Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3815.
Rb. Den Haag, 12-05-2021, nr. AWB - 20 , 4623
ECLI:NL:RBDHA:2021:5009, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
12-05-2021
- Zaaknummer
AWB - 20 _ 4623
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2021:5009, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 12‑05‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2022:1070, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:RBDHA:2021:4318, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 22‑04‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
JV 2021/130
Uitspraak 12‑05‑2021
Inhoudsindicatie
bodemprocedure. Wet op de rechtsbijstand,toevoeging, advocaat staat niet ingeschreven op het vereiste rechtsgebied
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/4623
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2020 heeft verweerder een aanvraag voor een toevoeging aan eiser afgewezen.
Bij besluit van 1 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 7 april 2021 via een Skypeverbinding. Eiser was daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over ?
1. Eiser is gescheiden. Hij beschikt over een vonnis waarin een omgangsregeling met zijn dochter is vastgesteld. Omdat zijn ex-vrouw de regeling niet nakomt, zijn dwangsommen vastgesteld. Eiser wil deze dwangsommen executeren. Hiervoor heeft hij een advocaat ingeschakeld. De advocaat heeft vervolgens een toevoeging aangevraagd.
2 Verweerder vindt dat eiser niet in aanmerking komt voor een toevoeging. De advocaat van eiser staat op het vereiste rechtsgebied namelijk niet ingeschreven bij de Raad voor rechtsbijstand (Raad).
Wat vinden partijen in beroep ?
3 Volgens eiser handelt verweerder in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door hem het recht op toegang tot de rechter te ontzeggen. Eiser verwijst voor dit standpunt naar literatuur en arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Tijdens de zitting heeft eiser gezegd dat verweerder van een verkeerde zaakscode is uitgegaan. De procedure waarvoor de toevoeging is aangevraagd, gaat namelijk alleen over het executeren van dwangsommen en heeft niets te maken met het personen- en familierecht.
4 Verweerder heeft op het beroep gereageerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank ?
5 Op grond van artikel 1 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) wordt onder rechtsbijstand verstaan: ‘de rechtskundige bijstand ten behoeve van het rechtsbelang van de rechtzoekende’. Ook volgens de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter moet bij toepassing van de Wrb niet van de rechtsvraag worden uitgegaan, maar van het rechtsbelang waarop de aanvraag om toevoeging betrekking heeft.1.Dit betekent dat ook naar de oorsprong van het geschil moet worden gekeken. Het gaat in deze zaak weliswaar om een executiegeschil, maar dit geschil hangt nauw samen met de omgangsregeling. De executie van de dwangsommen vloeit immers direct voort uit - en ligt in het verlengde van - de procedure over de omgangsregeling. De beroepsgrond van eiser dat het alleen om een executiegeschil gaat, slaagt dus niet.
6 Voor zaken over een omgangsregeling geldt dat een advocaat met de specialisatie personen- en familierecht bij de Raad moet zijn ingeschreven. Als de advocaat niet als zodanig is ingeschreven, wordt de aanvraag afgewezen. De inschrijvingsvoorwaarden zijn algemeen verbindende voorschriften. Verweerder is daaraan gehouden. Niet in geschil is dat de advocaat op wiens naam de toevoeging is aangevraagd, niet bij de Raad is ingeschreven met de vereiste specialisatie. De toevoeging is dan ook terecht geweigerd.
7 De beroepsgrond dat de afwijzing van de toevoeging in strijd is met artikel 6 van het EVRM slaagt niet. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, kan eiser gebruikmaken van andere advocaten die wel staan ingeschreven met de specialisatie Personen- en Familierecht. Het recht van eiser op toegang tot de rechter is dus niet in de kern aangetast. De literatuur en de arresten waar eiser naar heeft verwezen, kunnen hem niet baten. Die gaan immers over griffierecht en daar is eiser in deze toevoegingsprocedure van vrijgesteld.
8 De rechtbank gaat voorbij aan de opmerking van eiser ter zitting dat hij vorig jaar een identieke zaak bij de Hoge Raad gewonnen heeft waarvoor wel een toevoeging was afgegeven. Eiser heeft hierover zelf verklaard dat die zaak een kwestie betrof met een pleegzorginstelling. Van een vergelijkbaar geval is dus geen sprake.
Conclusies
9 Het beroep is ongegrond. Nu de besluiten van verweerder rechtmatig zijn, gaat de rechtbank niet mee in het verzoek van eiser op de zitting om een redelijk uurtarief voor verletkosten vast te stellen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Dit is de uitspraak van mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak ?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑05‑2021
Uitspraak 22‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Intrekking verblijfsvergunning, verblijf als familie-of gezinslid, verweerder heeft zich op grond van de beschikbare informatie niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser en referent geen duurzame, exclusieve relatie hebben, beroep is gegrond.
Partij(en)
Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/4623
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2021 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: C. Brand).
Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2019 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht, te weten per 18 februari 2017. Het gaat om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder de beperking ‘verblijf als familie- en gezinslid bij partner [partner] ’. Dit besluit omvat tevens een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaren.
Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 26 mei 2020 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Op 8 juni 2020 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 29 januari 2021. Eiser is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1992 en heeft de Indonesische nationaliteit. Hij heeft vanaf 18 februari 2017 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De beperking van de verblijfsvergunning is ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [partner] ’. De heer [partner] zal hierna worden aangeduid als ‘referent’.
In het kader van een mvv-aanvraag van 18 februari 2019 van de huisgenoot van eiser, de heer [A] voor zijn gestelde partner de heer [B] , is nader onderzoek gedaan naar deze gestelde relatie. De politie in Den Haag heeft een adrescontrole uitgevoerd op het woonadres van eiser: [adres] [huisnummer 1] in [plaats] . Naar aanleiding van deze adrescontrole zijn vier processen-verbaal opgesteld:
- -
PV d.d. 31 mei 2019, betreffende het gehoor van referent
- -
PV d.d. 5 juni 2019, betreffende het gehoor van eiser
- -
PV d.d. 13 juni 2019, betreffende het gehoor van de buurman van [adres] [huisnummer 2]
- -
PV d.d. 26 juni 2019, betreffende het gehoor van eiser, referent en [A] samen.
2. Op 18 september 2019 is door verweerder een voornemen gestuurd waarin wordt uitgelegd dat hij van plan is om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken. Eiser heeft vervolgens op 2 oktober 2019 een zienswijze hiertegen ingediend. Op 12 november 2019 zijn zowel eiser als referent door verweerder gehoord. Bij besluit van 27 november 2019 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken. Hiertegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 26 april 2020 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder stelt dat uit de hierboven genoemde processen-verbaal bijzonderheden en tegenstrijdigheden naar voren komen. Daarnaast vindt verweerder het vreemd dat iedereen in de omgeving denkt dat referent en [A] een relatie hebben, maar dat eiser en referent niet open zijn over hun relatie naar de buitenwereld toe. Voorts is gebleken uit informatie van de Belastingdienst dat referent en [A] fiscale partners zijn, dat zij twee gezamenlijke bankrekeningen hebben, dat zij samen de woning aan de[adres] [huisnummer 1] hebben gekocht in 1975 en dat zij samen twee hypotheken hierop hebben afgesloten. Uit deze informatie van de Belastingdienst en de tegenstrijdigheden uit de genoemde PV’s concludeert verweerder dat de relatie tussen eiser en referent geen duurzame, exclusieve relatie is en dat er ook nooit sprake is geweest van een dergelijke relatie tussen eiser en referent. Verweerder stelt dan ook dat er bij het indienen van de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt (intrekkingsgrond artikel 19 in samenhang met artikel 18, eerste lid, sub c, van de Vreemdelingenwet 2000). Indien bij het indienen van de aanvraag bekend was geweest dat geen sprake was van een duurzame, exclusieve relatie tussen eiser en referent zou nooit de verblijfsvergunning zijn verleend. Na de zienswijze en het horen van eiser en referent blijft verweerder bij hetgeen in het voornemen en in het primaire besluit is gesteld. Ook heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is het niet eens met het besluit en voert in beroep – samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de voorwaarden van intrekking is voldaan. De intrekking is uitsluitend gebaseerd op subjectieve feiten, gebaseerd op gesprekken met eiser en andere betrokkenen. Het huisbezoek heeft echter juist aangetoond dat sprake is van een relatie tussen eiser en referent. Eiser heeft in beroep een eigen verslag overgelegd naar aanleiding van het huisbezoek. Hieruit blijkt overduidelijk van stereotype denkbeelden en ideeën bij de ambtenaren van de politie. Daarnaast stelt eiser dat het opgestarte onderzoek onrechtmatig is in verband met het ontbreken van enige grondslag. Verder meent eiser dat door de vreemdelingenpolitie gevoelige informatie zou zijn gedeeld met de buurman, namelijk de onthulling van de homoseksuele relatie tussen eiser en referent. Tot slot stelt eiser dat hij ten onrechte niet is in gehoord in de bezwaarfase en dat het inreisverbod in strijd is met zijn privéleven.
Het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank zal eerst ingaan op het beoordelingskader. Daarna zal de rechtbank de wijze waarop verweerder onderzoek heeft gedaan bespreken. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie onder meer ten grondslag gelegd dat eiser en referent niet open zijn geweest naar de buitenwereld over hun relatie en dat referent en de heer [A] fiscaal partner zijn. Daar zal de rechtbank vervolgens op ingaan.
Het beoordelingskader
6. Ingevolge artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan - voor zover hier van belang - de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b.
6.2
In paragraaf B7/3.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is bepaald dat de IND aanneemt dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie als de relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. De IND wijst de aanvraag in ieder geval af als aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie. Een schijnrelatie is een relatie die is aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over verblijfsrecht in Nederland beschikt alsnog verblijfsrecht te verschaffen.
6.3
De rechtbank stelt voorop dat de intrekking van de verblijfsvergunning een belastend besluit is, zodat het in beginsel aan verweerder is om aannemelijk te maken dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c en f, van de Vw.
De wijze waarop onderzoek is gedaan
7. Eiser en referent voelen zich onheus behandeld door de wijze waarop verweerder onderzoek heeft gedaan. Zij vinden dat verweerder uitsluitend bezig is geweest met het zoeken naar bevestiging voor het standpunt dat zij een schijnrelatie althans geen exclusieve en duurzame relatie hebben. Bij de ambtenaren was van meet af aan het uitgangspunt ‘het is maar een rare situatie’. Eiser en referent hebben zich vanaf het begin beschuldigd gevoeld en zijn erg nerveus geweest bij de huisbezoeken en de gehoren, ongeacht het feit dat zij niets te verbergen hadden.
7.1
De rechtbank stelt voorop dat verweerder niet ten onrechte aanleiding heeft gezien om nader onderzoek te doen. Dat hij daarbij heeft gekozen voor het laten doen van adresbezoeken en vragen aan een buurtgenoot, acht de rechtbank niet onrechtmatig. De rechtbank snapt echter wel dat de huisbezoeken en de opmerkingen van verbalisanten over dat het een rare situatie is, onprettig waren. Het maakt het bestreden besluit echter niet onrechtmatig. Voor zover eiser vindt dat het onderzoek inhoudelijk onzorgvuldig is geweest omdat is gekeken met een te beperkte blik, komt dat hierna aan de orde.
Is sprake van een duurzame en exclusieve relatie?
8. Het standpunt van verweerder dat eiser en referent geen duurzame en exclusieve relatie hebben, is gebaseerd op de verklaringen van eiser, referent, de heer [A] en de buurman van huisnummer [huisnummer 2] . Ook heeft verweerder zijn besluit gebaseerd op de huisbezoeken en informatie van de belastingdienst.
8.1
Eiser vindt dat het onderzoek door verweerder onzorgvuldig en vooringenomen is geweest. Hij meent dat vooral gezocht is naar bevestiging van het standpunt dat hij en referent geen duurzame en exclusieve relatie hebben. Uit de processen-verbaal van bevindingen blijkt dat hij en referent al geruime tijd samenwonen, dat er overal spullen liggen van hem en referent en dat zij samen in één bed slapen.
8.2
De rechtbank ontleent aan de processen-verbaal het volgende. Tijdens de huisbezoeken waren zowel eiser als referent aanwezig. Uit het proces-verbaal van 31 mei 2019 valt voorts op te maken dat eiser en referent samenwonen en dat zij samen slapen in de hoofdslaapkamer. In het proces-verbaal staat: “Via de woonkamer komt men in de hoofdslaapkamer. Hierin stond een tweepersoonsbed. In deze kamer stond een grote kledingkast me kleding van [partner] , [A] en [eiser] . De linkerkant van het bed werd duidelijk beslapen door [partner] . […] De rechterzijde zou mogelijk te beslapen kunnen worden door zowel [A] als [eiser] . Op het nachtkastje van deze zijde stond een creme op naam van [eiser] .” In het proces-verbaal van 5 juni 2019 waarin eiser door de vreemdelingenpolitie wordt ondervraagd staat het volgende vermeld:
Vraag: Waar slaapt u?
Antwoord: Ik slaap in de slaapkamer met [partner]
Noot verbalisant: [eiser] toont de slaapkamer met tweepersoonsbed. [eiser] laat zien dat hij aan de rechterzijde van het bed slaapt. Aldaar ligt ook de medicatie van betrokkene [eiser] .
A: En hier ligt [partner] .
8.3
Gelet op de observaties, de verklaringen die eiser, referent en de heer [A] hebben afgelegd, en de op de verweerder rustende bewijslast, kon verweerder in dit geval niet volstaan met de overweging dat deze observaties en verklaringen niet de relatie tussen eiser en referent onderschrijven.
Openheid van de relatie
9. Dat eiser en referent niet open zijn over hun relatie is volgens verweerder een belangrijk aspect in de vaststelling of sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Verweerder vindt het vreemd dat iedereen in de omgeving denkt dat referent en de heer [A] een relatie hebben. Verweerder merkt hierbij op dat het feit dat partners naar de buitenwereld open zijn over hun relatie als een belangrijke voorwaarde kan worden gezien van een relatie die op één lijn is te stellen met een huwelijk. Een belangrijk aspect van een huwelijk is volgens verweerder dat het met het sluiten van een huwelijk aan de buitenwereld ook kenbaar maakt dat je een relatie hebt met elkaar. Het feit dat eiser en referent niet open zijn over hun relatie is dan ook een belangrijke reden voor verweerder om géén exclusieve en duurzame relatie aan te nemen.
9.1
Eiser en referent hebben hierover verklaard dat het naar buiten brengen van hun relatie alles op zijn kop zou zetten. Bovendien is sprake van een homoseksuele relatie en in Indonesië zou dit niet worden geaccepteerd. Referent heeft meerdere keren uitgebreid verklaard over hoe zijn relatie met de heer [A] is gelopen en hoe deze nu is. Ook heeft hij uitgebreid verklaard over zijn relatie met eiser. De rechtbank vindt de uitleg van eiser en referent niet op voorhand onaannemelijk. Gelet op de leeftijden en (religieuze) achtergronden van eiser en referent is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat deze verklaringen ongeloofwaardig zijn. Verweerder is te makkelijk voorbij gegaan aan de verklaringen van eiser en referent, gelet op de zware bewijslast die op hem rust.
Conclusie
10. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft verweerder zich op grond van de beschikbare informatie niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser en referent geen duurzame en exclusieve relatie hebben. Daarnaast acht de rechtbank de meeste van de door verweerder genoemde bijzonderheden niet bijzonder dan wel ongeloofwaardig. Ook heeft verweerder de verklaringen van referent over de reden van zijn geslotenheid over zijn relatie met eiser onvoldoende in zijn motivering betrokken. Reeds gezien het gebrek in een zo substantieel deel van de motivering, dient verweerder zich opnieuw te beraden en te motiveren of hij vindt dat de relatie van eiser en referent niet duurzaam en exclusief is (en zo ja of dat dan van meet af aan het geval was). Verweerder dient daarbij tevens te betrekken dat eiser en referent bij de aanvankelijke aanvraag van eiser het samenwonen van referent en de heer [A] hebben gemeld; voorts dat referent andere huisvesting wil overwegen. Verweerder dient eiser en referent daartoe te horen in bezwaar.
Het bestreden besluit houdt geen stand; het is niet zorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd.
11. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 534,--, en een wegingsfactor 1).
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
- -
het beroep gegrond;
- -
vernietigt het bestreden besluit;
- -
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- -
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- eiser te vergoeden;
- -
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1068,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S.J. van Kooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2021.
griffier
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.