FED 2025/101
In de gronden waarop het Hof de afwijzing van de vergoeding van de kosten van de deskundige heeft gebaseerd, ligt als rechtsopvatting van het Hof besloten dat de kosten van een deskundige niet voor vergoeding in aanmerking komen indien de deskundige niet heeft bijgedragen aan de beslissing (gegrondbevinding van het (hoger) beroep) van de rechter. Die rechtsopvatting is onjuist, evenals de opvatting van het Hof dat de rechter bevoegd is het optreden van een deskundige ter zitting aan te merken als optreden tot bijstand van de gemachtigde en niet als optreden als deskundige. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:60, lid 4, Awb aan de Rechtbank mededeling heeft gedaan van de door haar naar de zitting mee te brengen deskundige. Anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, staat die omstandigheid echter niet eraan in de weg dat de kosten van een door die belanghebbende onaangekondigd naar de zitting meegebrachte deskundige op de voet van artikel 1, letter b, Besluit niettemin voor vergoeding in aanmerking kunnen komen wanneer die deskundige ter zitting is gehoord. Ook in zoverre geven ook de oordelen van de Rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft – in cassatie niet bestreden – geoordeeld dat de Rechtbank tijdens het onderzoek ter zitting de deskundige niet heeft gehoord. Het Hof heeft daarom terecht geen aanleiding gezien voor het toekennen van een vergoeding van de kosten voor de aanwezigheid van de deskundige ter zitting van de Rechtbank.
HR 26-09-2025, ECLI:NL:HR:2025:1407, m.nt. mr. dr. P. van der Wal
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26 september 2025
- Magistraten
Mrs. van Hilten, Punt, Fierstra
- Zaaknummer
23/03789
- Noot
mr. dr. P. van der Wal
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD33673:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Proceskostenvergoeding
- Brondocumenten
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑09‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1407, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑09‑2025
- Wetingang
Essentie
In de gronden waarop het Hof de afwijzing van de vergoeding van de kosten van de deskundige heeft gebaseerd, ligt als rechtsopvatting van het Hof besloten dat de kosten van een deskundige niet voor vergoeding in aanmerking komen indien de deskundige niet heeft bijgedragen aan de beslissing (gegrondbevinding van het (hoger) beroep) van de rechter. Die rechtsopvatting is onjuist, evenals de opvatting van het Hof dat de rechter bevoegd is het optreden van een deskundige ter zitting aan te merken als optreden tot bijstand van de gemachtigde en niet als optreden als deskundige. De stukken van het geding laten ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.