Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.1.1
IV.1.1 Onderzoeksvragen
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460372:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (concl. A-G Wesseling-van Gent), NJ 2015/21, m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/296, m.nt. Kroeze (Hezemans Air), r.o. 3.5.2 en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.2.
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (concl. A-G Wesseling-van Gent), NJ 2015/21, m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/296, m.nt. Kroeze (Hezemans Air), r.o. 3.5.4 en 3.5.5. Zie par. IV.2.8.
HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659; Ondernemingsrecht 2007/36, m.nt. Wezeman (Ontvanger/Roelofsen). Overigens bestaan er verschillende rechtshistorische opvattingen over de vraag sinds wanneer deze uitzonderingspositie voor bestuurders in het onrechtmatige daadsrecht geldt, waarover meer in par. IV.2.3.
Onder meer Timmerman, Olden, Hammerstein en Assink hebben in de literatuur een lans gebroken voor de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf. Zie bijvoorbeeld Timmerman 2016b, p. 324-330; Olden 2015; Hammerstein 2021; Assink 2018, p. 502-512. Zie voorts Van Bekkum 2017, par. 6; Brack 2020; Hammerstein 2021. In de grote naslagwerken wordt de ernstig verwijt-doctrine ook gevolgd, zie bijvoorbeeld Asser/Sieburgh 6-IV 2019/335; Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.2.12; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/208; De Groot 2011, hoofdstuk I.C.3.
Kritiek op de ernstig verwijt-doctrine komt in het bijzonder van Westenbroek, die zelfs zijn promotieonderzoek heeft gewijd aan het bestrijden van de ernstig verwijt-maatstaf: Westenbroek 2017. Ook Karapetian heeft in haar promotieonderzoek de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in het kader van artikel 6:162 BW bekritiseerd: Karapetian 2019. Een andere prominente criticus is Verstijlen, die sinds 2013 meerdere publicaties aan dit onderwerp heeft gewijd, zie bijvoorbeeld Verstijlen 2013 en Verstijlen 2015. Andere critici van de ernstig verwijt-maatstaf zijn onder meer Van Schilfgaarde 2017; Van Dunné 2019; Van Veen 2016; Tjittes 2017; Bartman 2014; en ook ik zelf in Bleeker 2020a en Bleeker 2020b. Zie voor een overzicht met verdere verwijzingen van kritiek op de ernstig verwijt-maatstaf Westenbroek 2017, p. 15-19 en Westenbroek 2018c, p. 15-16.
Waarom juist de onrechtmatige daad geschikt is voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden licht ik toe in par. IV.1.3 en IV.2.2.3.
In dit proefschrift onderzoek ik onder welke voorwaarden natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen een onderneming persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het schenden van een milieunorm, en of er reden is om leidinggevenden aanvullend te beschermen tegen deze aansprakelijkheid. In dit hoofdstuk belicht ik de privaatrechtelijke dimensie van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Ik ga in het bijzonder in op de vereisten die gelden voor de aansprakelijkheid tot schadevergoeding van een leidinggevende op grond van onrechtmatige daad wegens een milieuovertreding. Daarnaast sta ik kort stil bij de mogelijkheid om door middel van een rechterlijk bevel af te dwingen dat een leidinggevende een tot hem gerichte milieunorm naleeft.
Anders dan in het strafrecht en bestuursrecht, geldt in het privaatrecht volgens de heersende leer niet hetzelfde aansprakelijkheidsregime voor alle leidinggevenden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon op grond van onrechtmatige daad ‘hogere eisen gelden dan in het algemeen geval is’.1 Sinds het Ontvanger/Roelofsen-arrest uit 2006, geldt dat een bestuurder (die handelt in hoedanigheid2) pas aansprakelijk is wanneer hem persoonlijk een ernstig verwijt treft.3 De keuze van de Hoge Raad om de ‘ernstig verwijt-maatstaf ’ toe te passen voor de onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid van een bestuurder wordt onderschreven door een aantal prominente ondernemingsrechtjuristen. Deze lijn wordt in de handboeken ook weergegeven als de heersende leer.4 Tegelijkertijd is er ook in toenemende mate kritiek op deze ‘ernstig verwijt’-doctrine, en verschillende auteurs pleiten voor de terugkeer naar de ‘gewone vereisten’ van artikel 6:162 BW.5 Het debat over het toepasselijke regime voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is nog niet beslecht.
Voor de milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende is de onrechtmatige daad de aangewezen grondslag,6 en de bestuurder van een rechtspersoon is een belangrijk en veelvoorkomend type leidinggevende. Daarom kan in dit hoofdstuk niet worden ontkomen aan de vraag welk aansprakelijkheidsregime van toepassing is voor de onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid van een bestuurder: de gewone vereisten of de ernstig verwijt-doctrine. De beantwoording van deze voorvraag is niet makkelijk, doordat er rechtstheoretische, rechtspolitieke en empirische haken en ogen aan zitten. Toch moet deze voorvraag voor de beantwoording van de onderzoeksvraag van dit hoofdstuk worden geadresseerd, want anders zou het risico bestaan dat de handvatten die ik formuleer voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden voortbouwen op een niet-toepasselijk aansprakelijkheidsregime. Dit betekent dat een aanzienlijk deel van dit hoofdstuk (over de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden) niet specifiek gaat over de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden; eerst moet namelijk in algemene zin worden vastgesteld welke vereisten gelden voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Vervolgens richt ik me op de vraag hoe deze vereisten in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden nader moeten worden ingevuld.