AB 2015/134
Redelijke termijn. Bij beëindiging van subsidiëring jeugdzorg geldt eis van grootst mogelijke zorgvuldigheid.
RvS 08-10-2014, ECLI:NL:RVS:2014:3649, m.nt. W. den Ouden
- Instantie
Raad van State
- Datum
8 oktober 2014
- Magistraten
Mrs. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, A. Hammerstein, C.M. Wissels
- Zaaknummer
201402174/1/A2
- Noot
W. den Ouden
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS920518:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursrecht algemeen / Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2014:3649, Uitspraak, Raad van State, 08‑10‑2014
- Wetingang
Art. 4:51 Awb
Essentie
Doelstelling redelijke termijn. Stelselherziening in de jeugdzorg is geen beleidskeuze van het college. Beëindiging van de subsidierelatie ligt buiten de macht van het college. In die situatie vergt het in art. 4:51 lid 1 van de Awb bepaalde niet meer van het college dan dat het de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht.
Samenvatting
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb ertoe de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de gehele of gedeeltelijke beëindiging van de subsidierelatie ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.