Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.6.3
4.6.3 Opvolgende verdeling bij de translatieve werking van de verdeling
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948080:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. paragraaf 4.3.2 hiervóór.
Zie paragraaf 4.4.1 hiervóór.
Vgl. paragraaf 4.4.2.2 hiervóór.
Zie paragraaf 4.4.2.1 hiervóór.
Zie paragraaf 4.4.2.2 hiervóór.
Zie paragraaf 4.2.1 van hoofdstuk 6.
In die zin waarschijnlijk R.E. Brinkman e.a., ‘Zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7198, p. 474 en Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 157-158.
Zie paragraaf 3.2 van hoofdstuk 7.
Vgl. de situatie die kan ontstaan in geval van de gemeenschappelijke verkrijging van een goed door de echtgenoten zelf in de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap. Zie daarover paragraaf 3.4 hiervóór, en dan met name randnummer 456.
Zie paragraaf 3.4 hiervóór.
Zie paragraaf 4.5.1 en 4.5.3 hiervóór.
498. Gaat men uit van de translatieve werking van de verdeling, dan geldt ook bij een opvolgende verdeling als uitgangspunt dat iedereverdeling als een volledig zelfstandige verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’ kwalificeert.1 Dat geldt niet alleen voor de eerste verdeling, maar ook voor iedere verdeling die daarop volgt. In de translatieve opvatting over de werking van de verdeling is het voor de titel van de verkrijging dus überhaupt niet relevant of de opvolgende verdeling nog als een verdeling van de oorspronkelijke nalatenschap kwalificeert. In alle gevallen leidt de verkrijging krachtens verdeling tot een verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’. Voor de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen van de erfgenamen heeft dit tot gevolg dat bij iedere verdeling de aldus verkregen goederen onder de reikwijdte van boedelmenging vallen. Dat geldt zowel als de verkrijger in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd, als wanneer sprake is van een beperkte wettelijke gemeenschap van goederen (behoudens een door erflater of schenker gemaakte uitsluitingsclausule, zie randnummer 500 hierna). Omdat de door verdeling verkregen goederen in beginsel onder de reikwijdte van boedelmenging vallen, moet vervolgens worden getoetst of zij niet alsnog op grond van artikel 1:95 lid 1 BW van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd.2 Die toets moet bij iedere afzonderlijke verdeling worden uitgevoerd. Iedere verdeling kwalificeert immers als een afzonderlijke verkrijging, zodat na iedere verdeling niet alleen aan boedelmenging, maar ook aan artikel 1:95 lid 1 BW getoetst moet worden. Daarbij zullen de door verdeling verkregen goederen eerder buiten de huwelijksgemeenschap vallen wanneer zij bij de voorgaande verdeling óók buiten de huwelijksgemeenschap zijn gebleven. In dat geval kwalificeert de gerechtigdheid tot de waarde van de goederen vóór de verdeling immers als ‘eigen vermogen’ in de zin van artikel 1:95 lid 1 BW.3 Aldus zal eerder zijn voldaan aan het criterium dat de tegenprestatie voor de verkrijging voor meer dan de helft ten laste van het ‘eigen vermogen’ van een echtgenoot is gekomen. Zijn er in het kader van een eerdere verdeling op grond van artikel 1:95 lid 1, tweede zin, of artikel 1:95 lid 2 BW vergoedingsrechten ontstaan, dan blijven deze bij een daaropvolgende verkrijging krachtens verdeling onverminderd intact. Deze vergoedingsrechten kwalificeren immers als zelfstandige goederen, en gaan bij een volgende verdeling dus niet zo maar teniet. Zij spelen daarmee óók geen rol bij de vraag of bij een volgende verdeling aan de vereisten van artikel 1:95 lid 1 BW is voldaan. Dit alles kan met het volgende voorbeeld worden geconcretiseerd.
Voorbeeld
A, B en C zijn ieder in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd en hebben uit de nalatenschap van X voor gelijke aandelen een woning verkregen. Op enig moment gaan A, B en C over tot verdeling van de woning, waarbij C wordt ‘uitgeboedeld’, en A en B ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning worden. De woning was op dat moment € 300.000 waard, zodat A en B aan C ieder een bedrag van € 50.000 aan C moesten voldoen. A voldeed zijn deel van de overbedelingsuitkering ten laste van middelen van de huwelijksgemeenschap. B betaalde zijn deel van de overbedelingsuitkering met gelden onder hypothecair verband geleend. Enige tijd later gaan ook A en B over tot verdeling. De woning is op dat moment € 400.000 waard en wordt aan A toegedeeld. A betaalt de door hem aan B verschuldigde overbedelingsuitkering van € 200.000 ditmaal volledig middels onder hypothecair verband geleende gelden.
A, B en C hebben de woning ieder krachtens erfrecht van X verkregen. Daardoor zal (ieders ‘aandeel in’) de woning in eerste instantie op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW buiten ieders beperkte huwelijksgemeenschap vallen. Vervolgens wordt de woning door A en B krachtens verdeling (her)verkregen. Dat is een verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’. Dat betekent dat de verkrijging van de woning in beginsel onder de werking van boedelmenging valt. Vervolgens is de vraag of de woning toch niet op grond van artikel 1:95 lid 1 BW van de werking van boedelmenging is uitgesloten. Dat is het geval, zowel bij A als bij B. De totale tegenprestatie voor de verkrijging van de woning bedroeg voor A en B immers voor ieder afzonderlijk € 150.000.4 Omdat ieders aandeel in de gerechtigdheid tot de waarde van de woning vóór de verdeling buiten de huwelijksgemeenschap viel, kwalificeert die gerechtigdheid bij zowel A als B als ‘eigen vermogen’ in de zin van artikel 1:95 lid 1 BW.5 Aldus is bij zowel A als B van de totaal verschuldigde tegenprestatie een bedrag van € 100.000 ten laste van het eigen vermogen gekomen. Dat is voor ieder van hen meer dan de helft van de totaal verschuldigde tegenprestatie, en dus valt de woning ook na de verdeling bij ieder van hen buiten de huwelijksgemeenschap waarin zij zijn gehuwd. Omdat bij A een deel van de tegenprestatie voor de verkrijging van de woning ten laste van het vermogen van de huwelijksgemeenschap is gekomen, heeft ‘zijn’ huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:95 lid 1, tweede zin, BW wel een vergoedingsvordering op hem verkregen. B heeft een deel van de verschuldigde tegenprestatie ten laste van geleende middelen voldaan. Omdat de woning op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen, valt op grond van artikel 1:94 lid 7 sub a BW ook de hypothecaire geldlening buiten de huwelijksgemeenschap waarin B is gehuwd.6 Bij de tweede verdeling wordt de woning aan echtgenoot A toegedeeld. Wederom is dat een verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’. Aldus valt de woning in beginsel onder de reikwijdte van boedelmenging. Vervolgens moet ook hier worden getoetst of de woning niet alsnog op grond van artikel 1:95 lid 1 BW van de werking van boedelmenging is uitgezonderd. Daartoe is van belang dat de totale tegenprestatie voor de verkrijging van de woning bij de tweede verdeling € 400.000 bedroeg. Echtgenoot A was vóór de verdeling reeds voor een bedrag van € 200.000 gerechtigd tot de waarde van de woning. Deze gerechtigdheid viel na de eerste verdeling buiten de huwelijksgemeenschap en kwalificeert dus als ‘eigen vermogen’ in de zin van artikel 1:95 lid 1 BW. Het andere deel van de totale tegenprestatie heeft A voldaan ten laste van geleende gelden. Aldus is bij de verkrijging niet meer dan de helft van de tegenprestatie ten laste van zijn eigen vermogen gekomen. Daardoor gaat de woning na de tweede verdeling wél tot de huwelijksgemeenschap behoren. Datzelfde geldt voor de hypothecaire geldlening. Deze valt op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 7 BW in de huwelijksgemeenschap. Omdat de gerechtigdheid tot de waarde van de woning van A vóór de verdeling tot diens privévermogen behoorde, heeft A bij de tweede verdeling op grond van artikel 1:95 lid 2 BW wel een vergoedingsvordering op de huwelijksgemeenschap verkregen. De vergoedingsvordering die de huwelijksgemeenschap in het kader van de eerste verdeling op A heeft verkregen, is onverminderd in stand gebleven. Zij zouden wel tot hun gemeenschappelijk beloop verrekend kunnen worden (artikel 6:127 BW). Zou de woning bij de tweede verdeling aan B zijn toegedeeld en zou hij daarbij de overbedelingsuitkering van € 200.000 ook met geleende gelden hebben gefinancierd, dan zou de geldlening die hij bij de eerste verdeling is aangegaan onverminderd tot diens privévermogen blijven behoren en zou de tweede geldlening op grond van artikel 1:94 lid 7 BW tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren. Ook B zou in dat geval bij de tweede verdeling op grond van artikel 1:95 lid 2 BW een vergoedingsvordering op de huwelijksgemeenschap verkrijgen, omdat zijn aandeel in de gerechtigdheid tot de waarde van de woning vóór de tweede verdeling tot zijn eigen vermogen behoorde.
499. Dat vergoedingsrechten die bij de eerdere verdeling zijn ontstaan bij de daaropvolgende verdeling(en) geen invloed op de uitkomst van artikel 1:95 lid 1 BW hebben, wordt nog duidelijker wanneer het hiervoor gegeven voorbeeld wat wordt aangepast, in die zin dat (i) A en B nu in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd, (ii) X aan de verkrijging krachtens erfrecht geen uitsluitingsclausule heeft verbonden, en (iii) A bij de eerste verdeling de door hem verschuldigde overbedelingsuitkering van € 50.000 volledig ten laste van zijn eigen vermogen voldoet. In dat geval valt (het ‘aandeel in’) de woning van A na de eerste verdeling in diens huwelijksgemeenschap (en bij B ook, als ten aanzien van hem de feiten verder niet veranderen). Wel verkrijgt A in dat geval op grond van artikel 1:95 lid 2 BW een vergoedingsvordering op zijn huwelijksgemeenschap. Hij heeft immers een deel van de door hem totaal verschuldigde tegenprestatie (maar niet meer dan de helft) ten laste van zijn eigen vermogen voldaan. Als de waarde van de woning bij de daaropvolgende verdeling tussen A en B € 400.000 bedraagt, en A de door hem aan B verschuldigde overbedelingsuitkering volledig ten laste van zijn eigen vermogen voldoet, blijft de woning ook na die tweede verdeling tot diens huwelijksgemeenschap behoren. De totaal verschuldigde tegenprestatie voor de verkrijging van de woning bedroeg bij de tweede verdeling immers € 400.000, waarvan A een deel ter grootte van € 200.000 ten laste van zijn eigen vermogen heeft voldaan. Dat is niet meer dan de helft, en dus valt de woning na de tweede verdeling wederom in diens huwelijksgemeenschap. Daarbij dient het vergoedingsrecht dat A bij de eerste verdeling heeft verkregen volledig buiten beschouwing te blijven. De gedachte zou kunnen postvatten dat dit vergoedingsrecht bij de tweede verdeling als ‘eigen vermogen’ in de zin van artikel 1:95 lid 1 BW mee zou mogen worden genomen, in welk geval van de totale tegenprestatie wél meer dan de helft ten laste van het eigen vermogen van A zou zijn gekomen.7 Naar mijn mening zou daar echter mee worden miskend dat de vergoedingsvordering die bij de eerste verdeling is ontstaan een afzonderlijk goed is, waarvan de enig eigendomspositie bij de tweede verdeling niet door boedelmenging dreigt te worden aangetast. Juist dat dreigende tenietgaan is reden om middels artikel 1:95 lid 1 BW in de werking van boedelmenging in te grijpen, waarbij het goed waarvan de enig eigendomspositie teniet dreigt te gaan als ‘eigen vermogen’ in de zin van artikel 1:95 lid 1 BW kwalificeert.8 Het vergoedingsrecht dreigt bij de tweede verdeling echter helemaal niet teniet te gaan. Het object van de verdeling is slechts het gemeenschappelijke goed, niet het vergoedingsrecht dat bij de eerste verdeling is ontstaan. Aldus speelt dit vergoedingsrecht bij de opvolgende verdeling voor de toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW in het geheel geen rol. Het eerder ontstane vergoedingsrecht blijft als afzonderlijke vordering intact, en bij beantwoording van de vraag of bij de opvolgende verdeling aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW is voldaan, kwalificeert het vergoedingsrecht niet als ‘eigen vermogen’ in de zin van dat artikel.
500. Uit de eerste variant van het hiervoor in randnummer 498 gegeven voorbeeld volgt ten slotte óók dat hetzelfde goed (ook) bij een opvolgende verdeling bij de ene verdeling buiten de huwelijksgemeenschap kan vallen en bij de daaropvolgende verdeling toch weer tot de huwelijksgemeenschap kan gaan behoren. Ook hier kan men zich afvragen of dat in strijd komt met het verbod op ‘vliegend onroerend goed’, maar ook hier is dat niet het geval.9 Hiervóór is immers al uiteengezet dat het verbod op vliegend onroerend goed niet zover gaat dat een goed dat eenmaal tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren die gemeenschap nooit meer zou kunnen verlaten. Het verbod op vliegend onroerend goed heeft slechts de strekking dat het resultaat van dezelfde(!) verkrijging later niet meer kan veranderen.10 Is sprake van een nieuwe verkrijging, dan dient opnieuw aan boedelmenging getoetst te worden. Het resultaat van die toets kan dan zijn dat het aldus verkregen goed alsnog van de huwelijksgemeenschap is uitgezonderd, of daar alsnog toe gaat behoren. Omdat bij een opvolgende verdeling iedere verdeling als een nieuwe verkrijging kwalificeert, moet bij iedere verdeling opnieuw aan boedelmenging worden getoetst, en kan een eerder uitgesloten goed dus alsnog tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren of vice versa. Wil een erflater voorkomen dat een door hem nagelaten goed op enig moment toch tot de huwelijksgemeenschap van een van de erfgenamen gaat behoren, dan zal hij ook hier aan die verkrijging een uitsluitingsclausule moeten verbinden. De ‘goederenrechtelijke werking’ van de uitsluitingsclausule zorgt er dan voor dat deze bij iedere verkrijging krachtens verdeling doorwerkt, ook al kwalificeert die verkrijging als een verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’, en is van een verdeling van de oorspronkelijke nalatenschap geen sprake meer.11