Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/1.1
1.1 Introductie van het onderwerp
mr. dr. M.D.J. van der Wulp , datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291330:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
F. Annacondia, ‘Overview of General Turnover Taxes and Tax Rates - January 2020’, International VAT Monitor March/April 2020, p. 99-109.
Deze term ontleen ik aan: L. Ebrill e.a., The Modern VAT, Washington: International Monetary Fund 2001.
In het kader van dit onderzoek wordt met een vrijstelling steeds een vrijstelling zonder recht op aftrek bedoeld.
R. Millar, ‘VAT and Immovable Property: Full Taxation Models and the Treatment of Capital Gains on Owner-Occupied Residences’, in: R. de la Feria (ed.), VAT Exemptions. Consequences and Design Alternatives, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2013, p. 253.
Deze term ontleen ik aan: S. Cnossen, ‘VAT Treatment of Immovable Property’ in: V. Thuronyi (ed.), Tax Law Design and Drafting (volume 1), International Monetary Fund 1996, p. 237 en S. Cnossen, Three VAT Studies, Den Haag: CPB Netherlands Bureau for Economic Policy Analysis 2010, p. 76.
Deze term ontleen ik aan: S. Cnossen, ‘VAT Treatment of Immovable Property’ in: V. Thuronyi (ed.), Tax Law Design and Drafting (volume 1), International Monetary Fund 1996, p. 237 en S. Cnossen, Three VAT Studies, Den Haag: CPB Netherlands Bureau for Economic Policy Analysis 2010, p. 76.
Art. 135 lid 1, onderdelen j, k en l Btw-richtlijn.
Art. 135 lid 1, onderdelen j, k en l Btw-richtlijn, art. 135 lid 2 Btw-richtlijn en art. 137 lid 1, onderdelen b, c en d Btw-richtlijn.
Art. 12 lid 2, derde alinea Btw-richtlijn.
Op grond van art. 135 lid 2 Btw-richtlijn is dit toegestaan (HvJ EG 3 februari 2000, zaak C-12/98, ECLI:EU:C:2000:62 (M. Amengual Far/J. Amengual Far)).
Art. 137 lid 1, onderdelen b, c en d Btw-richtlijn.
R.F. van Brederode, ‘Theory and Practice of VAT Treatment of Real Estate’ in: R.F. van Brederode (ed.), Immovable Property under VAT: A Comparative Global Analysis, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2011, p. 10.
Zie bijv. D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 402-403, B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 83-84, S. Cnossen, ‘BTW en onroerend goed’, WFR 1995/399, S. Cnossen, ‘VAT Treatment of Immovable Property’ in: V. Thuronyi (ed.), Tax Law Design and Drafting (volume 1), International Monetary Fund 1996, p. 237, Arthur Andersen, Study on the application of Value Added Tax to the property sector, nr. XXI/96/CB-3021, p. 14, L. Ebrill e.a., The Modern VAT, Washington: International Monetary Fund 2001, p. 98-99, C. Amand, G. Schellman en R. Vermeulen, ‘Immovable Property and VAT Lessons from Past Experience’, International VAT Monitor September/October 2005, p. 325-334, S. Cnossen, Three VAT Studies, Den Haag: CPB Netherlands Bureau for Economic Policy Analysis 2010, p. 71-77, R.F. van Brederode, ‘Theory and Practice of VAT Treatment of Real Estate’ in: R.F. van Brederode (ed.), Immovable Property under VAT: A Comparative Global Analysis, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2011, p. 14, R. de la Feria en R. Krever, ‘Ending VAT Exemptions: Towards a Post-Modern VAT’ in: R. de la Feria (ed.), VAT Exemptions. Consequences and Design Alternatives, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2013, p. 25-28, S. Cnossen, ‘A Proposal to Improve the VAT Treatment of Housing in de European Union’ in: R. de la Feria (ed.), VAT Exemptions. Consequences and Design Alternatives, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2013, p. 244-246, R. Millar, ‘VAT and Immovable Property: Full Taxation Models and the Treatment of Capital Gains on Owner-Occupied Residences’, in: R. de la Feria (ed.), VAT Exemptions. Consequences and Design Alternatives, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2013, p. 304 en S. Cnossen, ‘Modernisering van de btw’ in: S. Cnossen en B. Jacobs (red.), Ontwerp voor een beter belastingstelsel, Amsterdam: ESB 2019, p. 260.
S. Poddar, ‘Treatment of Housing under VAT for the US’, Tax Law Review 2010/2, p. 469-470.
OECD, Consumption Tax Trends 2020 VAT/GST and excise rates, trends and policy issues, Parijs: OECD Publishing 2020, p. 88.
OECD, Consumption Tax Trends 2020 VAT/GST and excise rates, trends and policy issues, Parijs: OECD Publishing 2020, p. 45.
OECD, Consumption Tax Trends 2020 VAT/GST and excise rates, trends and policy issues, Parijs: OECD Publishing 2020, p. 45.
Groenboek over de toekomst van de btw van 1 december 2010, nr. COM(2010) 695 definitief, p. 11.
Groenboek over de toekomst van de btw van 1 december 2010, nr. COM(2010) 695 definitief, p. 12.
Wereldwijd kennen meer dan 170 landen een btw.1 Geen van die landen heeft ervoor gekozen om alle vastgoedtransacties in de btw-heffing te betrekken. Ook in landen met een zogenoemde ‘moderne btw’2 – een btw op grond waarvan een uniform btw-tarief wordt toegepast op de breedst mogelijke grondslag – gelden voor bepaalde vastgoedtransacties een vrijstelling3. Millar merkt hierover op: “At least some immovable property transactions continue to be treated as exempt under the most broad-based VAT-regimes.”4 In landen met een moderne btw, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, geldt niettemin als uitgangspunt dat vastgoedtransacties belast zijn (de zogenoemde ‘belastingmethode’5). In de EU is in de ’70 van de vorige eeuw daarentegen gekozen voor de ‘vrijstellingsmethode’6: de levering en verhuur van onroerend goed is in beginsel vrijgesteld.7 Op dit unierechtelijke uitgangspunt bestaan zowel imperatieve als facultatieve uitzonderingen.8 EU-lidstaten mogen op grond van die uitzonderingen alleen de ‘eerste’ levering van een (gedeelte van een) gebouw, de levering van een bouwterrein en de in art. 135 lid 2, onderdelen a tot en met d Btw-richtlijn genoemde verhuur van onroerend goed in de btw-heffing betrekken. Lidstaten kunnen echter ook kiezen voor een aanzienlijk beperktere vrijstellingsmethode die qua resultaat dicht aanschurkt tegen de belastingmethode in landen met een moderne btw, door ook bepaalde opvolgende leveringen van (gedeelten van) gebouwen te belasten9, de verhuur van onroerend goed in beginsel te belasten10 en belastingplichtigen het recht te verlenen om voor btw-heffing te kiezen voor (nagenoeg) alle resterende vrijgestelde vastgoedtransacties11. De mate waarin vastgoedtransacties in de btw-heffing worden betrokken kan binnen de EU dus aanzienlijk verschillen en verschilt ook aanzienlijk. Van Brederode merkt in dit verband op: “(…) it can be said that the rules among the EU are diverse if not simply chaotic.”12
Door zowel (fiscaal-)juristen als (fiscaal-)economen wordt in de (inter)nationale literatuur al decennialang kritiek geuit op het toepassen van de vrijstellingsmethode op vastgoedtransacties (in de Europese btw). Kern van die kritiek is dat voor de vrijstellingen voor de levering en/of verhuur van onroerend goed (in de Europese btw) geen (afdoende) rechtvaardiging bestaat, zij de fiscale neutraliteit verstoren en leiden tot een inbreuk op de logica en het functioneren van de btw.13 Ook de belastingmethode in landen met een moderne btw is echter niet onomstreden. Hoewel Poddar erkent dat het belasten van vastgoedtransacties met uitzondering van de levering van woningen na eerste ingebruikneming en de verhuur van woonruimte vanuit een puur technisch en systematisch oogpunt een redelijk compromis is, meent hij dat het belasten van alle vastgoedtransacties voor geavanceerde economieën een alternatief is dat serieus overweging verdient.14 Ook de OESO lijkt van mening te zijn dat vrijstellingen voor vastgoedtransacties gemist kunnen worden. Naar de mening van de OESO zijn de vrijstellingen voor de verhuur en levering van onroerend goed ‘common exemptions’, hetgeen wil zeggen dat de meeste landen die lid zijn van de OESO deze vrijstellingen kennen.15 Door de OESO wordt gesteld dat deze vrijstellingen hun wortels hebben in de traditie.16 Het ‘standaardadvies’ van de OESO is om bij het ontwerpen van een btw de lijst met vrijstellingen zo kort mogelijk te houden en deze te beperken tot de gezondheidszorg, het onderwijs en eventueel de financiële activiteiten.17 Op deze ‘shortlist’ van vrijstellingen ontbreken derhalve de (in de OESO-landen gebruikelijke) vrijstellingen voor de levering en verhuur van onroerend goed.
In december 2010 heeft de Europese Commissie in het Groenboek over de toekomst van de btw opgemerkt dat bij vele van de bestaande vrijstellingen in de Europese btw het de vraag is of zij nog altijd relevant zijn. Een verbreding van de belastinggrondslag door een beperking van het aantal vrijstellingen zorgt er volgens de Europese Commissie voor dat de Europese btw efficiënter en neutraler wordt.18 Naar de mening van de Europese Commissie moeten de bestaande vrijstellingen worden herzien. Zij heeft aan stakeholders de vraag gesteld welke van de huidige vrijstellingen mogen worden afgeschaft en of er vrijstellingen zijn die moeten worden behouden en, zo ja, waarom.19 Het voorgaande betekent dat de vraag op tafel ligt of de bestaande vrijstellingen voor vastgoedtransacties in de Europese btw afgeschaft, beperkt of behouden moeten worden en, zo ja, waarom. Die vraag is onverminderd actueel, omdat door de Europese Commissie en de lidstaten prioriteit is gegeven aan het eerste punt van het groenboek: de btw-behandeling van grensoverschrijdende transacties op de interne markt. De herbezinning op de bestaande vrijstellingen voor vastgoedtransacties in de Europese btw moet derhalve nog plaatsvinden. Met dit onderzoek wil ik aan die herbezinning een bijdrage leveren door na te gaan of en, zo ja, in hoeverre de bestaande vrijstellingen voor vastgoedtransacties in de Europese btw wenselijk zijn. In het laatste hoofdstuk wordt daartoe een overzicht gegeven van de knelpunten met betrekking tot deze vrijstellingen en worden aanbevelingen gedaan voor wenselijker alternatieven.