Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/13.2.1
13.2.1 Samenloop met aanmerkelijkbelangschuldvorderingen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS457770:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 75.
De vraag is overigens gerechtvaardigd of dit in de memorie van toelichting genoemde voorbeeld wel ter zake doende is. De vestiging van een tijdelijk genotsrecht wordt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad - onder andere HR 28 juni 1978, BNB 1978/253 en HR 19 september 1979, BNB 1980/99 - beschouwd als een bijzondere wijze van rendabel maken van vermogen en ligt aldus in de inkomsten- resp. regulierevoordelensfeer. De vestiging van een niet-tijdelijk genotsrecht daarentegen wordt gezien als een vervreemding van een gedeelte van de in het vermogensbestanddeel liggende rechten en ligt dus in de vermogens- resp. vervreemdingsvoordelensfeer. De vestiging van een tijdelijk genotsrecht op aanmerkelijkbelangschuldvorderingen wordt mijns inziens dus uitsluitend geregeerd door het regime van de reguliere voordelen van art. 20a, eerste lid, onderdeel a. Wet IB (en art. 20b Wet IB) en niet mede door het regime van de vervreemdingsvoordelen van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB (en art. 20c Wet IB). Nu de vestiging van een tijdelijk genotsrecht op aanmerkelijkbelangschuldvorderingen niet onder de categorie reguliere voordelen kan worden gebracht - art. 20a, eerste lid, onderdeel a Wet IB noemt immers niet de schuldvorderingen - wordt mijns inziens vervolgens doorgeschoven naar de bron 'inkomsten uit vermogen'. In elk geval wordt naar mijn mening niet toegekomen aan de categorie vervreemdingsvoordelen van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB. Beide categorieën sluiten elkaar immers uit (zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.1.1). Dit geldt immers op dezelfde wijze voor de reguliere rente van aanmer-kelijkbelangschuldvorderingen. Wat hier overigens ook van zij, het in de memorie van toelich- ting gegeven voorbeeld stelt in elk geval buiten twijfel dat de vestiging van een tijdelijk genotsrecht op aanmerkelijkbelangschuldvorderingen uitsluitend wordt geregeerd door het regime van de inkomsten uit vermogen. Uit het bovenstaande blijkt voorts dat het in T.A. Gladpootjes, Het nieuwe aanmerkelijk-belangregime, Fiscaal Actueel, Kluwer, Deventer, 1997, op blz. 102 opgenomen voorbeeld naar mijn oordeel niet ter zake doende is.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 75-76. In geval van een (soort) rentespaarbrief vindt belastingheffing plaats wegens de bron 'inkomsten uit vermogen' op basis van art. 25, eerste lid, onderdeel b. Wet IB (rente begrepen in de aflossing van schuldvorderingen). Tevens kan hierbij worden gedacht aan de met een disagio uitgegeven schuldvordering, zoals nulprocentsobligaties, deep discount obligaties en warrantleningen van het disagioty-pe. Alsdan vindt eveneens belastingheffing plaats wegens de bron 'inkomsten uit vermogen' en wel op basis van art. 25, eerste lid, onderdeel a. Wet IB (rente als disconto genoten).
HR 2 juni 1993, BNB 1993/248.
Zie voor een cijfermatige uitwerking het voorbeeld van een disagiolening in T.A. Gladpootjes, Het nieuwe aanmerkelijk-belangregime, Fiscaal Actueel, blz. 103. Kluwer, Deventer, 1997.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 15.
Zoals in onderdeel 4.2.1 van hoofdstuk 4 is gebleken, worden de reguliere voordelen van schuldvorderingen die ingevolge de meetrekregeling van art. 20a, vierde lid, Wet IB of de afgeleid-aanmerkelijkbelangregeling van art. 20a, vijfde lid, Wet IB tot een aanmerkelijk belang behoren niet belast op grond van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' doch volgens de bron 'inkomsten uit vermogen'. Dit is in de wet terug te vinden doordat in art. 20a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB, welk artikellid de reguliere voordelen regelt, de schuldvorderingen niet worden genoemd. Voorts is dit te terug te vinden in art. 24, derde lid, Wet IB, ingevolge welke bepaling de regeling ter zake van inkomsten uit vermogen toepassing vindt als voordelen getrokken uit schuldvorderingen kunnen worden aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang en als inkomsten uit vermogen. Bij deze laatste bepaling kan blijkens de memorie van toelichting worden gedacht aan de vestiging van een tijdelijk recht van vruchtgebruik op een schuldvordering die tot het aanmerkelijk belang behoort. In dat geval vindt er volgens de memorie van toelichting een vervreemding van een gedeelte van de in de schuldvordering begrepen rechten plaats, zodat kan worden gesproken van een vervreemdingsvoordeel.1 Tevens wordt het genoten voordeel in geval van een vestiging van een tijdelijk recht van vruchtgebruik op een schuldvordering op grond van artikel 31, vijfde lid, onderdeel a, Wet IB aangemerkt als inkomsten uit vermogen.2 Een ander voorbeeld van de toepassing van art. 24, derde lid, Wet IB betreft volgens de memorie van toelichting de situatie dat een aanmerkelijkbelanghouder een schuldvordering op de vennootschap heeft, waarbij de rente pas aan het einde van de looptijd wordt voldaan (in feite een soort rentespaarbrief)-3 De rente wordt dan pas genoten op het tijdstip van uitbetaling.4 Tussentijdse vervreemding van een dergelijke schuldvordering zou aanleiding geven tot het constateren van inkomsten uit vermogen met inachtneming van het bepaalde in art. 27 Wet IB. Tevens zou het voordeel kunnen worden aangemerkt als een vervreemdingsvoordeel als bedoeld in artikel 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB. Voor dergelijke gevallen bepaalt artikel 24, derde lid. Wet IB uitdrukkelijk dat het regime van de inkomsten uit vermogen vóórgaat boven het aanmerkelijkbelangregime.5 Hoewel de achtergrond van deze uitsluiting van de renten van tot een aanmerkelijk belang behorende schuldvorderingen van het aanmerkelijkbelangregime ^- vanwege de aftrek van de renten van de winst van de vennootschap rust hierop geen voordruk vennootschapsbelasting ^- kan worden gebillijkt, leidt deze regeling wel tot ongewenste effecten als dit wordt vergeleken met de regeling van de aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen(zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.3.1). Deze effecten zijn des te merkwaardiger als wordt bedacht dat één van de redenen om schuldvorderingen tot het aanmerkelijk belang te rekenen was gelegen in het feit dat men het gewenst vond om elke vorm van vermogensverschaffing door een aanmerkelijkbelanghouder aan een vennootschap - eigen vermogen of vreemd vermogen - zoveel mogelijk op gelijke wijze in de belastingheffing te betrekken.6