over de vraag of verdachte met die spullen in zijn bestelbus heeft rondgereden. Het gaat hier om de vraag of de spullen die in de bestelbus van verdachte zijn aangetroffen nodig of bedoeld waren voor het bedrijf in Kroatië: Het lijkt me in het belang van de verdediging dat zij kan aantonen dat het een legaal bedrijf was en dit met stukken kan onderbouwen. Als de stukken in het Kroatisch zijn, moeten ze wel worden vertaald. Ik verzoek het hof om de zaak aan te houden.
De raadsman deelt mede –zakelijk weergegeven–:
De verdediging stelt het zeer op prijs dat het van het hof de ruimte heeft gekregen om te zoeken naar relevante stukken. Het belang voor verdachte is groot. Met de advocaat-generaal verzoek ik om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting opdat verdachte de juiste stukken kan verzamelen en overleggen. Verdachte kan met die stukken aantonen dat het legale handel betrof. Het betreft de stukken die door de verdediging eerder bij de rechtbank zijn overgelegd.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende
mede.
Het hof zal de verdediging in de gelegenheid stellen om relevante stukken aan het hof over te leggen. Stukken, die aannemelijk kunnen maken dat hetgeen verdachte heeft aangevoerd juist is. Deze stukken moeten wel vertaald zijn in het Nederlands. Voorts verzoekt het hof de verdediging om stukken over te leggen (inclusief wettelijke regelingen) waaruit blijkt dat de teelt van industriële hennepvezel is toegestaan in Kroatië en hoe hier mee om wordt gegaan.
Het hof zal bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, navraag doen of daar bekend is dat er ter zitting van de politierechter op 23 oktober 2018 stukken zijn overgelegd en zo ja, dan zal het hof deze opvragen.
De raadsman zegt toe dat hij tijdig, uiterlijk twee weken voor de nieuwe zittingsdatum de stukken aan het hof en de advocaat-generaal toe zal sturen.
Het hof schorst vervolgens het onderzoek voor onbepaalde tijd, met bevel tot oproeping van verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman van verdachte.”
3.3.5.
Ter terechtzitting van het hof is op 5 juni 2020 is het volgende gebeurd:
“De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – : Er zijn inderdaad goederen voor het opzetten van een hennepkwekerij bij mij aangetroffen. Maar deze goederen zijn niet bedoeld voor het plegen van een strafbaar feit. Ik was toen bezig met het opzetten van een legale hennepkwekerij in Kroatië.
In Europa kunnen diverse soorten legale cannabis worden geteeld, die officieel erkend zijn door de Europese commissie. Er is een lijst die verschillende hennepsoorten bevat, die in Europa gecertifieerd zijn en dus legaal geteeld kunnen worden. De ene boer gebruikt de hennep voor vezels en de andere voor bloemen.
In Nederland is het verwerken van hennep strafbaar. Ik heb daarom ervoor gekozen om in het buitenland een hennepkwekerij op te zetten, omdat daar het verwerken van hennep wel is toegestaan. Er is dus een kwekerij opgezet, met legale intenties. Er is nooit sprake geweest van illegale intenties. In Kroatië wisten namelijk de burgemeester en de politie van de kwekerij af en wij hebben daarbij ook een controle van de politie gehad. Ze controleren dan of je de hennepsoorten teelt die op de lijst staan. Ik heb mij netjes gehouden aan de lijst. Wij hebben de controle dan ook doorstaan. Ik snap de veroordeling dan ook niet.
U vraagt aan mij of ik papieren voor het bedrijf had. Ik ging samenwerken met het bedrijf [A] . Ik ben toen naar Kroatië gegaan om met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] samen te gaan werken. Wij hadden toestemming van de burgemeester gekregen om te starten met het bedrijf. Ik heb toen de keuze gemaakt om in Nederland te blijven wonen, omdat ik in Nederland al een bedrijf had. Ik was dus in Nederland al belastingplichtige en ik wilde de winst naar Nederland halen. Ik wilde namelijk niet in Kroatië wonen. De bedoeling was dat ik de aandelen van het bedrijf in Kroatië zou krijgen. Ik heb het echter niet op papier gezet. Het is eigenlijk nooit 100% procent van de grond gekomen. Het is een bedrijf dat officieel is opgericht, maar het bedrijf is niet op mijn naam gezet. Ik beschik wel over papieren die aantonen dat het een legale onderneming in Kroatië betreft.
De voorzitter vraagt aan de raadsman of hij de relevante stukken heeft meegenomen naar de terechtzitting.
De raadsman deelt mede – zakelijk weergegeven – :
Ja, ik heb de volgende stukken bij mij: een uittreksel uit de Kroatische kamer van koophandel betreffende [B] , nota’s aan deze onderneming en een uittreksel van de kamer van koophandel van [A] . U houdt mij voor dat ik op de vorige zitting heb gezegd dat ik tijdig, uiterlijk twee weken voor de nieuwe zittingsdatum de stukken aan het hof en de AG toe zal sturen. Dit wist ik niet. Ik heb het proces-verbaal van die zitting namelijk niet ontvangen. Dat is dan mijn fout geweest. Ik heb toen wel opgeschreven wat voor informatie ik moest verzamelen en daar heb ik mijn best voor gedaan.
Nadat de voorzitter aan de raadsman heeft gevraagd om alvast de stukken aan het hof te overleggen, wordt door de raadsman een exemplaar aan het hof en de advocaat-generaal overlegd.
De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – :
Ik heb mijn bedrijf in Nederland ongeveer gelijktijdig met het bedrijf in Kroatië opgezet. De lampen waren ook voor het bedrijf in Nederland bestemd. Mijn bedrijf in Nederland zou dan samenwerken met het bedrijf in Kroatië. Het kweken zou echter in Kroatië plaatsvinden. In Kroatië waren ze namelijk al begonnen met het telen. Het was een fout van mij om niet alles op papier te zetten.
Nadat het hof de overlegde stukken heeft bekeken, vraagt de voorzitter aan de raadsman wat
het doel was van de vennootschap.
De raadsman verklaart – zakelijk weergegeven – :
Ik heb er zelf ook naar gezocht. Het vervelende aan deze stukken is dat alles in het Kroatisch is geschreven. In productie 1, op ongeveer de laatste pagina staat het woord ‘Predmet Poslovanja. Onder dit woord is een lijst met omschrijvingen opgenomen met waar het bedrijf zich mee bezig houdt. Het is vrij algemene lijst en het is bijna niet te achterhalen wat ze precies doen. De handelsnaam is in ieder geval ‘ [A] ’ en daaruit kan je afleiden dat ze zich met hennep bezig houden. Maar dat is mijn interpretatie. Ik heb aan mijn cliënt gevraagd of hij de stukken kon vertalen, maar dat is helaas niet gelukt.
De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – :
Ik was aardig op weg met het leren van Kroatisch, maar ik kan op dit moment alleen een paar woorden Kroatisch.
Op vragen van de voorzitter verklaart verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:
Het verwerken van de hennep is in Nederland verboden, dus daarom hebben wij gekozen voor Kroatië. De spullen voor opzetten van de hennepkwekerij kocht ik in Duitsland.
Ik heb een VOG aangevraagd. Daarnaast heb ik vragen gesteld aan het Ministerie van Justitie over de wetgeving en wat de mogelijkheden zijn. Op gegeven moment ontving ik de VOG en ben ik naar Kroatië gegaan. Naar mijn gevoel zijn de problemen begonnen in Kroatië. De jongste raadsheer deelt mede dat moeilijk uit de overlegde stukken is afte leiden of het bedrijf specifiek gericht is op het telen van cannabisproducten.
De verdachte verklaart – zakelijk weergeven – :
Sorry, ik kan het niet voor je vertalen.
De raadsman deelt daartoe mede – zakelijk weergegeven – :
Ik zie op pagina 1 van de lijst de woorden; ‘Uzgoj i prerada konoplje’ staan. Volgens mijn cliënt staat het woord ‘konoplje’ voor cannabis en ‘uzgoj’ voor legaliseren. Het is een ruime beschrijving van zijn bezigheden. Daarbij wil ik wijzen naar productie 2. Bij productie 2 heb ik een factuur overlegd. Deze factuur geeft het Nederlands bedrijf van mijn cliënt weer. Het laat zien dat het Nederlands bedrijf van mijn cliënt daadwerkelijk bestaat en dat het daadwerkelijk staat ingeschreven. De volgende facturen betreffen diverse producten die zijn geleverd in het kader van het telen van cannabis. Het laat zien dat er daadwerkelijk sprake is van een rechtspersoon en dat er werd gehandeld vanuit de onderneming van mijn cliënt.
Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:
Wij wisten dat het telen en verwerken in Kroatië legaal was, omdat we het een en het ander hierover hadden uitgezocht.
In cannabis zitten twee stoffen, namelijk THC en CBD. Wij kunnen de werkzame stoffen uit de hennepplant halen en dit is niet strafbaar. Daarom is er een lijst gemaakt. Als je stoffen verwerkt die niet op de lijst zijn genoemd, dan ben je strafbaar. Daarom doet de politie in Kroatië ook controles. Ze knippen bij de controle een plant kapot en nemen het mee. Hoor je niets van de politie, dan zitje goed. Als je wel iets van de politie hoort, dan staan ze de volgende dag op je stoep.
In Nederland heb je dezelfde eisen. Je moet je melden bij de politie en je moet aan de lijst houden. Daarbij houden ze een controle. Maar in Nederland mag je dan niet verwerken.
U vraagt aan mij waarom ik niet gelijk de bestellingen in Kroatië heb gedaan. Ik ben met twee mensen in Kroatië in contact gekomen en daarna heb ik financieel gezien een grote fout begaan.
Ik heb door middel van privégeld geïnvesteerd in de spullen. Er is een boekhouding van het bedrijf in Kroatië bijgehouden. Maar dat vind ik niet relevant voor de vraag of er sprake was van criminele intenties. Het gaat vandaag om de vraag of mijn doel legaal of illegaal was. Ik vind namelijk ook niet relevant in welke auto ik heb gereden of wat voor werk ik doe. Ik wil verder niets over de feiten vertellen. Mijn intentie was niet strafbaar en ik hoop op een goede afloop.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het
hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht. De raadsman voegt daar – zakelijk
weergeven – nog het volgende aan toe: (…)
- Pagina 4; Ik heb twee producties nog niet genoemd. Productie 31.zijn diverse websites over de productie van medicinale cannabis en industriële cannabis in Kroatië en productie 42.zijn foto’s van cliënt in Kroatië bij de kwekerij.
De advocaat-generaal persisteert.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven –:
Ik wist dat dit een gevoelig onderwerp was. Ik ben daarom met mijn advocaat in gesprek gegaan en heb ik vragen aan het Ministerie van Justitie gesteld. Ik ben de spullen gaan verzamelen, zonder daarbij de criminele intentie te hebben.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten (…).”
3.3.6.
Bij de pleitnota zijn vijf producties gevoegd, inhoudend achtereenvolgens 1) een uittreksel uit de Kroatische kamer van koophandel betreffende [B] d.o.o. via een Europese website genaamd e-justice.europa.eu, 2) nota’s aan deze onderneming vanuit de onderneming van de verdachte [D] , 3) uittreksels van de kamer van koophandel [A] , [D] en [verdachte] beheer, 4) prints van diverse websites over wetgeving ten aanzien van de legalisering van productie van medicinale cannabis in Kroatië en over de legale productie van medicinale cannabis en industriële cannabis in Kroatië en 5) foto’s van de verdachte in Kroatië bij de kwekerij.
3.3.7.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een mapje ‘aan het hof over te leggen stukken’ met een aantal aan elkaar gehechte kopieën, met als voorblad een afschrift van de betaalrekening van [verdachte] bij de ING, waarin het resultaat wordt getoond van een zoekslag op de term ‘Osvit’. Op het afschrift is met pen het parketnummer van de zaak in eerste aanleg (16-173041-18) aangetekend. Daarachter bevinden zich verschillende facturen en stukken opgesteld door het Nastavni zavod za javno zdravstvo (het Instituut voor volksgezondheid). Deze stukken zijn voor het overgrote deel in het Kroatisch opgesteld.
3.3.8.
Ter terechtzitting in hoger beroep op 31 januari 2020, is zoals hiervoor onder 3.2.4 is geciteerd, door de raadsman van de verdachte verwezen naar stukken die bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg zijn overgelegd. Volgens hem kunnen de in eerste aanleg overgelegde stukken uitwijzen dat de verdachte zich met legale hennepteelt bezighield. De stukken die de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van het hof vervolgens heeft laten kopiëren en aan het hof heeft overhandigd, maken daarvan volgens hem geen deel uit. De verdachte verklaart daarover dat ‘de juiste papieren’ – waarmee hij kennelijk eveneens doelt op andere stukken dan die de raadsman ter terechtzitting aan het hof heeft overgelegd – in het Kroatisch zijn opgesteld. Daarmee zou hij kunnen aantonen dat hij een vergunning had voor het telen van hennep in Kroatië.
3.3.9.
Noch de stukken die ter terechtzitting aan de rechtbank Midden-Nederland zijn overgelegd, noch de stukken die de raadsman van de verdachte heeft overgelegd ter terechtzitting van het hof op 31 januari 2020, heb ik bij de aan de Hoge Raad toegezonden processtukken aangetroffen. Niet duidelijk is of het onder 3.2.7 genoemde mapje die stukken bevat. Het daarop vermelde parketnummer van de zaak in eerste aanleg wijst in die richting, maar enige zekerheid geeft dat niet. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland van 23 oktober 2018 vermeldt niet dat er op de zitting stukken zijn overgelegd.
3.3.10.
Het hof heeft de behandeling van de zaak op de zitting van 31 januari 2020, mede op verzoek van de advocaat-generaal, aangehouden om de verdediging in gelegenheid te stellen de stukken die aannemelijk kunnen maken dat hetgeen verdachte heeft aangevoerd juist is, aan het hof over te leggen. Daarbij heeft het hof bepaald dat die stukken dan in het Nederlands vertaald moesten zijn en tevens voorzien moesten zijn van stukken – inclusief wettelijke regelingen – waaruit blijkt dat de teelt van industriële hennepvezel is toegestaan in Kroatië. De raadsman van de verdachte heeft toegezegd deze stukken uiterlijk twee weken voorafgaand aan de nieuwe zittingsdatum aan de advocaat-generaal bij het hof toe te sturen. Voorts heeft het hof toegezegd bij de rechtbank Midden-Nederland navraag te doen of daar bekend is dat er ter zitting van de politierechter op 23 oktober 2018 stukken zijn overgelegd en zo ja, deze op te vragen.
3.3.11.
Ter terechtzitting van het hof van 5 juni 2020 verklaart de verdachte andermaal dat hij beschikte over papieren waaruit blijkt dat de in Kroatië opgezette onderneming zich met legale hennepteelt bezighield, dat ze toestemming hadden van de burgemeester en dat de politie daar al eens een controle had gedaan. Op navragen van de voorzitter naar de relevante stukken, beantwoordt de raadsman dat hij een aantal stukken bij zich heeft, maar dat hij niet wist dat hij twee weken voor deze zittingsdatum de – vertaalde – stukken aan het hof en de AG had moeten toezenden. De raadsman legt dan alsnog een uittreksel uit de Kroatische kamer van koophandel betreffende [B] , nota’s aan deze onderneming en een uittreksel van de kamer van koophandel van [A] en andere stukken aan het hof over die, zoals weergegeven onder 3.2.6, aan de overgelegde pleitnota zijn gehecht.
3.3.12.
Uit het dossier kan niet worden opgemaakt of het hof gevolg heeft gegeven aan de toezegging om bij de rechtbank na te gaan of er ter zitting van de politierechter op 23 oktober 2018 stukken zijn overgelegd.
3.3.13.
Als overweging met betrekking tot het bewijs heeft het hof het volgende in het arrest opgenomen:
“(…)
Uit het dossier is het hof het volgende gebleken.
Op 30 augustus 2018 zagen de verbalisant [verbalisant 1] en verbalisant [verbalisant 2] een bestelauto van het merk Renault, type Trafic, voorzien van het kenteken [kenteken] opeen parkeerplaats staan. Vervolgens hebben verbalisanten aan de bestuurder van de bestelauto een stopteken gegeven, op naleving van de Wegenverkeerwet. De bestuurder was verdachte. Bij de controle van de bestelauto werden een joint, twee gripzakjes met wiet, een bundel met geld en een visitekaartje met een blad van een hennepplant erop aangetroffen. Bij zijn aanhouding heeft verdachte verklaard dat hij zich bezighoudt met hennepkwekerijen in Kroatië. Voorts heeft een doorzoeking in de bestelauto plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verbalisant [verbalisant 3] en verbalisant [verbalisant 4] in de laadruimte van de bestelauto twee koolstoffilters, een elektrische tijdschakelkast, twee dozen met assimilatielampen, vijverfolie en documenten hebben aangetroffen. Uit datzelfde proces-verbaal volgt dat het de verbalisanten ambtshalve bekend is dat al deze voorwerpen gebruikt worden in hennepkwekerijen.
Gelet op het voorgaande overweegt het hof dat in het bestelauto van verdachte aangetroffen voorwerpen naar hun uiterlijke verschijningsvorm en tezamen bezien, bestemd zijn voor het opzetten dan wel onderhouden van hennepteelt.
De vraag die vervolgens dient worden beantwoord is of verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de in zijn bestelauto aanwezige voorwerpen bedoeld waren voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.
Verdachte heeft bij de politie en bij de politierechter verklaard dat hij op 30 augustus 2018 voorwerpen voorhanden heeft gehad, die gebruikt kunnen worden bij het opzetten van een hennepkwekerij. De verdachte heeft daartoe verklaard dat hij de aangetroffen goederen had verzameld voor zijn bedrijf in Kroatië waar hij legaal hennep kweekt.
Ter terechtzitting in hoger beroep op 31 januari 2020 heeft verdachte verklaard dat hij mede-eigenaar was van het bedrijf [A] BV in Kroatië. Verdachte heeft verklaard dat het een legale onderneming in Kroatië betreft en dat hij dit met stukken kon onderbouwen. Het hof heeft vervolgens op de terechtzitting van 31 januari 2020 de behandeling van de zaak aangehouden om de verdediging in gelegenheid te stellen relevante stukken aan het hof over te leggen. Hierbij ging het om stukken die de juistheid van hetgeen verdachte heeft aangevoerd aannemelijk konden maken. De stukken moesten daarbij in het Nederlands zijn vertaald.
Ter terechtzitting in hoger beroep op 5 juni 2020 heeft de verdediging aanvullende stukken aan het hof overgelegd. Uit de stukken blijkt weliswaar dat sprake is van een onderneming, maar naar het oordeel van het hof blijkt geenszins dat deze onderneming een vergunning heeft (gehad) voor het legaal telen van hennep in Kroatië dan wel dat verdachte anderszins toestemming heeft gekregen van de autoriteiten in Kroatië voor het telen van hennep. Uit de stukken blijkt zelfs niet dat het bedrijf hennep produceert. De stukken zijn pas ter zitting overlegd en waren grotendeels niet in het Nederlands vertaald. Het hof is dan ook van oordeel dat door de verdediging onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verdachte mede-eigenaar was van een legaal hennepteeltbedrijf in Kroatië. Aldus is het hof van oordeel dat het verweer van verdediging inhoudende dat verdachte de aangetroffen voorwerpen enkel bij zich had ten behoeve van een door hem legaal in Kroatië opgezet bedrijf in hennepteelt en hij derhalve geen criminele intentie had, niet aannemelijk is geworden.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat verdachte op 30 augustus 2018 voorwerpen voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet.”
3.3.14.
Uit de hiervoor beschreven procesgang blijkt dat de gang van zaken rondom het overleggen van de (juiste) stukken aan het hof rommelig is verlopen. Van de zijde van de verdediging zijn toezeggingen om de relevante stukken – in het Nederlands vertaald – twee weken voor de volgende zitting te overleggen niet nagekomen. De uiteindelijk ter terechtzitting aan het hof overgelegde stukken zijn (grotendeels) niet vertaald. Tegelijkertijd heeft het hof er geen blijk van gegeven dat aan de op hetzelfde moment gedane toezegging om de bij de rechtbank overgelegde stukken op te vragen, gevolg te hebben gegeven. Dat heeft er mede toe geleid dat uit de processtukken niet opgemaakt kan worden of de door de verdachte genoemde vergunning op enig moment onderdeel is gaan uitmaken van het procesdossier. Daarnaast blijkt ten aanzien van de bij de pleitnota overgelegde stukken niet of ze reeds op een eerder moment zijn overgelegd of anderszins al voorafgaande aan de zitting deel uit zijn gaan maken van het procesdossier. Of en voor zover die stukken (deels) overeenkomen met de stukken die op de zitting van 31 januari 2020 zijn ingebracht, kan niet worden beoordeeld, omdat die stukken zich niet in het dossier bevinden.
4. Bespreking van het middel
4.1.
Gelet op het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat de ter terechtzitting van 31 januari 2020 overgelegde stukken nieuwe stukken betreffen. Aangezien in het arrest opgenomen is dat het stukken betreft die ‘pas ter zitting’ zijn overgelegd, lijkt het erop dat het hof daar eveneens vanuit is gegaan. Bij die stand van zaken meen ik – met de stellers van het middel – dat de op 5 juni 2020 bij pleidooi ter terechtzitting overgelegde stukken moeten worden beoordeeld naar de maatstaven die gelden voor het overleggen van nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging als bedoeld in art. 414, eerste lid, Sv.
4.2.
Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het (deels) niet bij zijn beraadslaging betrekken van de stukken door het hof op grond van het bepaalde in art. 414 Sv moet leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.3.In het verlengde daarvan wordt, onder verwijzing naar het uit art. 6 EVRM en voortvloeiende beginsel van ‘equality of arms’ en de onschuldpresumptie, betoogd dat van de verdediging niet mag worden verlangd dat het namens deze ingebrachte bewijs vertaald is naar het Nederlands, omdat de rechter verantwoordelijk is voor de volledigheid van het onderzoek.
4.3.
Ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv, in verbinding met de artikelen 331 en 415 Sv, is de raadsman bevoegd – bijvoorbeeld bij pleidooi4.– in appel nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt volgens de Hoge Raad niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt.5.Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de verdachte het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf.6.Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken op straffe van nietigheid bij zijn beraadslaging dienen te betrekken.7.
4.4.
Een complicerende factor in onderhavige zaak is dat het hof geen duidelijke beslissing heeft genomen of hij het overleggen van de aan de pleitnota gehechte stukken heeft toegestaan. Ik meen echter dat mag worden aangenomen dat het hof dat wel impliciet heeft gedaan.8.Nergens blijkt immers uit dat het hof de overlegging van die stukken heeft geweigerd of dat de raadsman de stukken heeft teruggenomen.9.
4.5.
De vervolgvraag die dan moet worden beantwoord, is of nu wel of niet kan worden aangenomen dat het hof de stukken bij de beraadslaging heeft betrokken.
4.6.
De stellers van het middel betogen, dat het hof na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting kennelijk besloten heeft (gedeeltelijk) geen acht te slaan op de inhoud van de stukken. Naar ik aanneem betreft het dan het buiten beschouwing laten van de stukken, voor zover die in de Kroatische taal zijn opgesteld. Maar ook daarover heeft het hof zich niet expliciet uitgelaten. Het hof overweegt wel dat de stukken pas ter zitting zijn overgelegd en grotendeels niet in het Nederlands vertaald waren, maar uit het arrest volgt niet dat het hof daarom geen acht op de (niet vertaalde) stukken heeft geslagen. Integendeel, dat lijkt het hof wel te hebben gedaan, aangezien het heeft overwogen dat uit de stukken “weliswaar [blijkt] dat sprake is van een onderneming, maar naar het oordeel van het hof (…) geenszins [blijkt] dat deze onderneming een vergunning heeft (gehad) voor het legaal telen van hennep in Kroatië dan wel dat verdachte anderszins toestemming heeft gekregen van de autoriteiten in Kroatië voor het telen van hennep” en “[u]it de stukken (…) zelfs niet [blijkt] dat het bedrijf hennep produceert”. Op basis van deze overwegingen kan niet worden volgehouden dat het hof de in Kroatische taal opgestelde stukken buiten beschouwing heeft gelaten.
4.7.
Het voorgaande laat onverlet dat de overwegingen van het hof naar aanleiding van de overgelegde stukken mij tegenstrijdig voorkomen. Daaruit blijkt immers dat het hof gebruik heeft gemaakt van informatie uit deze stukken, terwijl het hof tegelijkertijd overweegt dat die ‘grotendeels niet in het Nederlands vertaald’ zijn. Hoe het hof, zonder vertaling, de – al dan niet ontlastende – aard van die stukken heeft kunnen beoordelen blijft daarmee raadselachtig. Ik meen dan ook dat het hof onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang geboden heeft ten aanzien van hoe het tot het oordeel is gekomen dat door de verdediging onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verdachte mede-eigenaar was van een legaal hennepteeltbedrijf in Kroatië en dat het niet aannemelijk is geworden dat hij geen criminele intentie had.10.
4.8.
Voorts laat het oordeel van het hof zich inhoudelijk niet rijmen met de aanwijzingen die mijns inziens – ook zonder vertaling – aan de overgelegde stukken kunnen worden ontleend en die wijzen in de richting dat het bedrijf van de verdachte wél in verband kan worden gebracht met legale hennepteelt in Kroatië. Ik doel daarbij op:
(i) de overgelegde stukken die gegevens bevatten dat een bedrijf genaamd [B] in Kroatie is gezeteld en stukken die blijkens het briefhoofd kennelijk afkomstig zijn van de Kroatische overheid waarin de naam van de gestelde partner van de verdachte, Marusic [betrokkene 1] , voorkomt (productie 1 bij de pleitnota);
(ii) rekeningen van het bedrijf van de verdachte [D] gericht aan [A] Slavonia (productie 2 bij de pleitnota);
(iii) uittreksels uit de Kamer van Koophandel van:
o [A] B.V., waarin [C] BV als bestuurder is opgenomen;
o [C] B.V., waarvan de verdachte als bestuurder is geregistreerd; en
o [D] , waarvan de verdachte als eigenaar is geregistreerd
(productie 3 bij de pleitnota);
(iv) informatie waaruit blijkt dat in Kroatië het telen van hennep onder voorwaarden is gelegaliseerd (productie 4 bij de pleitnota).
4.9.
Ook al mist de klacht dat het hof de overgelegde stukken ten onrechte deels niet bij zijn beraadslaging heeft betrokken strikt bezien feitelijke grondslag, wil ik bepleiten de klacht zodanig op te vatten dat hiermee bedoeld is te klagen dat het hof de stukken in Kroatische taal feitelijk niet bij zijn beraadslaging heeft betrokken, omdat dit zonder vertaling naar het Nederlands niet mogelijk lijkt. Zo opgevat is de klacht terecht voorgesteld en leidt dit tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest.
4.10.
De vraag is vervolgens of de verdachte belang heeft bij cassatie. In de toelichting op het middel is betoogd dat de overlegging van de stukken ertoe diende ontlastend bewijs ten aanzien van de verdachte aan te dragen.11.Temeer nu het onderhavige geval gaat om een verdenking van strafbare voorbereiding in de zin van art. 11a Opiumwet, is het belang van de verdachte bij cassatie daarmee gegeven. Van strafbare voorbereiding in de zin van art. 11a Opiumwet is immers sprake indien ten aanzien van de dader wetenschap of een ernstig vermoeden kan worden bewezen bij de verrichting van handelingen die strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van de genoemde illegale hennepteelt. Het gaat – blijkens de wetsgeschiedenis – steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling.12.Het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht is dus van belang.13.De stukken waar het in het onderhavige geval om gaat dienden ter onderbouwing van het standpunt dat de verdachte met het voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring opgenomen voorwerpen, geen criminele intentie had. De verdachte heeft dus belang bij cassatie.14.
4.11.
Omdat de eerste klacht van het middel in mijn visie slaagt laat ik de tweede klacht, die erop neerkomt dat het hof onder deze omstandigheden de zaak ambtshalve had moeten aanhouden, dan wel het onderzoek had dienen te hervatten, om – gelet op zijn verantwoordelijkheid voor de volledigheid van het onderzoek ter terechtzitting – nader onderzoek te gelasten naar het bestaan van de legale hennepkwekerij in Kroatië, hetgeen gemakkelijk had gekund door (bijvoorbeeld) de stukken te laten vertalen, buiten bespreking. Indien de Hoge Raad mij niet volgt in mijn oordeel over de eerste klacht dan ben ik uiteraard bereid nog nader te concluderen.
5. Conclusie
5.1.
Het middel slaagt.
5.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑11‑2021
AG: bedoeld zal zijn productie 5 die zich als bijlage bij de overgelegde pleitnota bevindt.
Daarbij is en beroep gedaan op HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409 en HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1287, NJ 2011/45.
De overlegging van stukken geschiedt vormvrij, zie bijvoorbeeld HR 12 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0317, NJ 1996/275 (overlegging bij pleidooi).
HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409, rov. 2.3, onder verwijzing naar HR 16 november 1999, NJ 2000/214. Vgl. ook HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:2, NJ 2016/74.
HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1503, NJ 2021/339.
HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409, rov. 2.4. Zie ook HR 16 november 1999, NJ 2000/214.
Vgl. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1287, NJ 2011/45.
Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:2, NJ 2016/74, onder 9, onder verwijzing naar o.a. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409.
HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2592.
Vgl. HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2592, rov. 2.4.
HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328, NJ 2018/281.
HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2592, rov. 2.4.
Beroepschrift 23‑12‑2020
Aan: de Hoge Raad der Nederlanden
Datum betekening: 15 april 2021
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
van mr. M.G. Cantarella en mr. A.T.C. Castermans, die in deze zaak bepaaldelijk zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie,
in de strafzaak tegen de heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ([geboorteland]), wonende te [woonplaats] ([postcode]) aan de [adres], verzoeker tot cassatie van het te zijnen laste door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, 15 juli 2020 onder rolnummer 21-003968-19 gewezen arrest.
Het beroep in cassatie tegen bovenvermeld arrest is namens verzoeker tot cassatie door mr. A.T.C. Castermans, advocaat te Den Haag, tijdig ingesteld, te weten op 20 oktober 2020.
Verzoeker tot cassatie voert het navolgende middel van cassatie aan:
Middel I:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid met zich brengt. In het bijzonder zijn geschonden de artikelen 36e, 36g, 36n, 280 juncto 415 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Gerechtshof ten onrechte de dagvaarding van de verdachte om in hoger beroep te verschijnen geldig heeft geacht. Het hof heeft tegen de verdachte ten onrechte verstek verleend. De beslissing van het hof is daarom niet naar de eisen der wet met redenen omkleed, althans is de motivering onbegrijpelijk. Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting:
1.
Bij uitspraak van de politierechter van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 2019 is verzoeker tot cassatie wegens belediging op tegenspraak, in de zin van artikel 279 Sv, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één (1) week. De tul vordering in de zaak met parketnummer 09-818892-17 werd afgewezen.
2.
Tegen het vonnis werd door de raadsman middels bijzondere schriftelijke volmacht op 23 juli 2019 namens (de toen uit andere hoofde gedetineerde) verzoeker tot cassatie hoger beroep ingesteld. Er werd geen appelschriftuur ingediend.
3.
Tot de datum van de betekening van het arrest was verzoeker tot cassatie niet op de hoogte van beslissing van het hof. Op 20 oktober 2020 is namens hem daartegen cassatie ingesteld.
4.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juli 2020 in hoger beroep blijkt — voor zover relevant — het volgende:
‘De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland] ) op [geboortedatum] 1988,
wonende te [postcode] [woonplaats], [adres],
is niet verschenen.
De raadsman van verdachte — mr. D.C. Keuning — is evenmin verschenen.
Opmerking griffier: De griffier heeft telefonisch contact opgenomen met de raadsman. Hij heeft laten weten dat hij het contact met zijn cliënt verloren is en dat hij — mr. Kenning — niet ter zitting zal verschijnen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte. De advocaat-generaal vordert voorts om verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep nu er geen bezwaren opgegeven zijn tegen het vonnis en verdachte — ondanks de correcte oproeping daartoe — niet ter zitting is verschenen.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.’
5.
Bij arrest van het gerechtshof van 15 juli 2020 is verzoeker tot cassatie in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
6.
Uit de ontvangen stukken van het dossier blijkt het navolgende.
7.
Tijdens het eerste verhoor op 20 april 2019 van verzoeker tot cassatie bij de politie staat op pagina 15 vermeld als adres: ‘[a-straat 1] te [postcode] [plaats]’. Volgens de ID Staat op pagina 3 van het proces-verbaal van de politie staat vermeld dat het voornoemde adres (op 20 april 2019 te 10:49 uur) het zogenaamde BRP-adres is maar ook dat dit de feitelijke woon- of verblijfplaats is van verzoeker tot cassatie.
8.
Verder blijkt uit de ontvangen stukken dat op de dagvaarding van 30 april 2020 om in hoger beroep te verschijnen voor de zitting van 15 juli 2020 te 11:40 uur het adres [adres] te [postcode] [woonplaats] staat vermeld. De betekening heeft plaatsgevonden op 12 mei 2020 aan de C. Nagtegaal van de receptie van voornoemde arrest, zijnde het Daklozenloket van de gemeente Den Haag. Volgens de Informatiestaat SKDB-persoon, stond verzoeker tot cassatie aldaar toe op dat adres ingeschreven.
9.
Daarnaast blijkt uit de ontvangen stukken dat namens de advocaat-generaal, voor zover valt te achterhalen, per gewone brief van 25 mei 2020 een wijziging van het tijdstip, naar eveneens het voornoemde adres aan de [adres], is uitgegaan. Het tijdstip van de zitting genoemd in de brief is 15 juli 2020 te 11:30 uur. Uit het dossier blijkt niet dat de brief aan verzoeker tot cassatie is betekend.
10.
Ook blijkt niet uit het dossier dat ex artikel 36g Sv een afschrift van de dagvaarding of oproeping is verzonden naar het door verzoeker tot cassatie opgeven eerste adres, te weten de [a-straat 1] te [plaats]. Eveneens blijkt niet uit het dossier dat de brief met de wijziging van het tijdstip van de zitting naar het laatstgenoemde adres is verzonden.
11.
Het hof heeft zonder nader onderzoek en nadere toelichting ten onrechte geconcludeerd dat tegen de niet verschenen verdachte verstek dient te worden verleend. Het hof had op zijn minst, mede gezien de verschillende tijdstippen, de zaak moeten aanhouden om, ofwel de verdachte opnieuw op te roepen, ofwel uit te zoeken hoe het met de tijdstippen zat. Zulks klemt te meer daar het gewijzigde tijdstip van 11.30 uur vóór het tijdstip ligt van de dagvaarding. In feite kan daardoor de strafzaak al behandeld zijn om 11.30 uur terwijl de verdachte verschijnt op het tijdstip van de betekende dagvaarding, te weten als tijdstip 11.40 uur. Daar komt nog bij dat de dagvaarding verzoeker tot cassatie middels betekening kan hebben bereikt, terwijl van de brief (met het gewijzigde tijdstip) niet blijkt van een ontvangst.
12.
Verder blijkt niet uit het dossier, meer in het bijzonder het proces-verbaal van de zitting, dat het hof, al dan niet middels de gerechtsbode, heeft gecontroleerd en heeft genoteerd of verzoeker tot cassatie wel of niet op het tweede tijdstip (te 11.40 uur) ter zitting was verschenen.
13.
Uit het vorenstaande volgt dat het hof ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de dagvaarding op geldige wijze was betekend en ten onrechte verstek tegen de verdachte werd verleend. Ook blijkt niet dat de verdachte in hoger beroep ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het aanwezigheidsrecht. In de jurisprudentie zijn (voor zover bekend) geen vergelijkbare zaken te vinden. Daarom onderscheidt deze zaak zich van andere zaken.
14.
Het proces-verbaal van de terechtzitting bevat bovendien onvoldoende aanknopingspunten om het besluit van het hof te begrijpen. Een nadere (toereikende) motivering waarom sprake was van een geldige betekening is onder de gegevens omstandigheden onontbeerlijk. Het hof heeft daarmee verzuimd de beslissing begrijpelijk te motiveren. Daarmee is de beslissing van het hof niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Het bestreden arrest kan daarom niet in stand blijven.
Deze cassatie schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M.G. Cantarella en mr. A.T.C. Castermans, beiden advocaat te (2591 XR) Den Haag, kantoorhoudende aan de Bordewijklaan 50, die verklaren daartoe door verzoeker tot cassatie bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Den Haag, 8 juni 2021
M.G. Cantarella
A.T.C. Castermans