ECLI:NL:GHDHA:2024:1017 (parketnummer 22-001372-23).
HR, 13-01-2026, nr. 24/02530
ECLI:NL:HR:2026:32
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-01-2026
- Zaaknummer
24/02530
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:32, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑01‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:1017
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1181
ECLI:NL:PHR:2025:1181, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:32
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑05‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑05‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0017
Uitspraak 13‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Schending van ambtsgeheim door als wethouder stukken die hem onder geheimhouding zijn verstrekt, opzettelijk openbaar te maken door ambtelijke e-mail door te sturen aan derde, art. 272.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Kon hof e-mail aanmerken als ‘enig geheim’ a.b.i. art. 272 Sr en oordelen dat verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest vermoeden’ dat het een geheim betrof dat hij uit hoofde van ambt moest bewaren en dat hij (voorwaardelijk) opzet had op schending van die geheimhoudingsplicht? Informatie die ‘enig geheim’ bevat, betreft informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve v.zv. deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt (vgl. HR:2020:1197). Bij beoordeling of sprake is van geheime gegevens kan o.m. betekenis toekomen aan aard van informatie, moment waarop en hoedanigheid waarin geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en moment waarop geheimhoudingsplichtige deze informatie aan derde verstrekte. Dat betreffende informatie ook bij andere instantie of op andere manier dan wel op later moment verkrijgbaar zou zijn geweest, staat op zichzelf niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van ‘geheim’ a.b.i. art. 272 Sr (vgl. HR:2003:AF2343). Opvatting dat van ‘enig geheim’ a.b.i. art. 272 Sr slechts sprake kan zijn als plicht tot geheimhouding volgt uit wettelijke bepaling, is onjuist. Uit wetsgeschiedenis van art. 272 Sr en wetsgeschiedenis van art. 54 Gemeentewet volgt dat geheimhoudingsverplichting a.b.i. art. 272 Sr ook kan voortvloeien uit ambt of beroep (vgl. HR:1955:147). Hof heeft geoordeeld dat verdachte door e-mail te verstrekken, enig geheim a.b.i. art. 272 Sr heeft geschonden, waarvan verdachte uit hoofde van zijn ambt als wethouder op de hoogte was gebracht en dat hij uit hoofde van dat ambt verplicht was te bewaren. Hof heeft dit oordeel allereerst daarop gebaseerd dat deze e-mail op dezelfde kwestie zag als conceptraadsvoorstel dat bij stukken in gesloten enveloppe was rondgestuurd aan collegeleden en dat (politiek) gevoelig lag. Verder heeft hof in aanmerking genomen dat verdachte wist dat collegevergadering besloten was, dat college pas tijdens die vergadering beslissing kon nemen over geheimhouding van conceptraadsvoorstel en dat “feitelijk mogelijkheid om voorstel geheim te verklaren” al zou zijn ontnomen als inhoud van raadsvoorstel voor die tijd openbaar werd gemaakt. Dit oordeel geeft gelet op wat hiervoor is vooropgesteld niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van ’s hofs vaststellingen in zijn nadere bewijsoverwegingen toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat o.g.v. art. 19 Gemeentewet in die bepaling bedoelde stukken en voorstellen in beginsel openbaar zijn, nu die bepaling niet van toepassing is op conceptraadsvoorstellen. Ook ’s hofs oordelen dat verdachte ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was geheim te bewaren en dat hij (voorwaardelijk) opzet had op het schenden van ambtsgeheim, geven niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02530
Datum 13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 juni 2024, nummer 22-001372-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.L. L’Homme en J.E. Kötter bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Waar het in deze zaak om gaat
Het gaat in deze zaak om het volgende, zoals samengevat in de conclusie van de advocaat generaal onder 2.1 en 2.2. De verdachte was in 2017 raadslid in de gemeenteraad van [plaats] namens [politieke partij] . Hij trad op 7 juni 2018 toe tot het college van burgemeester en wethouders. Het openbaar ministerie heeft de verdachte onder meer vervolgd wegens schending van het ambtsgeheim. De rechtbank heeft hem hiervan vrijgesproken, maar het hof heeft geoordeeld dat de verdachte wel zijn ambtsgeheim heeft geschonden. Volgens het hof hield deze schending in dat de verdachte een ambtelijke e-mail van 26 juni 2018 op 1 juli 2018 had doorgestuurd aan een persoon die niet werkzaam was voor de gemeente, maar lid was van de klankbordgroep van zijn politieke partij. Dit e-mailbericht bevatte de weergave van de afspraken die de verdachte had gemaakt met een andere wethouder over de dekking van de extra kosten voor het in ontwikkeling zijnde [A] (hierna ook: [A] of [B] ). Deze afspraken vormden de grondslag voor een raadsvoorstel dat ter vaststelling werd voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders in zijn vergadering van 3 juli 2018.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van de onder 4 tenlastegelegde schending van een ambtsgeheim.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 4 bewezenverklaard dat:
“hij op 1 juli 2018 te [plaats] enig geheim waarvan hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, te weten het ambt van wethouder van de gemeente [plaats] , verplicht was dat geheim te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte, interne vertrouwelijke en/of geheime informatie, te weten:
een e-mailbericht van 26 juni 2018 met als onderwerp “afspraken wethouders [betrokkene 1] en [verdachte] inzake scopeuitbreiding [wijk 1] ”, aan [betrokkene 2] verstrekt.”
3.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“7. Een geschrift, zijnde, een e-mail d.d. 1 juli 2018. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (...):
Fwd: afspraken wethouders [betrokkene 1] en [verdachte] inzake scopeuitbreiding [wijk 1]
From: [verdachte] <“ /o=gemeente [plaats] /ou=exchange administrative group (...) - [verdachte] ”>
To: [e-mailadres 1]
Date: Sun, 01 Jul 2018 22:04:13+0200
[betrokkene 3] ,
Dit is de dekking van 20 miljoen. Dit kan en past in de begroting.
[verdachte]
Verstuurd vanaf mijn iPhone
Begin doorgestuurd bericht:
Van: [betrokkene 4] < [e-mailadres 2] >
Datum: 26 juni 2018 om 16:52:55 CEST
Aan: [betrokkene 1] < [e-mailadres 3] >. [verdachte]
< [e-mailadres 4] >
Kopie: [betrokkene 5] < [e-mailadres 5] >, [betrokkene 7]
< [e-mailadres 6] >, [betrokkene 6] < [e-mailadres 7] >, [betrokkene 8] < [e-mailadres 8] >
Onderwerp: afspraken wethouders [betrokkene 1] en [verdachte] inzake scopeuitbreiding [wijk 1]
Beste [betrokkene 1] en [verdachte] (cc: BA’s, projectcontroller [betrokkene 6] en projectleider [betrokkene 8] ),
Vanmiddag hebben we gesproken over de dekkingsmogelijkheden van de scopeuitbreiding van het [wijk 1] (....).
Hierover is het volgende afgesproken:
Uitgangspunten:
- De nieuwe coalitie heeft afgesproken dat een scope-uitbreiding van het gebouw [wijk 1] ( [A] ) kan worden uitgewerkt met een maximale investeringsomvang van € 20 mln.
- Op basis van de aanname van de projectleiding veronderstellen we dat hiervan € 1 mln. is toe te rekenen aan technische installaties en € 19 mln. aan het gebouw (onderscheid relevant i.v.m. kapitaallasten).
- Als je het gebouw activeert met structurele lasten heb je hiervoor nodig: € 0,84 mln. per jaar.
- Als je activeert met incidentele dekking: € 20 mln. Je hebt na 1 afschrijvingsronde geen middelen meer omdat je geen structurele dekking hebt.
Dekking
Over de dekking van de € 20 mln. is het volgende door de wethouders afgesproken:
€ 8 mln. structureel te dekken met € 0,34 mln. Structurele kapitaallasten
o In de stelpost kapitaallasten is n.a.v. coalitiebesprekingen de facto een structurele som van € 340K vrijgehouden. Dit is afdoende om een investeringsdeel van ca. € 8 mln. te dekken.
€ 12 mln. te activeren met incidentele dekking
o € 5 mln. incidentele dekking vrijval kapitaallasten 2021.
§ Omdat het project een jaar vertraagt en in 2021 wordt opgeleverd, vallen kapitaallasten van 2021 vrij (het jaar na oplevering start je met betalen kapitaallasten). Tegelijk wordt meer bouwrente aan het project toegerekend vanwege een langere doorlooptijd. Netto houd je ca. € 5 mln. over.
o € 5 mln. uit vrijval RoBa
Vanuit het project RoBA moet toegezegd worden dat deze middelen inderdaad vrij kunnen vallen. Betreft de eerste € 5 mln. binnen de vrijval die verrekend wordt met gebiedsontwikkelingen [wijk 2] & [wijk 3] (coalitieakkoord, blz 73). We nemen aan dat deze vrijval voor de gemeente naar eigen inzichten is in te zetten (en niet teruggeven moet worden aan mede-subsidianten). Deze aanname is niet voor risico wethouder Financiën.
o € 2 mln. uit Reserve Grondbedrijf
§ Kan worden ingezet als besloten wordt € 2 mln. in de bandbreedte tussen het minimum- en maximum benodigd weerstandsvermogen RGB hierdoor in te zetten.
Groet, [betrokkene 4]
Adviseur Concerncontrol / Gemeente [plaats] .
10. Een proces-verbaal van relaas inzake schending Ambtsgeheim raadsvoorstel [A] d.d. 23 juni 2020 van de Rijksrecherche in onderzoek Tyrus (...). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (...)
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
4.3
E-mail [verdachte] met aantekeningen
Op vrijdag 29 Juni 2018 om 21:50 uur mailde [verdachte] een bericht, gericht aan het emailadres van [betrokkene 1] ( [e-mailadres 3] ) en in de ‘Bcc’ aan het privé e-mailadres van [betrokkene 9] ( [e-mailadres 9] ). In deze e-mail schreef [verdachte] dat hij de vier stukken had gelezen en dat hij foto’s van zijn aantekeningen had gemaakt welke hij in de bijlagen meestuurde.
Op de foto van de eerste pagina in de bijlage stond “Geheim WOB GEHEIM (...)”. Tevens was te zien dat (...) ernaast stond geschreven: “+ lid 1 sub c alleen collegeleden”. (...)
12. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 februari 2020 van de Rijksrecherche in onderzoek Tyrus (...). Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (...)
als de op 4 februari 2020 afgelegde verklaring van [betrokkene 10] :
V: Wat is uw functie binnen de gemeente [plaats] ?
A: Ik ben uitvoerend secretaris van het college van burgemeester en wethouders. (...) Dus op het moment dat de stukken moeten worden verspreid zorg ik daar ook voor.
O: Op vrijdag 29 juni 2018 werd bij diverse personen een envelop afgeleverd met diverse documenten.
(...)
V: Op welke documenten zat geheimhouding?
(...) Voordat een college een besluit genomen heeft is alles op de agenda geheim. Dat zijn alle stukken die zijn meegestuurd. Alle stukken die erop staan zijn geheim.
V: Dus als wij het goed begrijpen zijn alle stukken die in de envelop van [betrokkene 1] zaten en zijn gestuurd, geheim. Klopt dat?
A: Ja dat klopt. De agenda en de stukken van de collegevergadering zijn geheim. Tijdens de vergadering besluit het college over de voorliggende stukken. (...)
(...)
De stukken die geheim zijn gebleven zijn de Nota portefeuillehouder, het collegebesluit van het college over [A] [wijk 1] . Het raadsvoorstel en de commissiebrief zijn openbaar geworden. Het kan zijn dat bij het raadsvoorstel en de commissiebrief een aantal bijlagen zaten waar wel geheimhouding is opgelegd.
Overigens is het zo dat normaliter de agenda en de daarbij behorende stukken en documenten digitaal in de vergader informatietool ‘ibabs’ worden gezet. (...) Binnen ibabs bestaat de mogelijkheid om bepaalde stukken te voorzien van een slot waardoor een beperkt aantal personen deze stukken mogen inzien. Alleen de collegeleden, bureau gemeentesecretaris en de gemeentesecretaris zelf.
(...) mogelijkheid is analoge verzending. Dan wordt een stuk dus verspreid op papier, in een dichte envelop en wordt alleen aan de collegeleden, de gemeentesecretaris en de notulist afgegeven. Dit fysiek afgeven doen we omdat het de meest betrouwbare manier is van collegestukken verspreiden omdat je op deze manier deze stukken minder makkelijk verder kan verspreiden. (...) Het gebeurt heel zelden dat stukken fysiek worden verspreid. Het is namelijk een heel gevoelig document.
(...)
14. Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 15 juli 2020 van de Rijksrecherche in onderzoek Tyrus (...) . Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (...):
als de op 15 juli 2020 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
V: U heeft in uw eerdere verklaring aangegeven dat u in het vorige college als wethouder verantwoordelijk was voor Stadsontwikkeling, Wonen en [plaats] . En dat u in het huidige college verantwoordelijk bent voor Financiën, Stadsontwikkeling en [plaats] , Klopt dit?
A: Dat klopt.
(...)
V: Welke adviseurs concerncontrol kent u?
A: Degene die ik meeste spreek is [betrokkene 4] .
(...)
O: Wij tonen u een e-mail wat [betrokkene 4] op 26 juni 2018 om 16:52 uur verstuurde naar u en [verdachte] . Het onderwerp van deze e-mail is ‘afspraken [betrokkene 1] en [verdachte] inzake, scopeuitbreiding [wijk 1] ’ (Bron: 2004231530.DOG).
V: Wat kunt u over deze e-mail verklaren?
A: Dit was een belangrijk onderdeel van het raadsvoorstel. Dit gaat over het uitwerken van de dekking in het raadsvoorstel. Het is van belang dat je dit met de wethouder financiën in dit geval was dat [verdachte] afstemt. Als ik het zo zie is dit ook de dekking die in het uiteindelijke raadsvoorstel is gekomen.
V: Wat is er met de inhoud van deze e-mail gebeurd?
A: Dit was de voorbereiding op het raadsvoorstel en is uiteindelijk onderdeel gaan uitmaken van het totale raadsvoorstel.
V: Met wie mochten de geadresseerden van deze e-mail, deze e-mail delen?
A: Dit is voorbereiding van besluitvorming voor het college, dit is vertrouwelijk en dit mag je alleen delen met collega wethouders en hun ondersteuning.
O: Wij tonen u dit Raadsvoorstel (Bron.: 2006031303.DOC).
V: Wat kunt u hierover verklaren?
A: Hieruit kun je opmaken dat de voorbereiding van de dekking zoals omschreven in de email is terug gekomen in het raadsvoorstel
V: Wat was uw rol bij dit raadsvoorstel?
A: Ik was verantwoordelijk wethouder voor het [A] , dat viel en valt in mijn portefeuille. (...).
V: Dit Raadsvoorstel was tot de raadsvergadering van 12 juli 2018 nog geheim. Klopt dat?
A: Nee, het was tot het collegevergadering geheim. Ik heb de datum in mijn agenda opgezocht en het de collegevergadering hierover was op 3 juli 2018. Ik wil nog meegeven dat in ons vergadersysteem IBABS, de data en de stukken van de collegevergaderingen staan. Ik laat u zien dat voor de stukken van de collegevergadering van het [A] van 3 juli 2018 een ‘slotje’ staat. Met dat slotje wordt het aantal personen die de stukken mogen inzien verkleind. Bovendien staat ernaast vermeld ‘alleen collegeleden op papier’. Dit geeft aan hoe vertrouwelijk deze stukken zijn.
(...)
O: De eerder aan u getoonde e-mail van 26 juni 2018 te 16:52 uur naar u en naar [verdachte] is op 1 juli 2018 doorgestuurd naar / verstrekt aan iemand die werkzaam is in de vastgoedsector (Bron: 2004231530.DOC)
V: Wat vindt u daarvan?
A: Dat hoort niet.
(...)
In de voorbereiding is dit vertrouwelijk want het kan tot het college nog veranderen. En daarnaast geeft het inzicht over hoe wij met elkaar puzzelen om het project financieel dekkend te krijgen.
V: Ons is gebleken dat [betrokkene 3] [betrokkene 2] , directeur van [C] BV deze informatie heeft ontvangen. (...) Had [C] BV een rol bij de bouw van het [A] project?
A: Volgens mij niet.”
3.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“4. Feit 4: schending ambtsgeheim
De verdachte wordt verweten – kort gezegd – dat hij tussen 29 juni en 4 juli 2018 (alleen of met anderen) een geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij dat uit hoofde van zijn wethouderschap verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, omdat
- hij delen van het (concept-)besluit van het college over [A] [wijk 1] (hierna: het [A] ) en
- een e-mail van 26 juni 2018 met afspraken van hem en [betrokkene 1] over scopeuitbreiding [A]
per e-mail aan [betrokkene 11] en/of [betrokkene 2] heeft verstrekt en/of met hen of anderen heeft besproken.
4.1
Juridisch kader
In artikel 272 Sr is strafbaar gesteld:
“hij die enig geheim, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijke voorschrift dan wel vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt”.
Het “schenden” van enig geheim in de zin van artikel 272 Sr moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is.
Het “enig geheim” in artikel 272 Sr betreft al hetgeen bestemd is om niet bekend te worden (dus niet voor openbaring bestemd is) anders dan ter plaatse waar het door bevoegden wordt medegedeeld. Daarbij gaat het niet alleen om de inhoud van de informatie, maar is (ook) de bestemming daarvan van belang. Bij de beoordeling of van enig geheim sprake is, dient daarom niet alleen acht te worden geslagen op de aard van de informatie, maar ook op het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg. Dat de aan een derde verschafte informatie voor die derde ook bij andere instanties of op andere wijze of op een later moment verkrijgbaar zou zijn geweest, staat op zichzelf niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van een “geheim” in de zin van artikel 272 Sr. Ook openbare informatie kan dus onder omstandigheden een “geheim” betreffen dat op de voet van artikel 272, eerste lid, Sr dient te worden bewaard.
In de tenlastegelegde periode gold de Gedragscode Integriteit burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] 2016, die de raad in [plaats] had vastgesteld, bepaalde in artikel 3:
“(...).
3. Een bestuurder verstrekt geen informatie die vertrouwelijk of geheim is.
4. Een bestuurder maakt niet ten eigen bate of ten bate van zijn persoonlijke betrekkingen gebruik van in de uitoefening van het ambt verkregen informatie.
(...)”
4.2
Verweer
De verdediging stelt dat er geen sprake is van opzettelijke schendingen van één of meer geheimhoudingsplichten door de verdachte.
Ten aanzien van delen van het (concept-)collegebesluit [A] geldt volgens de verdediging dat de [A] ( [B] ) het meest politiek gevoelig dossier betrof, waar al tijdens de coalitie onderhandelingen uitvoerig over gesproken is. Er gold slechts geheimhouding voor het concept collegebesluit en de nota portefeuillehouders. Het ‘raadsvoorstel’ is op geen enkel moment geheim geweest. Het college kon op grond van de Gemeentewet en artikel 10 WOB geheimhouding opleggen, maar daarvan was vóór 3 juli 2018 voor geen van de [A] stukken sprake, aldus betoogt de verdediging.
(...)
4.3
Oordeel hof
Het hof dient de vraag te beantwoorden of, gelet op de omstandigheden van het geval, de verdachte uit hoofde van zijn ambt als wethouder tussen 29 juni 2018 en 9 juli 2019 verplicht was tot geheimhouding van de in de tenlastelegging genoemde informatie.
Zoals hiervoor overwogen vervulde de verdachte in de tenlastegelegde periode het ambt van wethouder.
In het destijds geldende artikel 55 (oud) Gemeentewet, was geregeld, voor zover hier van belang, dat het college op grond van een belang genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB), geheimhouding kon opleggen omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van stukken die aan het college werden overgelegd. Artikel 10 van de WOB noemde een aantal specifieke belangen in lid 2, onder a t/m g, zoals b: de economische of financiële belangen van publiekrechtelijke lichamen, f: het belang van de geadresseerde om als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie en g: het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van personen. Het opleggen van geheimhouding vond plaats tijdens de vergadering door het college (lid 1) of vooraf door de burgemeester of een commissie (lid 2) en duurde voort totdat de geheimhouding werd opgeheven.
Een verplichting tot geheimhouding van bepaalde informatie kan ook besloten liggen in het uitoefenen van een functie in het openbaar bestuur, zoals een functie als wethouder. Dat volgt ook uit de eed die wethouders afleggen en uit de gedragscode Integriteit B&W [plaats] 2016, die op grond van artikel 41c lid 2 van de Gemeentewet was vastgesteld.
Anders dan de verdediging kennelijk veronderstelt betekent het feit dat er (nog) geen geheimhouding was opgelegd op grond van de Gemeentewet, dus op zichzelf niet dat er voor stukken of informatie geen geheimhouding als bedoeld in artikel 272 Sr kan gelden.
het (concept-) collegebesluit
Uit het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier leidt het hof het navolgende af.
Sinds 2017 wordt er in [plaats] gebouwd aan een nieuw [A] [wijk 1] ( [A] ). Wethouder [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) was toentertijd de verantwoordelijk wethouder voor dit complex.
Op vrijdag 29 juni 2018 ontvingen de wethouders, dus ook de verdachte en [betrokkene 9] , (tegelijk met de andere collegeleden) van wethouder [betrokkene 1] een e-mail waarin [betrokkene 1] mededeelde dat alle stukken over het [A] voor de vergadering van het college van aanstaande dinsdag (3 juli 2018) waren voorbereid en dat de burgemeester en wethouders eind van die middag een enveloppe met de papieren set zouden ontvangen. Diezelfde dag is een dichte enveloppe bij hen afgeleverd. Daarin zaten onder meer een (concept)besluit van het college getiteld ‘Besluit College’ met daarop: ‘Geheim’ en als onderwerp: ‘ [A] - gebiedsontwikkeling [wijk 1] ’ (hierna: het [A] ), en een (concept) ‘Raadsvoorstel van het college’ inzake het [A] over scopeuitbreiding van het [A] , de stijging van de investering daardoor met € 20 miljoen en de wijze waarop voor die € 20 miljoen dekking beschikbaar is.
De verdachte heeft op documenten uit de enveloppe aantekeningen gemaakt. Vervolgens heeft hij foto’s gemaakt van het (concept)besluit van het college of een deel daarvan (zijn foto van de eerste pagina met daarop ‘Geheim’ zit in het strafdossier) en van delen van het (concept)raadsvoorstel waarop zijn aantekeningen stonden. Hij heeft die foto’s op 29 juni 2018 gemaild aan [betrokkene 1] en bcc aan [betrokkene 9] .
Naar het oordeel van het hof schond de verdachte daarmee niet zijn ambtsgeheim. Immers [betrokkene 9] en [betrokkene 1] maakten deel uit van het college. [betrokkene 9] had, met als de verdachte, het (concept)besluit en (concept)raadsvoorstel in de enveloppe van [betrokkene 1] ontvangen ter voorbereiding van de aanstaande collegevergadering. Tussen hen waren deze stukken niet geheim, zij mochten daarover van gedachten wisselen en de verdachte mocht aan hen zijn aantekeningen toesturen. Er blijkt ook niet dat de verdachte (van tevoren) op de hoogte was van het delen van dit stuk door [betrokkene 9] , of op andere wijze van een bijdrage daaraan, zodat ook van medeplegen geen sprake is.
e-mail van 26 juni 2018
Drie dagen voor het toezenden van voornoemde stukken, vond op 26 juni 2018 een bespreking plaats tussen de wethouders [verdachte] en [betrokkene 1] , in het bijzijn van onder meer [betrokkene 4] , adviseur Concerncontrol van de gemeente. Op dezelfde dag heeft deze gemeenteambtenaar een e-mail opgesteld getiteld “afspraken wethouders [betrokkene 1] en [verdachte] inzake scopeuitbreiding [wijk 1] ”. Deze e- mail betrof een scopeuitbreiding van € 20 miljoen voor het [A] en bevatte de afspraken die de wethouders [betrokkene 1] en de verdachte die middag hadden gemaakt over de dekking van die € 20 miljoen ter voorbereiding van het hiervoor genoemde (concept)raadsvoorstel. In de e-mail werd uiteengezet hoe die € 20 miljoen gedekt zou worden. [betrokkene 4] heeft deze e-mail gestuurd aan de verdachte, [betrokkene 1] en enkele bij het [A] betrokken ambtenaren. De inhoud van deze e-mail is na 26 juni 2018 gebruikt voor het opstellen van voornoemd (concept)raadsvoorstel.
[betrokkene 9] heeft op zaterdag 30 juni 2018 het eerder hierboven genoemde e-mailbericht van de verdachte met diens foto’s van delen van het (concept)besluit van het college en het (concept) raadsvoorstel, naar [betrokkene 2] en [betrokkene 11] doorgemaild.
Diezelfde dag heeft [betrokkene 2] aan de verdachte gemaild dat hij de dekking voor € 20 miljoen ontwerpverbetering en het ‘subsidieverhaal’ nog niet begrijpt. Daarop heeft de verdachte op 1 juli 2018 de in de tenlastelegging genoemde e-mail van [betrokkene 4] van 26 juni 2018 doorgestuurd aan [betrokkene 2] .
Op de collegevergadering van 3 juli 2018 is zowel het collegebesluit als het raadsvoorstel na enkele tekstuele aanpassingen geaccordeerd. Verder is in die vergadering het collegebesluit als geheim geclassificeerd in de zin van artikel 55 Gemeentewet. Het raadsvoorstel is openbaar en gepubliceerd.
Het hof komt tot een bewezenverklaring omdat uit de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte met het doorsturen van (de inhoud van) de e-mail van bestuursadviseur [betrokkene 4] , zijn ambtsgeheim schond. Op de vragen van [betrokkene 2] stuurde de verdachte de e-mail die voornoemde adviseur Concerncontrol van de gemeente eerder had gemaakt van een bespreking met daarin afspraken tussen hem en [betrokkene 1] . Deze e-mail zag op dezelfde kwestie als het raadsvoorstel, dat bij de [A] -stukken in de enveloppe zat en lag (politiek) gevoelig. De inhoud van deze afspraken vormde een belangrijk onderdeel van het raadsvoorstel.
De verdachte wist dat [betrokkene 1] het raadsvoorstel met de andere stukken in de gesloten envelop had rondgestuurd aan de collegeleden in hun hoedanigheid van burgemeester en wethouders ten behoeve van de collegevergadering van 3 juli 2018. Hij wist ook (of behoorde te weten) dat die vergadering besloten was (net als alle collegevergaderingen, op grond van artikel 54 Gemeentewet; en anders dan raadsvergaderingen). Hij had redelijkerwijs moeten vermoeden dat de inhoud van de stukken vertrouwelijk was en ook dat het raadsvoorstel nog geheim zou kunnen worden verklaard en aan hem en [betrokkene 9] vertrouwelijk was toegekomen om (eerst) alleen met de collegeleden op de besloten vergadering van 3 juli 2018 te bespreken. Daarbij is niet doorslaggevend voor vertrouwelijkheid dat het college op 29 juni 2018 nog niet tot al dan niet geheimhouding had besloten, want een beslissing tot geheimhouding kon het college pas nemen op het eerste moment waarop het – na het concipiëren en rondsturen van het raadsvoorstel – bijeen zou komen. Dat was de eerstvolgende vergadering op 3 juli 2018, de vergadering waartoe [betrokkene 1] het raadsvoorstel nu juist ook (uiterlijk de vrijdag ervoor) op papier en in een gesloten enveloppe aan alle collegeleden had toegestuurd. De verdachte had ook moeten begrijpen dat het voor een goede geheimhoudingsbeslissing belangrijk was dat de burgemeester en wethouders over de inhoud van het (mogelijke) raadsvoorstel als eersten (en enigen) kennis konden nemen. Zou de inhoud van het raadsvoorstel al openbaar gemaakt zijn voordat een beslissing over al dan niet geheimhouding van het raadsvoorstel zou worden genomen, dan zou feitelijk de mogelijkheid om het voorstel geheim te verklaren al zijn ontnomen.
Daarnaast geldt in het algemeen dat in de fase waarin de beleidsvoorbereiding zich bevindt als het college zich erover buigt, in het college een open overleg mogelijk moet zijn over veelal onvoldragen standpunten en voorstellen. Het naar buiten brengen van – mogelijk onvoldragen – standpunten van enkele wethouders, waarover (de overige leden van) het college nog moet beraadslagen en beslissen, frustreert dat. Toen (en zodra) die afspraken onderdeel werden van het raadsvoorstel dat in de collegevergadering besproken moest worden, behoorde het tot de vertrouwelijke informatie waarover het college eerst vrij moest kunnen beraadslagen en beslissen.
De verdachte mocht de e-mail die informatie bevatte die een belangrijk onderdeel van het betreffende raadsvoorstel is geworden dan ook niet doorsturen aan derden, niet-collegeleden. Hij had (tenminste) redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij uit hoofde van zijn wethouderschap verplicht was om deze e-mail op dat moment geheim te houden totdat in het college over het raadsvoorstel zou zijn gesproken en totdat over de geheimhouding door het college negatief zou zijn beslist. [betrokkene 2] was een derde met wie (de informatie in) de e-mail niet gedeeld mocht worden. Dat [betrokkene 2] lid van de klankbordgroep was, maakt niet dat hij tot de kring behoorde met wie de verdachte de e-mail mocht delen. [betrokkene 2] was geen ambtenaar binnen de gemeente met betrokkenheid bij het [A] -project en hij was niet beëdigd of zelf tot (verdere) geheimhouding verplicht.
Het hof is aldus van oordeel dat dit deel van de tenlastelegging bewezen kan worden verklaard. Niet gebleken is dat sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking zodanig dat sprake was van medeplegen.”
3.3.1
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 272 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit en dat nadien ten aanzien van het strafmaximum is gewijzigd:
“Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.”
- artikel 54 Gemeentewet:
“1. De vergaderingen van het college worden met gesloten deuren gehouden, voor zover het college niet anders heeft bepaald.
2. Het reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven omtrent de openbaarheid van de vergaderingen van het college.”
3.3.2
De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 272 Sr houdt in:
“De verpligting tot geheimhouding spruit (...) voort uit de wet of den aard van den werkkring, waarin men geplaatst is (...)”
(vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1891, p. 425 (memorie van toelichting))
3.3.3
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Gemeentewet houdt onder meer in:
“Artikel 54
Hoewel ook bij de beleidsvoorbereiding waar mogelijk naar openbaarheid moet worden gestreefd, is er een fase in de beleidsvoorbereiding waarin open overleg over veelal nog zeer onvoldragen standpunten en voorstellen noodzakelijk is. Deze situatie doet zich vooral met betrekking tot het college van burgemeester en wethouders veelvuldig voor. In dergelijke gevallen zou openbaarheid van het beraad remmend kunnen werken.
In dit verband zij erop gewezen dat ook de Wob ten aanzien van stukken die zijn opgesteld met het oog op de hiervoor genoemde vormen van beraad een uitzondering op de openbaarmakingsplicht inhoudt. Op grond daarvan is in artikel 54 gekozen voor het in beginsel handhaven van het huidige stelsel van beslotenheid van de vergaderingen van het college van burgemeester en wethouders, zij het dat het college in de door ons voorgestelde regeling, anders dan nu het geval is, daarvan kan afwijken en zulks ook op meer structurele wijze zal kunnen regelen in het reglement van orde van de vergaderingen van het college. In de huidige gemeentewet is niet vastgelegd dat de vergaderingen van het college besloten moeten zijn. Algemeen wordt echter aangenomen dat dit bepaald de bedoeling van de wetgever is. Wij achten het gewenst dat de wet zelf een duidelijke regeling bevat inzake de openbaarheid van vergaderingen van het college. Artikel 54 strekt daartoe.”
3.3.4
De tenlastelegging onder 4 is toegesneden op artikel 272 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘enig geheim’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling. Informatie die ‘enig geheim’ bevat, betreft informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve voor zover deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt (vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1197, rechtsoverweging 3.2.2). Bij de beoordeling of sprake is van geheime gegevens kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de informatie, het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en het moment waarop de geheimhoudingsplichtige deze informatie aan een derde verstrekte. Dat de betreffende informatie ook bij een andere instantie of op andere manier dan wel op een later moment verkrijgbaar zou zijn geweest, staat op zichzelf niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van een ‘geheim’ als bedoeld in artikel 272 Sr (vgl. HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2343 met betrekking tot informatie die (deels) verkrijgbaar was bij een andere instantie).
3.4
Het cassatiemiddel berust onder meer op de opvatting dat van ‘enig geheim’ als bedoeld in artikel 272 Sr slechts sprake kan zijn als de plicht tot geheimhouding volgt uit een wettelijke bepaling, zoals in dit geval de Gemeentewet in samenhang met artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (oud). Deze opvatting is onjuist. Uit de onder 3.3.2 en 3.3.3 weergegeven wetsgeschiedenis komt naar voren dat een geheimhoudingsverplichting als bedoeld in die bepaling ook kan voortvloeien uit een ambt of beroep (vgl. HR 6 december 1955, ECLI:NL:HR:1955:147). Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
3.5.1
Het hof heeft het volgende vastgesteld. De verdachte vervulde in de tenlastegelegde periode het ambt van wethouder. Hij heeft daartoe een eed, die onder meer strekte tot geheimhouding van vertrouwelijke gegevens, afgelegd. De verdachte heeft op 26 juni 2018 samen met [betrokkene 1] , die ook wethouder van de gemeente [plaats] was, in bijzijn van gemeenteambtenaar [betrokkene 4] een overleg gehad over de ‘scopeuitbreiding’ van € 20 miljoen voor de bouw van het [A] [wijk 1] (ook wel aangeduid als [A] of [B] ). Tijdens dat overleg hebben de wethouders ter voorbereiding van het (concept)raadsvoorstel afspraken gemaakt over de dekking van dat bedrag. [betrokkene 4] heeft vervolgens op diezelfde dag een e-mail opgesteld met die afspraken en de e-mail toegezonden aan de verdachte, [betrokkene 1] en enkele andere bij het [A] betrokken ambtenaren. De inhoud van de e-mail is gebruikt voor het opstellen van het (concept)raadsvoorstel.Op 29 juni 2018 ontvingen alle wethouders een dichte enveloppe met stukken voor de besloten collegevergadering van 3 juli 2018 die betrekking hadden op de bouw van het [A] . In de enveloppe zat onder meer een (concept)besluit van het college met daarop “Geheim (...)” en een (concept)raadsvoorstel over het [A] en de ‘scopeuitbreiding’ daarvan, de stijging van de investering daardoor met € 20 miljoen en de wijze waarop die € 20 miljoen zou moeten worden gedekt. In de digitale vergader-informatietool iBabs zijn de stukken van de collegevergadering van het [A] van 3 juli 2018 voorzien van een ‘slotje’, met daarnaast de vermelding ‘alleen collegeleden op papier’.De verdachte heeft op 1 juli 2018 de door [betrokkene 4] opgestelde e-mail van 26 juni 2018 doorgestuurd naar [betrokkene 2] . [betrokkene 2] was lid van de klankbordgroep van [politieke partij] maar geen ambtenaar binnen de gemeente met betrokkenheid bij het [A] -project. Tijdens de besloten collegevergadering van 3 juli 2018 is het collegebesluit geaccordeerd en als geheim geclassificeerd. Ook het raadsvoorstel is geaccordeerd, maar dat werd daarna openbaar en gepubliceerd.Het hof heeft verder vastgesteld dat ten tijde van het bewezenverklaarde binnen de gemeente de agenda van de collegevergadering en de daarbij behorende stukken als geheim werden beschouwd, (in ieder geval) tot het moment dat een college een besluit had genomen over de voorliggende stukken (bewijsmiddel 12 en 14).
3.5.2
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte door op 1 juli 2018 aan [betrokkene 2] de e-mail van 26 juni 2018 te verstrekken, enig geheim als bedoeld in artikel 272 Sr heeft geschonden, waarvan de verdachte uit hoofde van zijn ambt als wethouder op de hoogte was gebracht en dat hij uit hoofde van dat ambt verplicht was te bewaren. Het hof heeft dit oordeel allereerst daarop gebaseerd dat deze e-mail op dezelfde kwestie zag als het conceptraadsvoorstel dat op 29 juni 2018 bij de [A] -stukken in de gesloten enveloppe was rondgestuurd aan de collegeleden en dat (politiek) gevoelig lag. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte wist dat de collegevergadering van 3 juli 2018 besloten was, dat het college pas tijdens die vergadering een beslissing kon nemen over de geheimhouding van het conceptraadsvoorstel en dat “feitelijk de mogelijkheid om het voorstel geheim te verklaren” al zou zijn ontnomen als de inhoud van het raadsvoorstel voor die tijd openbaar werd gemaakt. Dit oordeel van het hof geeft, gelet op wat onder 3.3.4 is vooropgesteld, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in het licht van de onder 3.5.1 weergegeven vaststellingen van het hof, toereikend gemotiveerd. Anders dan in de toelichting op het cassatiemiddel is gesteld, doet daaraan niet af dat op grond van artikel 19 Gemeentewet de in die bepaling bedoelde stukken en voorstellen in beginsel openbaar zijn, nu die bepaling niet van toepassing is op conceptraadsvoorstellen.Ook de oordelen van het hof dat de verdachte ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was het geheim te bewaren en dat hij (voorwaardelijk) opzet had op het schenden van het ambtsgeheim, geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn, gelet op de onder 3.5.1 weergegeven vaststellingen, toereikend gemotiveerd.
3.6
Het cassatiemiddel faalt in al zijn onderdelen.
4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.
Conclusie 04‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling van wethouder gemeente Den Haag wegens schending van ambtsgeheim door een e-mailbericht door te sturen (art. 272 Sr). Het eerste middel komt met drie deelklachten op tegen de bewezenverklaring. Het oordeel van het hof dat de betreffende e-mail ‘enig geheim’ is in de zin van art. 272 Sr getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarnaast is het oordeel van het hof dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het e-mailbericht ‘enig geheim’ betrof dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was te bewaren niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat geldt ook voor het oordeel van het hof dat de verdachte door het doorsturen van de e-mail ‘enig geheim’ heeft geschonden. Het tweede middel komt op tegen de verwerping van een beroep op overmacht in de vorm van noodtoestand. Het oordeel van het hof dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit zou volgen dat sprake was van een noodtoestand getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02530
Zitting 4 november 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 21 juni 2024 de verdachte veroordeeld wegens 4. “enig geheim waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden" en bepaald dat voor het onder 4 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.1.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.L. L'Homme en J.E. Kötter, beiden advocaat in Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. De zaak in het kort
2.1
Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] waren in 2017 raadsleden in de gemeenteraad van Den Haag namens [naam partij] .2.Zij traden op 7 juni 2018 toe tot het college van burgemeester en wethouders. Het openbaar ministerie verdacht de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] ervan dat ze zich door giften en beloften hebben laten omkopen door ondernemers in ruil voor een voorkeursbehandeling. De verdachte werd samen met de medeverdachte [medeverdachte] en een vijftal ondernemers in dat verband (onder meer) verdacht van deelneming aan een criminele organisatie. Daarnaast werd de verdachte, net als medeverdachte [medeverdachte] , ook vervolgd voor ambtelijk omkoping en het schenden van het ambtsgeheim. De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte en de zes medeverdachten allen vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie. De rechtbank achtte evenmin bewezen dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan ambtelijke omkoping en het schenden van het ambtsgeheim.3.
2.2
In het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep ging het – wat betreft de verdachte – alleen nog om de beschuldiging van ambtelijk omkoping en het schenden van het ambtsgeheim. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van ambtelijke omkoping. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte]4.hebben naar het oordeel van het hof wel hun ambtsgeheim geschonden. Volgens het hof hield deze schending in dat de verdachte een ambtelijke e-mail van 26 juni 2018 had doorgestuurd aan een persoon die niet werkzaam was voor de gemeente, maar fungeerde als een klankbord binnen de partij van de verdachte. Dit e-mailbericht bevatte de weergave van de afspraken die de verdachte had gemaakt met een andere wethouder over de dekking van de extra kosten voor het in ontwikkeling zijnde onderwijs- en cultuurcomplex (hierna ook: OCC). Deze afspraken vormden de grondslag voor een raadsvoorstel dat ter vaststelling werd voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders in zijn vergadering van 3 juli 2018. Bij de medeverdachte [medeverdachte] is bewezenverklaard dat hij (delen van) dit voorstel aan het college tot vaststelling van het raadsvoorstel, op 30 juni 20018 heeft doorgezonden naar onder andere hetzelfde lid van de partij.
2.3
Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde – kort gezegd – het schenden van het ambtsgeheim. Het tweede middel komt op tegen de verwerping van het beroep op overmacht in de vorm van noodtoestand.
3. Het eerste middel
3.1
Het eerste middel komt op tegen het onder 4 bewezenverklaarde en valt uiteen in drie deelklachten. Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring en delen van de bewijsconstructie van het hof weer, voor zover deze betrekking hebben op het onder 4 ten laste gelegde.
Bewezenverklaring en bewijsconstructie
3.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard dat:
“4. hij op 1 juli 2018 te Den Haag, enig geheim waarvan hij, verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, te weten het ambt van wethouder van de gemeente Den Haag, verplicht was dat geheim te bewaren, opzettelijk heeft geschonden,immers heeft hij, verdachte, interne vertrouwelijke en/of geheime informatie, te weten:een emailbericht van 26 juni 2018 met als onderwerp “afspraken wethouder [naam 1] en [verdachte] inzake scopeuitbreiding “Spuikwartier: aan [betrokkene 1] verstrekt.”
3.3
Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:
“4. Feit 4: schending ambtsgeheim
De verdachte wordt verweten - kort gezegd - dat hij tussen 29 juni en 4 juli 2018 (alleen of met anderen) een geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij dat uit hoofde van zijn wethouderschap verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, omdat
- hij delen van het (concept-)besluit van het college over Onderwijs- en Cultuurcomplex - gebiedsontwikkeling Spuikwartier (hierna: het OCC) en
- een e-mail van 26 juni 2018 met afspraken van hem en [wethouder naam 1] over scopeuitbreiding OCC per e-mail aan [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] heeft verstrekt en/of met hen of anderen heeft besproken.
4.1
Juridisch kader
In artikel 272 Sr is strafbaar gesteld: “hij die enig geheim, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijke voorschrift dan wel vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt".
Het "schenden" van enig geheim in de zin van artikel 272 Sr moet worden uitgelegd als het verstrekken van, geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is.
Het, "enig geheim" in artikel 272 Sr betreft al hetgeen bestemd is om niet bekend te worden (dus niet voor openbaring bestemd is) anders dan ter plaatse waar het door bevoegden wordt medegedeeld. Daarbij gaat het niet alleen om de inhoud van de informatie, maar is (ook) de bestemming daarvan van belang. Bij de beoordeling of van enig geheim sprake is, dient daarom niet alleen acht te worden geslagen op de aard van de informatie, maar ook op het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg. Dat de aan een derde verschafte informatie voor die derde ook bij andere instanties of op andere wijze of op een later moment verkrijgbaar zou zijn geweest, staat op zichzelf niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van een "geheim" in de zin van artikel 272 Sr. Ook openbare informatie kan dus onder omstandigheden een "geheim" betreffen dat op de voet van artikel 272, eerste lid, Sr dient te worden bewaard.
In de tenlastegelegde periode gold de Gedragscode Integriteit burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag 2016, die de raad in Den Haag had vastgesteld, bepaalde in artikel 3:
"(...).
3. Een bestuurder verstrekt geen informatie die vertrouwelijk of geheim is.
4. Een bestuurder maakt niet ten eigen bate of ten bate van zijn persoonlijke betrekkingen gebruik van in de uitoefening van het ambt verkregen informatie. (...)"
4.2
Verweer
De verdediging stelt dat er geen sprake is van opzettelijke schendingen van één of meer geheimhoudingsplichten door de verdachte.
Ten aanzien van delen van het (concept-)collegebesluit OCC geldt volgens de verdediging dat de OCC (Amare) het meest politiek gevoelig dossier betrof, waar al tijdens de coalitie onderhandelingen uitvoerig over gesproken is. Er gold slechts geheimhouding voor het concept collegebesluit en de nota portefeuillehouders. Het ‘raadsvoorstel’ is op geen enkel moment geheim geweest. Het college kon op grond van de Gemeentewet en artikel 10 WOB geheimhouding opleggen, maar daarvan was vóór 3 juli 2018 voor geen van de OCC stukken sprake, aldus betoogt de verdediging.
Subsidiair stelt de verdediging ten aanzien van de OCC-stukken dat er sprake is van de rechtvaardigingsgrond overmacht in noodtoestand, zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte en [medeverdachte] handelden zoals zij hebben gehandeld, doordat het om een gigantische bedrag ging en zij aan hun water voelden dat er iets niet klopte. Het betrof volgens de verdediging het politiek meest gevoelige dossier. Daarbij hebben zij de -voor noodtoestand vereiste- proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen, door het slechts te delen mat (een klein deel ven de) klankbordgroep, om zo tot een afgewogen beslissing te kunnen komen over dit gigantische bedrag.
4.3
Oordeel hof
Het hof dient de vraag te beantwoorden of, gelet op de omstandigheden van het geval, de verdachte uit hoofde van zijn ambt als wethouder tussen 29 juni 2018 en 9 juli 2019 verplicht was tot geheimhouding van de in de tenlastelegging genoemde informatie.
Zoals hiervoor overwogen vervulde de verdachte in de tenlastegelegde periode het ambt van wethouder.
In het destijds geldende artikel 55 (oud) Gemeentewet, was geregeld, voor zover hier van belang, dat het college op grond van een belang genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB), geheimhouding kon opleggen omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van stukken die aan het college werden overgelegd. Artikel 10 van de WOB noemde een aantal specifieke belangen in lid 2, onder a t/m g, zoals b: de economische of financiële belangen van publiekrechtelijke lichamen, f: het belang van de geadresseerde om als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie en g: het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van personen. Het opleggen van geheimhouding vond plaats tijdens de vergadering door het college (lid 1) of vooraf door de burgemeester of een commissie (lid 2) en duurde voort totdat de geheimhouding werd opgeheven.
Een verplichting tot geheimhouding van bepaalde informatie kan ook besloten liggen in het uitoefenen van een functie in het openbaar bestuur, zoals een functie als wethouder. Dat volgt ook uit de eed die wethouders afleggen en uit de gedragscode Integriteit B&W Den Haag 2016, die op grond van artikel 41c lid 2 van de Gemeentewet was vastgesteld.
Anders dan de verdediging kennelijk veronderstelt betekent het feit dat er (nog) geen geheimhouding was opgelegd op grond van de Gemeentewet, dus op zichzelf niet dat er voor stukken of informatie geen geheimhouding als bedoeld in artikel 272 Sr kan gelden.
het (concept-)collegebesluit
Uit het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier leidt het hof het navolgende af.
Sinds 2017 wordt er in Den Haag gebouwd aan een nieuw Onderwijs en Cultuurcomplex Spuikwartier (OCC). Wethouder [naam 1] was toentertijd de verantwoordelijk wethouder voor dit complex.
Op vrijdag 29 juni 2018 ontvingen de wethouders, dus ook de verdachte en [medeverdachte] , (tegelijk met de andere collegeleden) van wethouder [naam 1] een e-mail waarin [wethouder naam 1] mededeelde dat alle stukken over het OCC voor de vergadering van het college van aanstaande dinsdag (3 juli 2018) waren voorbereid en dat de burgemeester en wethouders eind van die middag een enveloppe met de papieren set zouden ontvangen. Diezelfde dag is een dichte enveloppe bij hen afgeleverd. Daarin zaten onder meer een (concept)besluit van het college getiteld ‘Besluit College’ met daarop: ‘Geheim’ en als onderwerp: ‘Onderwijs- en Cultuurcomplex - gebiedsontwikkeling Spuikwartier’ (hierna: het OCC), en een (concept) ‘Raadsvoorstel van het college’ inzake het OCC over scopeuitbreiding van het OCC, de stijging van de investering daardoor met € 20 miljoen en de wijze waarop voor die € 20 miljoen dekking beschikbaar is.
De verdachte heeft op documenten uit de enveloppe aantekeningen gemaakt. Vervolgens heeft hij foto’s gemaakt van het (concept)besluit van het college of een deel daarvan (zijn foto van de eerste pagina met daarop ‘Geheim’ zit in het strafdossier) en van delen van het (concept) raadsvoorstel waarop zijn aantekeningen stonden. Hij heeft die foto’s op 29 juni 2018 gemaild aam [wethouder naam 1] en bcc aan [medeverdachte] .
Naar het oordeel van het hof schond de verdachte daarmee niet zijn ambtsgeheim. Immers [medeverdachte] en [wethouder naam 1] maakten deel uit van het college. [medeverdachte] had, net als de verdachte, het (concept)besluit en (concept)raadsvoorstel in de enveloppe ven [wethouder naam 1] ontvangen ter voorbereiding van de aanstaande collegevergadering. Tussen hen waren deze stukken niet geheim, zij mochten daarover van gedachten wisselen en de verdachte mocht aan hen zijn aantekeningen toesturen. Er blijkt ook niet dat de verdachte (van tevoren) op de hoogte was van het delen van dit stuk door [medeverdachte] , of op andere wijze van een bijdrage daaraan, zodat ook van medeplegen geen sprake is.
e-mail van 26 juni 2018
Drie dagen voor het toezenden van voornoemde stukken, vond op 26 juni 2018 een bespreking plaats tussen de wethouders [verdachte] en [naam 1] , in het bijzijn van onder meer [betrokkene 3] , adviseur Concerncontrol van de gemeente. Op dezelfde dag heeft deze gemeenteambtenaar een e-mail opgesteld getiteld "afspraken wethouders [naam 1] en [verdachte] inzake scopeuitbreiding Spuikwartier". Deze e-mail betrof een scopeuitbreiding van € 20 miljoen voor het OCC en bevatte de afspraken die de wethouders [naam 1] en de verdachte die middag hadden gemaakt over de dekking van die € 20 miljoen ter voorbereiding van het hiervoor genoemde (concept)raadsvoorstel. In de e-mail werd uiteengezet hoe die € 20 miljoen gedekt zou worden. [betrokkene 3] heeft deze e-mail gestuurd aan de verdachte. [wethouder naam 1] en enkele bij het OCC betrokken ambtenaren. De inhoud van deze e-mail is na 26 juni 2018 gebruikt voor het opstellen van voornoemd (concept)raadsvoorstel.
[medeverdachte] heeft op zaterdag 30 juni 2018 het eerder hierboven genoemde e-mailbericht van de verdachte met diens foto’s van delen van het (concept)besluit van het college en het (concept) raadsvoorstel, naar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] doorgemaild.
Diezelfde dag heeft [betrokkene 1] aan de verdachte gemaild dat hij de dekking voor € 20 miljoen ontwerpverbetering en het ‘subsidieverhaal’ nog niet begrijpt. Daarop heeft de verdachte op 1 juli 2018 de in de tenlastelegging genoemde e-mail van [betrokkene 3] van 26 juni 2018 doorgestuurd aan [betrokkene 1] .
Op de collegevergadering van 3 juli 2018 is zowel het collegebesluit als het raadsvoorstel na enkele tekstuele aanpassingen geaccordeerd. Verder is in die vergadering het collegebesluit als geheim geclassificeerd in de zin van artikel 55 Gemeentewet. Het raadsvoorstel is openbaar en gepubliceerd.
Het hof komt tot een bewezenverklaring omdat uit de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte met het doorsturen van (de inhoud van) de e-mail van bestuursadviseur [betrokkene 3] , zijn ambtsgeheim schond.
Op de vragen van [betrokkene 1] stuurde de verdachte de e-mail die voornoemde adviseur Concerncontrol van de gemeente eerder had gemaakt van een bespreking met daarin afspraken tussen hem en [wethouder naam 1] . Deze e-mail zag op dezelfde kwestie als het raadsvoorstel, dat bij de OCC-stukken in de enveloppe zat en lag (politiek) gevoelig. De inhoud van deze afspraken vormde een belangrijk onderdeel van het raadsvoorstel.
De verdachte wist dat [wethouder naam 1] het raadsvoorstel met de andere stukken in de gesloten envelop had rondgestuurd aan de collegeleden in hun hoedanigheid van burgemeester en wethouders ten behoeve van de collegevergadering van 3 juli 2018. Hij wist ook (of behoorde te weten) dat die vergadering besloten was (net als alle collegevergaderingen, op grond van artikel 54 Gemeentewet; en anders dan raadsvergaderingen) . Hij had redelijkerwijs moeten vermoeden dat de inhoud van de stukken vertrouwelijk was en ook dat het raadsvoorstel nog geheim zou kunnen worden verklaard en aan hem en [medeverdachte] vertrouwelijk was toegekomen om (eerst) alleen met de collegeleden op de besloten vergadering van 3 juli 2018 te bespreken. Daarbij is niet doorslaggevend voor vertrouwelijkheid dat het college op 29 juni 2018 nog niet tot al dan niet geheimhouding had besloten, want een beslissing tot geheimhouding kon het college pas nemen op het eerste moment waarop het - na het concipiëren en rondsturen van het raadsvoorstel - bijeen zou komen. Dat was de eerstvolgende vergadering op 3 juli 2018, de vergadering waartoe [wethouder naam 1] het raadsvoorstel nu juist ook (uiterlijk de vrijdag ervoor) op papier en in een gesloten enveloppe aan alle collegeleden had toegestuurd. De verdachte had ook moeten begrijpen dat het voor een goede geheimhoudingsbeslissing belangrijk was dat de burgemeester en wethouders over de inhoud van het (mogelijke) raadsvoorstel als eersten (en enigen) kennis konden nemen. Zou de inhoud van het raadsvoorstel al openbaar gemaakt zijn voordat een beslissing over al dan niet geheimhouding van het raadsvoorstel zou worden genomen, dan zou feitelijk de mogelijkheid om het voorstel geheim te verklaren al zijn ontnomen.
Daarnaast geldt in het algemeen dat in de fase waarin de beleidsvoorbereiding zich bevindt als het college zich, erover buigt, in het college een open overleg mogelijk moet zijn over veelal onvoldragen standpunten en voorstellen. Het naar buiten brengen van - mogelijk onvoldragen - standpunten van enkele wethouders, waarover (de overige leden van) het college nog moet beraadslagen en beslissen, frustreert dat. Toen (en zodra) die afspraken onderdeel werden van het raadsvoorstel dat in de collegevergadering besproken moest worden, behoorde het tot de vertrouwelijke informatie waarover het college eerst vrij moest kunnen beraadslagen en beslissen.
De verdachte mocht de e-mail die informatie bevatte die een belangrijk onderdeel van het betreffende raadsvoorstel is geworden dan ook niet doorsturen aan derden, niet-collegeleden. Hij had (tenminste) redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij uit hoofde van zijn wethouderschap verplicht was om deze e-mail op dat moment geheim te houden totdat in het college over het raadsvoorstel zou zijn gesproken en totdat over de geheimhouding door het college negatief zou zijn beslist. [betrokkene 1] was een derde met wie (de informatie in) de e-mail niet gedeeld mocht worden. Dat [betrokkene 1] lid van de klankbordgroep was, maakt niet dat hij tot de kring behoorde met wie de verdachte de e-mail mocht delen. [betrokkene 1] was geen ambtenaar binnen de gemeente met betrokkenheid bij het OCC-project en hij was niet beëdigd of zelf tot (verdere) geheimhouding verplicht.
Het hof is aldus van oordeel dat dit deel van de tenlastelegging bewezen kan worden verklaard. Niet gebleken is dat sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking zodanig dat sprake was van medeplegen.”
3.4
Het hof heeft zijn oordeel over de bewezenverklaring onder andere gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:
“10. Een proces-verbaal van relaas inzake schending Ambtsgeheim raadsvoorstel OCC d.d. 23 juni 2020 […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – […]
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
4.3
E-mail [verdachte] met aantekeningen Op vrijdag 29 Juni 2018 om 21:50 uur mailde [verdachte] een bericht, gericht aan het emailadres van [wethouder naam 1] […]en in de '.Bcc' aan het privé e-mailadres van [medeverdachte] […]. In deze e-mail schreef [verdachte] dat hij de vier stukken had gelezen en dat hij foto's van zijn aantekeningen had gemaakt welke hij in de bijlagen Op de foto meestuurde. van de eerste pagina '' in de bijlage stond "Geheim WOB GEHEIM (,...)". Tevens was te zien dat (...) ernaast stond geschreven:"+ lid 1 sub c alleen collegeleden".
[…]
12. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 februari 2020 van de Rijksrecherche […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- […]
als de op 4 februari 2020 afgelegde verklaring van [getuige 1] :
V: Wat is uw functie binnen de gemeente Den Haag?A: Ik ben uitvoerend secretaris van het college van burgemeester en wethouders. (...) Dus op het moment dat de stukken moeten worden verspreid zorg ik daar ook voor.(…)O: Op vrijdag 29 juni 2018 werd bij diverse personen een envelop afgeleverd met diverse documenten.(…)V: Op welke documenten zat geheimhouding?(...) Voordat een college een besluit genomen heeft is alles op de agenda geheim. Dat zijn alle stukken die zijn meegestuurd. Alle stukken die erop staan zijn geheim.V: Dus als wij het goed begrijpen zijn alle stukken die in de envelop van [wethouder naam 1] zaten en zijn gestuurd, geheim. Klopt dat?A: Ja dat klopt. De agenda en de stukken van de collegevergadering zijn geheim. Tijdens de vergadering besluit het college over de voorliggende stukken. (…)(...)De stukken die geheim zijn gebleven zijn de Nota portefeuillehouder, het collegebesluit van het college over Onderwijs en Cultuurcomplex-Gebiedsontwikkeling Spuikwartier. Het raadsvoorstel en de commissiebrief zijn openbaar geworden. Het kan zijn dat bij het raadsvoorstel en de commissiebrief een aantal bijlagen zaten waar wel geheimhouding is opgelegd.Overigens is het zo dat normaliter de agenda en de daarbij behorende stukken en documenten digitaal in de vergader informatietool ‘ibabs’ worden gezet. (....) Binnen ibabs bestaat de mogelijkheid om bepaalde stukken te voorzien van een slot waardoor een beperkt aantal personen deze stukken mogen inzien. Alleen de collegeleden, bureau gemeentesecretaris en de gemeentesecretaris zelf.(...) mogelijkheid is analoge verzending. Dan wordt een stuk dus verspreid op papier, in een dichte envelop en wordt alleen aan de collegeleden, de gemeentesecretaris en de notulist afgegeven. Dit fysiek afgeven doen we omdat het de meest betrouwbare manier is van collegestukken verspreiden omdat je op deze manier deze stukken minder makkelijk verder kan verspreiden. (...) Het gebeurt heel zelden dat stukken fysiek worden verspreid. Het is namelijk een heel gevoelig document.(…).
[…]
14. Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 15 juli, 2020 van de Rijksrecherche […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- […]:
als de op 15 juli 2020 afgelegde verklaring van [wethouder naam 1] :
[…]
O: Wij tonen u een e-mail wat [betrokkene 3] op 26 juni 2018 om 16:52 uur verstuurde naar u en [verdachte] . Het onderwerp van deze e-mail is afspraken [wethouder naam 1] en [verdachte] inzake scopeuitbreiding Spuikwartier" (Bron: 2004231530.DOC).V: Wat kunt u over deze e-mail verklaren?A: Dit was een belangrijk onderdeel van het raadsvoorstel.Dit gaat over het uitwerken van de dekking in het raadsvoorstel. Het is van belang dat je dit met de wethouder financiën in dit geval was dat [verdachte] afstemt. Als ik het zo zie is dit ook de dekking die in het uiteindelijke raadsvoorstel is gekomen.V: Wat is er met de inhoud van deze e-mail gebeurd?A: Dit was de voorbereiding op het raadsvoorstel en is uiteindelijk onderdeel gaan uitmaken van het totale raadsvoorstel.V: Met wie mochten de geadresseerden van deze e-mail, deze e-mail delen?A: Dit is voorbereiding van besluitvorming voor het college, dit is vertrouwelijk en dit mag je alleen delen met collega wethouders en hun ondersteuning.O: Wij tonen u dit Raadsvoorstel (Bron: 2006031303.DOC).V: Wat kunt u hierover verklaren?A: Hieruit kun je opmaken dat de voorbereiding van de dekking zoals omschreven in de email is terug gekomen in het raadsvoorstelV: Wat was uw rol bij dit raadsvoorstel?A: Ik was verantwoordelijk wethouder voor het OCC, dat viel en valt in mijn portefeuille. (...)V: Dit Raadsvoorstel was tot de raadsvergadering van 12 juli 2018 nog geheim. Klopt dat?A: Nee, het was tot het collegevergadering geheim. Ik heb de datum in mijn agenda opgezocht en het de collegevergadering hierover was op 3 juli 2018.Ik wil nog meegeven dat in ons vergadersysteem IBABS, de data en de stukken van de collegevergaderingen staan. Ik laat u zien dat voor de stukken van de collegevergadering van het OCC van 3 juli 2018 een ‘slotje’ staat. Met dat slotje wordt het aantal personen die de stukken mogen inzien verkleind. Bovendien staat ernaast vermeld 'alleen collegeleden op papier'. Dit geeft aan hoe vertrouwelijk deze stukken zijn.(…)O: De eerder aan u getoonde e-mail van 26 juni 2018 te 16:52 uur die u naar u en naar [verdachte] is op 1 juli 2018 doorgestuurd naar / verstrekt aan iemand die werkzaam is in de vastgoedsector (Bron: 2004231530. DOC)V: Wat vindt u daarvan?A: Dat hoort niet.(…)In de voorbereiding is dit vertrouwelijk want het kan tot het college nog veranderen. En daarnaast geeft het inzicht over hoe wij met elkaar puzzelen om het project financieel dekkend te krijgen.V: Ons is gebleken dat [betrokkene 1] , directeur van [A] BV deze informatie heeft ontvangen. (...) Had [A] BV een rol bij de bouw van het OCC project?A: Volgens mij niet.”
Bespreking van de eerste deelklacht
3.5
De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat het e-mailbericht van 26 juni 2018 ‘enig geheim’ in de zin van art. 272 Sr is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dit oordeel ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat de uitzondering op het uitgangspunt van openbaarheid van raadsstukken uitsluitend bestaat indien expliciet geheimhouding is opgelegd op grond van de Gemeentewet, in samenhang met de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). De omstandigheid dat het raadsvoorstel nog geheim had kunnen worden verklaard, doet daar niet aan af, omdat de rechter slechts dient te toetsen of de geheimhoudingsplicht (volgens de formele regels) is opgelegd. Gelet op de inhoudelijke overeenkomst tussen de door de verdachte verzonden e-mail en het raadsvoorstel, zou dan ook geen geheimhouding kunnen gelden voor de e-mail, zo begrijp ik het middel.
3.6
De tenlastelegging is toegesneden op art. 272 Sr. Deze bepaling luidt:
“Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.”
3.7
Bij de beoordeling van de deelklacht is om te beginnen van belang dat art. 272 Sr strekt tot de bescherming van het vertrouwen dat door de openbaarmaking van geheimen wordt geschonden en beoogt te verzekeren dat vertrouwelijke gegevens worden bewaard.5.Onder ‘enig geheim’ in de zin van deze bepaling valt “informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve voor zover deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt”.6.Bij de beoordeling of van geheime gegevens sprake is, dient acht te worden geslagen op onder meer de aard van de informatie en het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg.7.
3.8
De stellers van het middel hebben bij het hof een beroep gedaan op de bij de gemeente Rotterdam gehanteerde notitie ‘Openbaar of geheim’ om te onderbouwen dat raadsvoorstellen in beginsel openbaar zijn. Deze notitie komt (in ieder geval grotendeels) overeen met art. 19 lid 2 Gemeentewet, dat voorschrijft dat voorafgaand aan de vergadering van de gemeenteraad de agenda en “de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de informatie waarop een verplichting tot geheimhouding rust (…) tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage [worden] gelegd”. Ook wijzen de stellers van het middel op de Wet openbaarheid van bestuur, waarbij zij kennelijk aannemen dat een raadsvoorstel een document is dat desgevraagd steeds op grond van de Wet openbaarheid van bestuur dient te worden verstrekt.8.
3.9
Het standpunt van de verdediging verdient op twee punten nuancering. Ten eerste was volgens de vaststellingen van het hof ten tijde van het verzenden van de e-mail nog geen sprake van een raadsvoorstel. De stand van zaken was dat een conceptraadsvoorstel was opgesteld dat nog niet was vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.9.Het voorstel had dus nog kunnen worden aangepast, zoals naar de vaststelling van het hof tekstueel ook is gebeurd. Het voorstel aan burgemeester en wethouders is vervolgens door het college geheim verklaard, waarbij overigens uit de vaststellingen van het hof niet blijkt of daaronder ook het conceptraadsvoorstel valt zoals dat aan het college oorspronkelijk was voorgelegd. Op conceptraadsvoorstellen of bijvoorbeeld bijlagen bij een collegevoorstel heeft art. 19 Gemeentewet geen betrekking. De verdediging heeft bij het hof niet gesteld dat de aangehaalde passages uit de notitie ‘Openbaar of geheim’ ook betrekkingen hebben op dergelijke concepten.
3.10
De tweede nuancering is dat openbaarheid van documenten over een bestuurlijke aangelegenheid niet zonder meer voortvloeide uit de destijds geldende Wet openbaarheid van bestuur. Die wet kende immers in art. 10 en 11 Wob (oud) een aantal (limitatieve) gronden om documenten niet te verstrekken.10.Het oordeel over het bestaan van deze gronden en, in geval van art. 10 lid 2 Wob (oud), de afweging van de daar genoemde gronden tegen het belang van de openbaarheid, kwam toe aan het bevoegde bestuursorgaan (art. 3 en 6 Wob (oud)). Bij documenten die onder burgemeester en wethouders berusten was het oordeel daarover dus aan het college en niet aan een individuele wethouder. In verband met het ten laste gelegde is in dat verband van belang dat art. 272 Sr niet strafbaar stelt het verstrekken van informatie in zijn algemeenheid, maar het verstrekken daarvan in strijd met een geheimhoudingsplicht. Voor de strafrechter is dus niet zo zeer van belang of een bepaald type gegevens in het algemeen openbaar is, maar of in het specifieke geval een geheimhoudingsplicht geldt.
3.11
Het middel berust op de opvatting dat geheimhouding van de door de verdachte verzonden e-mail slechts kan voortvloeien uit de wet. De stellers van het middel hebben het oog op art. 25 lid 211.(oud) Gemeentewet, dat ten tijde van het tenlastegelegde feit het college de bevoegdheid gaf geheimhouding op te leggen “ten aanzien van stukken die zij aan de raad overleggen”. Zoals hiervoor uiteengezet, was op dat moment echter nog geen sprake van een aan de raad overgelegd raadsvoorstel. Het hof noemt daarnaast nog art. 55 (oud) Gemeentewet, dat het college onder andere de bevoegdheid gaf geheimhouding op te leggen “omtrent de inhoud van de stukken die aan het college worden overgelegd”.12.Zoals eveneens hiervoor uiteengezet, heeft het college van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Voor beide bevoegdheden geldt echter dat deze geen directe betrekking hebben op een e-mail zoals genoemd in de tenlastelegging. Dit is immers geen aan de gemeenteraad of aan het college als zodanig overgelegd stuk.
3.12
Naast de mogelijkheid om op grond van de wet een geheimhoudingsplicht op te leggen, bestaat naar mijn mening echter ook ruimte voor een geheimhoudingsplicht die voortvloeit uit een ambt. De aanname dat gemeentelijke gegevens alleen geheim kunnen zijn na een expliciet besluit daarover, verdraagt zich niet met het beperkte bereik van de genoemde bepalingen uit de Gemeentewet en met het bestaan van belangen voor geheimhouding zoals die ook tot uitdrukking kwamen in art. 10 en 11 Wob (oud). Het verdraagt zich evenmin met de “politieke werkelijkheid van het gemeentebestuur” die, zo schrijft Munneke, “uiteraard ook allerlei vertrouwelijke mededelingen, informele besprekingen en interne communicatie [kent] waarvoor geen formele geheimhouding op de grond van de Gemeentewet geldt, maar die toch niet zonder meer bedoeld is om (op dat moment) openbaar te worden.“13.
3.13
Dit komt ook tot uitdrukking in bijvoorbeeld HR 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2855. In deze zaak had een wethouder op de avond van de moord van Pim Fortuijn de naam te horen gekregen van de verdachte van die moord. Nog diezelfde avond heeft hij deze naam doorverteld. Van een (bij besluit opgelegde) wettelijke geheimhoudingsplicht was geen sprake. Het hof oordeelde volgens de Hoge Raad echter terecht dat in deze vroege fase van het opsporingsonderzoek de identiteit van de verdachte als een geheim had te gelden, waarvan de wethouder uit hoofde van zijn ambt op de hoogte was gebracht.14.
3.14
Het hof heeft - kort gezegd - bewezenverklaard dat de verdachte een geheimhoudingsplicht heeft geschonden die op hem rustte vanwege een ambt. Van het onderdeel van de tenlastelegging dat de geheimhoudingsplicht voortvloeide uit een wettelijk voorschrift, heeft het hof de verdachte vrijgesproken.
3.15
Het oordeel van het hof dat “anders dan de verdediging kennelijk veronderstelt (…) het feit dat er (nog) geen geheimhouding was opgelegd op grond van de Gemeentewet, dus op zichzelf niet [betekent] dat er voor stukken of informatie geen geheimhouding als bedoeld in artikel 272 Sr kan gelden” getuigt in het licht van het bovenstaande niet van een onjuiste rechtsopvatting. Aan dit oordeel doet ook niet af dat het toepasselijke reglement van orde van het college van burgemeester en wethouders geen bepaling bevatte over geheimhouding van stukken.
3.16
Het hof heeft vervolgens de aard van de door de verdachte verstrekte informatie langs twee lijnen bepaald. Ten eerste heeft het hof vastgesteld dat het raadsvoorstel in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 3 juli 2019 nog geheim had kunnen worden verklaard (naar ik aanneem op grond van art. 25 lid 2 Gemeentewet). Openbaring van de inhoud van het raadsvoorstel voorafgaand aan die vergadering zou dit feitelijk onmogelijk maken. Ten tweede heeft het hof overwogen dat in de betreffende fase van beleidsvoorbereiding in het college een open overleg mogelijk moet zijn over veelal onvoldragen standpunten en voorstellen. Dit wordt gefrustreerd als de standpunten van enkele wethouders, waarover het college nog moest beraadslagen, naar buiten worden gebracht.
3.17
Voor zover het middel zo moet worden gelezen dat daarin ook de begrijpelijkheid van deze oordelen wordt bestreden, breng ik het volgende naar voren.
3.18
Wat de eerstgenoemde grond voor het aannemen van een (ambts)geheim betreft, is de vaststelling van het hof dat het raadsvoorstel nog geheim had kunnen worden verklaard in cassatie niet bestreden. Dat het hof daaruit een belang heeft afgeleid om over een dergelijk voorstel aan onbevoegden geen mededelingen te doen voordat de beslissing over geheimhouding is genomen, acht ik niet onbegrijpelijk. Dit belang ligt besloten in de doelstelling van de destijds geldende wettelijke geheimhoudingsregeling.
3.19
Wat de tweede grond betreft, sluit het hof aan bij het belang dat ook ten grondslag ligt aan het door het hof in zijn overwegingen genoemde art. 54 lid 1 Gemeentewet. Volgens deze bepaling zijn vergaderingen van het college van burgemeester en wethouders in beginsel besloten. De memorie van toelichting bij de invoering van deze bepaling hield onder andere het volgende in:
“Hoewel ook bij de beleidsvoorbereiding waar mogelijk naar openbaarheid moet worden gestreefd, is er een fase in de beleidsvoorbereiding waarin open overleg over veelal nog zeer onvoldragen standpunten en voorstellen noodzakelijk is. Deze situatie doet zich vooral met betrekking tot het college van burgemeester en wethouders veelvuldig voor. In dergelijke gevallen zou openbaarheid van het beraad remmend kunnen werken.In dit verband zij erop gewezen dat ook de Wob ten aanzien van stukken die zijn opgesteld met het oog op de hiervoor genoemde vormen van beraad een uitzondering op de openbaarmakingsplicht inhoudt. Op grond daarvan is in artikel 54 gekozen voor het in beginsel handhaven van het huidige stelsel van beslotenheid van de vergaderingen van het college van burgemeester en wethouders …”15.
3.20
De memorie van toelichting trekt daarmee een parallel met art. 11 Wob (oud). Volgens het eerste lid van deze bepaling wordt “[i]n geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, (…) geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.” Dergelijke gegevens zijn dus in beginsel niet openbaar. De daardoor ontstane mogelijkheid om zonder consequenties standpunten en ideeën te onderzoeken, komt de kwaliteit van de beleidsvorming ten goede. Het voorkomt ook dat (de opvattingen van) ambtenaren in politieke discussies worden betrokken. Het doet bovendien recht aan het gegeven dat politici slechts verantwoordelijk zijn voor de opvattingen die zij voor hun rekening kunnen en willen nemen en niet voor hun eerste ingevingen of voor opvattingen die niet door de collegiale besluitvorming zijn gekomen.16.Voor art. 11 Wob (oud) maakt het daarbij niet uit of de persoonlijke beleidsopvattingen wel het uiteindelijke standpunt van de betrokkene blijken weer te geven.17.Onder documenten opgesteld voor intern beraad kunnen ook samenvattingen en conclusies van interne besprekingen vallen.18.
3.21
Het hof heeft het belang dat aan deze bepaling ten grondslag ligt in zijn oordeel betrokken.19.Dit heeft het hof kunnen doen, aangezien dit in het recht erkende belangen zijn die reden kunnen zijn de verspreiding van informatie te beperken.20.
3.22
In verband met de begrijpelijkheid en toereikendheid van ’s hofs oordeel wijs ik er samenvattend op dat het hof in het bestreden arrest onder meer heeft vastgesteld dat de verdachte op 29 juni 2018 een dichte envelop heeft ontvangen met onder meer een (concept)besluit van het college getiteld ‘Besluit College’ met daarop: ‘Geheim’ en als onderwerp: ‘Onderwijs- en Cultuurcomplex - gebiedsontwikkeling Spuikwartier’ (bewijsmiddel 10), en een (concept) ‘Raadsvoorstel van het college’ inzake het OCC over scopeuitbreiding van het OCC, de stijging van de investering daardoor met € 20 miljoen en de wijze waarop voor die € 20 miljoen dekking beschikbaar is. Het hof heeft verder vastgesteld dat de e-mail die de verdachte aan [betrokkene 1] heeft doorgestuurd informatie bevatte, te weten de standpunten van de beide wethouders over de wijze van dekking van de scope-uitbreiding, die een belangrijk onderdeel van het betreffende raadsvoorstel is geworden. Daarbij heeft het hof over de hoedanigheid van de verdachte overwogen dat hij een eed als wethouder heeft afgelegd, dat voor hem een gedragscode geldt en dat hij als wethouder functioneerde binnen het college, terwijl dit college verantwoordelijk is voor een “open en eerlijk overleg” en voor de besluitvorming over de geheimhouding van het raadsvoorstel.
3.23
Het hof komt vervolgens tot het oordeel dat de verdachte deze e-mail niet mocht doorsturen aan derden, niet-collegeleden. Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de informatie in de e-mail, op dat moment voorafgaand aan de vergadering van het college, moet worden aangemerkt als informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve voor zover deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof heeft bij zijn oordeel ook kunnen betrekken dat het college op het moment dat de verdachte de e-mail doorstuurde nog geen beslissing had kunnen nemen over het opleggen van een geheimhoudingsplicht ten aanzien van de ook in die e-mail vervatte informatie.
3.24
Ik wijs er tot slot nog op dat in aansluiting hierop uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de uitvoerend secretaris van het college van burgemeester en wethouders heeft verklaard dat voordat een college een besluit heeft genomen alles op de agenda geheim is en dat hieronder ook alle stukken vallen die zijn meegestuurd (bewijsmiddel12), alsmede dat dit wordt bevestigd door de andere wethouder die was betrokken bij het overleg dat heeft geleid tot het opstellen van de doorgezonden e-mail (bewijsmiddel 14).
3.25
Dat betekent dat de eerste deelklacht faalt.
Bespreking van de tweede deelklacht
3.26
De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest vermoeden” dat de inhoud van het e-mailbericht van 26 juni 2018 enig geheim betrof dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was te bewaren, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd. De stellers van het middel voeren in de toelichting op deze deelklacht onder meer aan dat in deze “elke vorm van aanduiding mededeling of begeleidende context waaruit rekwirant moest of had kunnen afleiden dat de betreffende informatie uit het e-mailbericht een geheim betrof”.
3.27
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte de e-mail, die informatie bevatte die een belangrijk onderdeel van het betreffende raadsvoorstel is geworden, niet mocht doorsturen aan derden, niet-collegeleden en dat hij derhalve redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij uit hoofde van zijn wethouderschap verplicht was om deze e-mail op dat moment geheim te houden totdat in het college over het raadsvoorstel zou zijn gesproken en totdat over de geheimhouding door het college negatief zou zijn beslist. Het hof heeft daarbij onder meer in aanmerking genomen dat deze e-mail zag op dezelfde kwestie als het raadsvoorstel en dat de verdachte het raadsvoorstel met de andere stukken in een gesloten envelop had ontvangen waarop ‘geheim’ stond. Het hof heeft er voorts op gewezen dat de verdachte had moeten begrijpen dat het voor een goede geheimhoudingsbeslissing belangrijk was dat de burgemeester en wethouders over de inhoud van het (mogelijke) raadsvoorstel als eersten (en enigen) kennis konden nemen. Het mede hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt als wethouder van de gemeente Den Haag, verplicht was om de e-mail geheim te houden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het hof is voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.28
Dat betekent dat de tweede deelklacht faalt.
Bespreking van de derde deelklacht
3.29
De derde deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het schenden van het ambtsgeheim als bedoeld in art. 272 Sr. Daartoe wordt aangevoerd dat “de betreffende informatie werd gedeeld binnen een gesloten, partijpolitiek overlegkader en zodoende uitdrukkelijk niet met het oogmerk om een geheim prijs te geven.” In dat verband wijzen ze erop dat [betrokkene 1] als adviseur deel uitmaakte van de klankbordgroep en dat hij in die hoedanigheid ook eerder betrokken was geweest bij de coalitieonderhandelingen over het OCC-dossier. Zie ik het goed, dan heeft deze klacht niet zozeer betrekking op het bewezenverklaarde opzet, maar op de door het hof gegeven uitleg en de motivering van het bestanddeel ‘schenden’ als bedoeld in artikel 272 Sr.
3.30
De Hoge Raad heeft in een arrest van 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:523 overwogen dat “uit de wetsgeschiedenis volgt dat het ‘schenden’ van een geheim in de zin van artikel 272 Sr moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is.”
3.31
Het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat [betrokkene 1] lid van de klankbordgroep was, niet maakt dat hij tot de kring behoorde met wie de verdachte de e-mail mocht delen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] geen ambtenaar was binnen de gemeente met betrokkenheid bij het OCC-project en dat hij niet was beëdigd of zelf tot (verdere) geheimhouding was verplicht. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte de e-mail met geheime informatie heeft verstrekt aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is. Daarmee heeft het hof ook het standpunt van de verdediging verworpen dat erop neerkomt dat de verdachte naar eigen inzicht de kring van gerechtigden tot de informatie mocht uitbreiden, zonder instemming van het gemeentebestuur en zonder waarborgen die verdere verspreiding tegengaan. Dat oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.32
De derde deelklacht faalt en daarmee faalt het eerste middel in zijn geheel.
4. Het tweede middel
4.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof de verwerping van het beroep op overmacht noodtoestand onbegrijpelijk, althans ontoereikend heeft gemotiveerd.
4.2
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2024 hebben de raadslieden van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang in (met weglating van een voetnoot):
“424 (…) - Dit het meest politiek gevoelige dossier betrof waar al tijdens de coalitieonderhandelingen uitgebreid over is gesproken, waarbij de in eerste aanleg door de verdediging geschetste context er wel degelijk toe doet. Na de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heelt de enquêtecommissie Amare gerapporteerd: ‘Amare staat er nu; de wijze waarop de besluitvorming door de jaren heen tot stand is gekomen, is absoluut niet vlekkeloos verlopen. De komst van Amare is het meest politiek gevoelige dossier van de afgelopen 20 jaar gebleken.’ (bijlage 2). Het bevestigt het standpunt van [medeverdachte] en [verdachte] dat dit het meest gevoelige dossier betrof. (…) - Mocht uw hof - anders dan de rechtbank - oordelen dat [medeverdachte] en/of [verdachte] wél hun ambtsgeheim hebben geschonden, dan stelt de verdediging zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van de rechtvaardigingsgrond overmacht in noodtoestand, en dat [medeverdachte] en/of [verdachte] ontslagen dienen te worden van alle rechtsvervolging. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat deze grond aan de orde kan komen bij schending van het ambtsgeheim en dat daarbij door de strafrechter dient te worden beoordeeld of en in hoeverre de niet naleving van de geheimhoudingsplicht in het concrete geval kan worden gerechtvaardigd op grond van de door de verdachte gediende belangen. Uit de inhoud van de pleitnotitie in eerste aanleg volgt dat [medeverdachte] en [verdachte] handelden zoals zij hebben gehandeld, doordat het om gigantische bedragen ging (elf miljoen euro extra), en [medeverdachte] en [verdachte] aan hun water voelden dat er iets niet klopte. Het betrof het politiek meest gevoelige dossier. Daarbij hebben zij de - voor noodtoestand vereiste - proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen, door slechts te delen met (een klein deel van de) klankbordgroep. Om zo tot een afgewogen beslissing te kunnen komen over dit gigantische bedrag.
(…)
428. Voordat wordt ingegaan op de concrete verdenking van het schenden van het ambtsgeheim, is het goed om stil te hebben gestaan bij wat eerder in dit pleidooi reeds naar voren is gebracht en waar niet zomaar aan voorbij kan worden gegaan. In de politiek is hef usance dat er ruggespraak wordt gehouden met de achterban, zeker bij de meest belangrijke en gevoelige onderwerpen die spelen. Allereerst om het simpele gegeven dat dit vanzelfsprekend je achterban is en je hen op de. hoogte wilt houden van, en wilt meenemen in, belangrijke beslissingen die zullen moeten worden genomen. Ten tweede is dat omdat een specifiek en deskundig deel van je achterban veel, zo niet meer, weet van de materie waarover beslissingen moeten worden genomen. Een bepaald deel van de achterban kan daarmee als geen ander inschattingen maken, adviezen geven en meedenken over het besluitvormingsproces.
429. De verdediging realiseert zich terdege dat het feit dat het in de politiek usance is om ruggespraak bij de achterban te houden, niets zegt over mogelijk gepleegde ambtsmisdrijven, zoals schending van het ambtsgeheim. Het doet echter geen recht aan de daadwerkelijke politieke situatie in Nederland om hier volledig aan voorbij te gaan: Feit is dat politieke partijen contact onderhouden met hun achterban over belangrijke te nemen beslissingen.”
4.3
Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2024 heeft de raadsman verder onder andere nog het volgende aangevoerd:
“Met betrekking tot de schending ambtsgeheim heeft de verdediging subsidiair een beroep op overmacht gedaan. Ten aanzien van het OCC waren de belangen groot. Het ging om veel geld. Uitgangspunt bij het beroep op overmacht is dat het aan rechter is om te beoordelen of en in hoeverre niet-naleving van de geheimhoudingsplicht kan worden gerechtvaardigd op grond van de belangen die cliënt en [medeverdachte] moeten dienen. Er was sprake van een belangenconflict. Volgens het openbaar ministerie moet vaststaan dat de verdachte alternatieve wegen heeft gezocht. Dat zou volgen uit een uitspraak uit 2015. In dat arrest wordt echter slechts overwogen dat niet is gezocht naar alternatieve wegen en dat dit moet meewegen bij de vraag of sprake was van een acute noodsituatie. Het is dus geen keiharde eis dat moet zijn gezocht naar een alternatieve weg. Ik verwijs naar de feiten en omstandigheden zoals die in het pleidooi zijn benoemd met betrekking tot het OCC, waaronder de volgende twee. Ten eerste dat [medeverdachte] en [verdachte] aan hun water aanvoelden dat iets niet klopte. Dat. dit zo was blijkt al uit het latere onderzoek door de raadsenquêtecommissie. Daarnaast geldt dat zij nieuwbakken wethouders waren en dat alles onder hoge tijdsdruk plaatsvond. Kan gelet hierop, gesproken worden van een acute noodsituatie? De verdediging meent van wel. [medeverdachte] en [verdachte] handelden vervolgensop een proportionele wijze, door slechts de informatie te delen met een paar leden van de klankbord groep die geen belang hadden bij het. OCC. Er was een gerechtvaardigd belang gediend van de stad Den Haag.”
4.4
Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende overweging opgenomen:
“Beroep op overmacht
Het hof stelt voorop dat een beroep op overmacht in noodtoestand slechts kan slagen wanneer sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele concrete nood, bestaande uit een belangenconflict, en die geëigend is om daaraan een einde te maken. Daarbij geldt dat het gedrag aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit dient te voldoen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit zou volgen dat sprake was van een noodtoestand, in die zin dat het beroep van de verdachte op overmacht gehonoreerd moet worden. Dat het om gigantische bedragen ging, hij of [medeverdachte] aanvoelde dat er misschien iets niet klopte (wat daar verder ook van zij nu niet is gebleken dat het (concept-)collegebesluit of het raadsvoorstel is tegengehouden) en daarom bereid was informatie te geven aan leden van de klankbordgroep, is daarvoor niet voldoende.
Het verweer wordt verworpen on het in zoverre bewezenverklaarde levert een strafbaar feit op.”
4.5
Bij de beoordeling van een beroep op noodtoestand in de zin van noodtoestand moet worden vooropgesteld dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen - in het algemeen gesproken - dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren.21.Voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand dient het beroep te voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het belang dat met de wetsovertreding wordt gediend, moet zwaarder wegen dan het belang dat met wetsconform handelen is gediend en er was geen redelijk alternatief. In het geval als het onderhavige zal de rechter, indien een beroep op noodtoestand wordt gedaan, moeten beoordelen of en in hoeverre de niet naleving van de geheimhoudingsplicht kan worden gerechtvaardigd op grond van de door de verdachte gediende belangen.22.
4.6
Het hof heeft het beroep op noodtoestand beoordeeld tegen de achtergrond van zijn overwegingen over de geheimhoudingsplicht. Zoals hiervoor uiteengezet, heeft het hof aan de geheimhoudingsplicht twee belangen ten grondslag liggen. Ten eerste de goede werking van de wettelijke geheimhoudingsregeling. Ten tweede het beschermen van de kwaliteit van de interne besluitvorming van het college van burgemeester en wethouders. Zoals samengevat in de toelichting op het middel heeft de verdediging het belang van de “politieke interne besluitvorming” binnen de partij van de verdachte daartegenover gesteld.
4.7
Het hof heeft in het bestreden arrest de in de rechtspraak geformuleerde maatstaf, zij het in iets andere bewoordingen, vooropgesteld. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit zou volgen dat sprake was van een noodtoestand. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat namens de verdachte in hoger beroep over de respectievelijke zwaarte van de belangen niet meer is aangevoerd dan dat het om gigantische bedragen en om een politiek meest gevoelig dossier ging en dat [medeverdachte] en de verdachte aan hun water voelden dat er iets niet klopte Zonder nadere toelichting kunnen deze omstandigheden echter evengoed het belang onderbouwen van een besluit tot geheimhouding van het raadsvoorstel en van een kwalitatief goede besluitvorming binnen het college. Het hof heeft vervolgens (kennelijk) geoordeeld en kunnen oordelen dat die omstandigheden niet maakten dat er sprake was van een noodtoestand. Ik merk daarbij op dat het hof terecht geen betekenis heeft toegekend aan de stelling dat het “usance [is] dat er ruggespraak wordt gehouden met de achterban, zeker bij de meest belangrijke en gevoelige onderwerpen die spelen”. Van noodtoestand kan immers alleen sprake zijn als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval.
4.8
Het tweede middel faalt.
5. Afronding
5.1
Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑11‑2025
De naam van deze partij is voor de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart 2018 gewijzigd in ‘ [...] .
Vgl. HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1070., NJ 1995/662.
HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1197, rov. 3.2.2.
HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2855.
In dit verband zou ook genoemd kunnen worden de in art. 169 lid 2 en 3 Gemeentewet genoemde verplichting van het college van burgemeester en wethouders om (desgevraagd) inlichtingen te verstrekken aan de gemeenteraad. Meer hierover in E.J. Daalder, Handboek openbaarheid van bestuur, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 18-23. Munneke stelt in zijn algemeenheid dat openbaarheid het uitgangspunt is van het openbare bestuur, zie S.A.J. Munneke, ‘art. 87, aant 2.2 Openbaarheid als uitgangspunt’, in: S.A.J Munneke (red.), De Gemeentewet en haar toepassing (GMT), Deventer: Wolters Kluwer (online: actueel tot en met 2 augustus 2024).
Deze wet is met de inwerkingtreding van de Wet open overheid (Woo) op 1 mei 2022 ingetrokken, Stb. 2021, 499.
Dat maak ik tenminste op uit de omschrijving van de wettelijke bevoegdheid in punt 11 van de toelichting op het middel. Feitelijk wordt genoemd het eerste lid van dit artikel.
Beide artikelen zijn met de inwerkingtreding van de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur op 1 april 2023 komen te vervallen (wet van 13 oktober 2022, Stb. 2022, 444). Sinds 1 april 2023 is een vergelijkbare regeling te vinden in art. 87-89 Gemeentewet.
S.A.J. Munneke, in: De Gemeentewet en haar toepassing, art. 87 Gemeentewet, aant. 1.2. In dezelfde zin S.A.J. Munneke, ‘De reikwijdte van gemeentelijke geheimhoudingsplichten’, Gemeentestem 2006/11 en Daalder, a.w., p. 60.
Vgl. ook HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2422 (art. 81 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Hofstee.
Daalder, a.w., p. 484-487.
AbRvS 3 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0394.
Daalder, a.w., p. 466.
Dit belang kan ook reden zijn voor het college om niet te voldoen aan de in noot 8 genoemde verplichting inlichtingen te verstrekken aan de gemeenteraad, zie Daalder, a.w., p. 38 en 54. Art. 5.2 Woo kent een iets aangescherpte weigeringsgrond voor persoonlijke beleidsopvattingen in documenten voor intern beraad.
Volgens de ten tijde van het tenlastegelegde geldende art. 23 en 55 (oud) Gemeentewet mocht geheimhouding alleen worden opgelegd door de raad respectievelijk het college op grond van een belang, genoemd in artikel 10 Wob (oud). Aan het gegeven dat art. 11 Wob (oud) hier niet wordt genoemd, zou ik niet a contrario de conclusie willen verbinden dat het belang dat aan dit artikel ten grondslag ligt niet mede een geheimhoudingsplicht in het leven kan roepen. Temeer omdat de weigeringsgrond van art. 10 lid 2 sub g Wob (oud), het voorkomen van onevenredige benadeling, zo kan worden uitgelegd dat intern beraad van de overheid daaronder valt. Zie Daalder, a.w., p. 453.
Voor het eerst aangenomen in HR 15 oktober 1923, ECLI:NL:HR:1923:243 (Opticien). Zie ook HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7938 en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5967.
HR 17 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4610.
Beroepschrift 14‑05‑2025
AANVULLING
Cassatieschriftuur
Zaak | : | [verdachte] / OM |
Advocaten | : | mrs. J.L. L'Homme en J.E. Kötter |
Schriftuur houdende twee middelen van cassatie in de zaak van:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ([land])
Rekwirant van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het Gerechtshof Den Haag uitgesproken op 21 juni 2024 met parketnummer 22/001372-23
In de reeds ingediende schriftuur d.d. 12 mei 2025 is verwezen naar het reglement van orde van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, waarbij per abuis het reglement uit 2020 is bijgevoegd (RIS 304604). Deze bijlage ziet niet op de periode waarin rekwirant als wethouder actief was. In die periode gold het reglement van orde zoals vastgesteld op 1 juli 2014 (RIS 274064). Hierbij wordt dit reglement alsnog als bijlage gevoegd (bijlage 1).
In artikel 1, vierde lid, van het Reglement van Orde 2014 is bepaald dat ‘de vergaderingen worden gehouden in beslotenheid’. Van een algemene geheimhouding van de agenda of bijbehorende stukken is echter geen sprake. Deze bepaling impliceert enkel dat de beraadslagingen van het college niet openbaar plaatsvinden. In het reglement uit 2014 ontbreekt iedere bepaling waaruit volgt dat ook de agenda of de bijbehorende stukken automatisch als geheim zijn aan te merken.
Pas in het reglement van orde zoals vastgesteld op 18 februari 2022 (RIS 304604) is in artikel 2, derde lid, opgenomen:
‘De agenda en de bijbehorende vergaderstukken zijn geheim. In de vergadering worden voorstellen tot opleggen geheimhouding bij afzonderlijke vergaderstukken al dan niet bekrachtigd.’
Deze bepaling is een toevoeging ten opzichte van het eerdere reglement en gold derhalve niet in de periode waarin het vermeende strafbare feit heeft plaatsgevonden. Het college van burgemeester en wethouders beschikte destijds slechts over de mogelijkheid om voor specifieke stukken geheimhouding op te leggen, hetgeen moest geschieden conform de Gemeentewet jo. artikel 10 van de toen geldende Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Dat een stuk geheim kan worden verklaard, betekent niet dat het bij voorbaat geheim is. Rekwirant merkt dit aan als een relevant gegeven in de beoordeling of sprake was van een ‘enig geheim’ als bedoeld in artikel 272 Sr, te meer daar de expliciete grondslag om agenda's en vergaderstukken als geheim aan te merken, ten tijde van het handelen van rekwirant eenvoudigweg ontbrak.
Rekwirant persisteert bij de reeds op 12 mei 2025 ingediende schriftuur en verzoekt Uw Raad acht te slaan op deze nadere aanvulling, waaronder de juiste versie van het toepasselijke reglement van orde.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. J.L. L'Homme en J.E. Kötter, kantoor houdende te (1071 VG) Amsterdam aan de Roelof Hartstraat 31, die hierbij verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Amsterdam, 14 mei 2025
mr. J.L. L'Homme en mr. J.E. Kötter, raadslieden
Beroepschrift 12‑05‑2025
Cassatieschriftuur
Zaak | : | [verdachte] / OM |
Advocaten | : | mrs. J.L. L'Homme en J.E. Kötter |
Zaaknummer | : | 24/02530 |
Schriftuur houdende twee middelen van cassatie in de zaak van:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ([land])
Rekwirant van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het Gerechtshof Den Haag uitgesproken op 21 juni 2024 met parketnummer 22/001372-23
Inleidende opmerkingen
In zaken met een uitzonderlijk karakter kan het in cassatie vanuit de zijde van rekwirant functioneel zijn om een algemene context te schetsen, waarbinnen de schriftuur gelezen dient te worden. Voor Uw Raad ligt de schriftuur in de strafzaak tegen één van de twee Haagse oud-wethouders. Wat door het Openbaar Ministerie werd gepresenteerd als een grootschalige corruptiezaak (met zware beschuldigingen, waaronder deelname aan een criminele organisatie, omkoping en verduistering), mondde uit in een integrale vrijspraak in eerste aanleg. In hoger beroep achtte het hof slechts één van de vijf aan rekwirant ten laste gelegde feiten ten dele bewezen, te weten: het schenden van het ambtsgeheim door het doorsturen van een e-mailbericht van 26 juni 2018 aan [betrokkene 1], welke lid was van de klankbordgroep van de politieke partij van rekwirant. Het hof kwalificeerde dit als ‘een verkeerde keuze’, en paste — alles afwegende — artikel 9a Sr toe: rekwirant werd schuldig bevonden, doch werd aan hem geen straf of maatregel opgelegd.
Dat rekwirant de betreffende e-mail op 1 juli 2018 heeft doorgestuurd aan [betrokkene 1], is tijdens de feitenbehandeling op geen enkel moment betwist. In cassatie staat de vraag centraal of deze handeling een schending van het ambtsgeheim in de zin van artikel 272 Sr oplevert.
Voor een juiste duiding van die vraag acht de verdediging het van toegevoegde waarde om het bijzondere karakter van deze zaak te schetsen. De feiten spelen zich af binnen het meest politiek gevoelige dossier van de gemeente Den Haag van de afgelopen decennia: de totstandkoming van het Onderwijs- en Cultuurcomplex, inmiddels bekend als ‘Amare’. Dat dit dossier van meet af aan beladen was, blijkt uit het feit dat het onderwerp reeds expliciet werd besproken tijdens de coalitieonderhandelingen en dat daarover politieke afspraken zijn gemaakt die niet in het coalitieakkoord zijn opgenomen. Na de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft ook de enquêtecommissie Amare gerapporteerd dat de besluitvorming ‘absoluut niet vlekkeloos’ is verlopen, en dat Amare ‘het meest politiek gevoelige dossier van de afgelopen twintig jaar’ is gebleken. Dit bevestigt wat rekwirant en medeverdachte [medeverdachte] steeds hebben benadrukt: dat dit dossier zich in een uitzonderlijk bestuurlijk spanningsveld bevond waarin politieke afstemming onvermijdelijk was.
Wat in deze zaak onder de loep ligt, is één enkele e-mail die [verdachte] — destijds wethouder — op 26 juni 2018 ontving van een ambtenaar ([betrokkene 3]), zonder enige aanduiding van geheimhouding of vertrouwelijkheid. De inhoud betrof afspraken tussen twee wethouders over de dekking van een voorgenomen scopeuitbreiding. Slechts twee documenten in dit besluitvormingstraject waren als geheim aangemerkt: het concept-collegebesluit en de nota portefeuillehouder. Het raadsvoorstel zelf — waarin de afgesproken dekking is opgenomen — is op geen enkel moment als geheim aangemerkt, juist omdat het belangrijkste doel van het raadsvoorstel was om de Raad te vragen om extra middelen vrij te maken voor de bouw van het Onderwijs- en Cultuurcomplex. Uit de gemeentelijke notitie Openbaar of geheim, waarnaar door de verdediging in haar pleitnotitie is verwezen, blijkt dat raadsvoorstellen openbaar zijn, tenzij het college expliciet anders beslist. Van een dergelijk besluit is nooit sprake geweest.
Het proces werkt bovendien zo dat wethouders voorafgaand aan een collegevergadering aangeven of een stuk geheim is, door op de desbetreffende stukken te vermelden dat geheimhouding geldt. Rekwirant wist in dat verband, mede door de eerdere overleggen met de desbetreffende wethouder, dat het voorstel openbaar zou worden en heeft in die context gehandeld. Het e-mailbericht zag derhalve op een onderdeel van een raadsvoorstel waarvan rekwirant wist dat dit openbaar zou worden. Het belangrijkste doel van het raadsvoorstel was immers om de Raad te laten besluiten extra geld vrij te maken voor de bouw van het Onderwijs- en Cultuurcomplex. Dat doet de Raad door alle aspecten in de openbaarheid te bespreken, waarna in de openbaarheid over het raadsvoorstel gestemd zal worden. Het delen van die informatie binnen de klankbordgroep — waarin [betrokkene 1] zitting had — vond plaats in het kader van interne politieke afstemming: iets wat noodzakelijk is voor een zorgvuldige politieke besluitvorming.
Waar het, wat rekwirant betreft, in de kern in deze strafzaak om gaat, is dat rekwirant geen vertrouwelijke of geheime informatie heeft gedeeld, maar dat het tegendeel waar is: rekwirant heeft informatie die — conform de gemeentelijke praktijk en het systeem van de Gemeentewet en de Wet openbaarheid van bestuur (openbaar, tenzij) — bestemd was om openbaar te worden gemaakt met een lid van de klankbordgroep van zijn politieke partij gedeeld. In een politiek-bestuurlijke context waarin afstemming met partijgenoten legitiem en functioneel was, heeft rekwirant gehandeld binnen de grenzen van zijn ambt. Essentieel punt in dat verband is dat het betreffende e-mailbericht geen geheim was, en ook nooit als geheim is aangemerkt of formeel geheim is verklaard. Er is geen sprake van een geheimhoudingsbesluit voorafgaand aan of tijdens de collegebehandeling, en ook het raadsvoorstel waarop de e-mail zag, is op geen enkel moment als geheim aangemerkt. De informatie betrof de financiële dekking van een beleidsvoorstel binnen de gemeentelijke begroting — welke op grond van de geldende regels — altijd openbaar is. Er is derhalve, in de visie van rekwirant, geen sprake van een (strafbare) schending van een ambtsgeheim, waarbij geldt dat het oordeel van het hof om de hierna te noemen redenen geen stand kan houden.
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 350, 358, 359 in verbinding met artikel 415 Sv geschonden, doordat het hof heeft bewezenverklaard dat rekwirant ‘enig geheim waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht is het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden’, waarbij het hof in het bijzonder heeft geoordeeld:
- 1)
Dat het e-mailbericht, van 26 juni 2018, ‘enig geheim’ is in de zin van artikel 272 Sr, hetgeen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd.
- 2)
Dat rekwirant ‘wist of redelijkerwijs moest vermoeden’ dat de inhoud van het e-mailbericht van 26 juni 2018 enig geheim betrof dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was te bewaren, hetgeen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd.
- 3)
Dat rekwirant (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het schenden van het ambtsgeheim als bedoeld in artikel 272 Sr, hetgeen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel — mede in het licht van de uitdrukkelijk gevoerde verweren — ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd.
Toelichting
1.
In het kader van het onderhavige middel wordt vooropgesteld dat het (blijkens HR:2005:AS:4610 en later ook onder meer bevestigd in HR:2022:1073) niet aan de strafrechter is om te beoordelen of de in artikel 272 Sr bedoelde geheimhoudingsplicht terecht aan een verdachte is opgelegd. De taak van de strafrechter is beperkt tot een onderzoek naar de vraag of de aan de verdachte opgelegde geheimhoudingsplicht formeel in overeenstemming is met de wettelijke regeling waarop de geheimhoudingsplicht is gebaseerd.
2.
Artikel 272 Sr strekt tot de bescherming van het vertrouwen dat door de openbaarmaking van geheimen wordt geschonden en beoogt te verzekeren dat vertrouwelijke gegevens worden bewaard.1. Het ‘schenden’ van een geheim in de zin van artikel 272 Sr moet, blijkens de wetsgeschiedenis, worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot de kennisneming daarvan onbevoegd is.2. Bij de beoordeling of van geheime gegevens sprake is, dient acht te worden geslagen op onder meer de aard van de informatie en het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg.3. De aard van de informatie kan van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een geheim in de zin van artikel 272 Sr. In voorkomende gevallen kan immers (mede) uit de aard van de informatie worden afgeleid dat deze een geheim karakter draagt.4. Dat een deel van de verschafte informatie op andere wijze zou kunnen worden verkregen door degene met wie de gegevens zijn gedeeld, of dat deze persoon van deze gegevens reeds op de hoogte was, betekent niet dat geen sprake meer kan zijn van het schenden van een geheim als bedoeld in artikel 272 Sr.5.
3.
Het hof heeft — samengevat en voor zover voor de beoordeling van dit middel relevant — onder feit 1 bewezen verklaard dat rekwirant op 1 juli 2018 opzettelijk een geheim heeft geschonden waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat hij daartoe uit hoofde van zijn ambt als wethouder van de gemeente Den Haag tot geheimhouding verplicht was. Dit omdat rekwirant een e-mailbericht heeft gedeeld met een lid van de klankbordgroep. Het betreffende e-mailbericht bevatte onderdelen van het raadsvoorstel.
4.
Ter terechtzitting heeft de verdediging in dat kader onder meer ter inleiding, onder randnummer 424, het navolgende aangevoerd:
‘Ten aanzien van de stukken met betrekking tot OCC / Amare geldt dat:
- —
Niet vastgesteld kan worden dat [medeverdachte] en [verdachte] gehandeld hebben in strijd met een wettelijk voorschrift. Evenmin is gebleken dat [medeverdachte] en [verdachte] hebben gehandeld in strijd met hun ambtsgeheim. Daartoe zijn een aantal aspecten van belang.
- —
Dit het meest politiek gevoelige dossier betrof waar al tijdens de coalitieonderhandelingen uitgebreid over is gesproken, waarbij de in eerste aanleg door de verdediging geschetste context er wel degelijk toe doet. Na de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft de enquêtecommissie Amare gerapporteerd: ‘Amare staat er nu; de wijze waarop de besluitvorming door de jaren heen tot stand is gekomen, is absoluut niet vlekkeloos verlopen. De komst van Amare is het meest politiek gevoelige dossier van de afgelopen 20 jaar gebleken.’ (bijlage 2). Het bevestigt het standpunt van [medeverdachte] en [verdachte] dat dit het meest gevoelige dossier betrof.
- —
In de mail die [verdachte] op 26 juni 2018 ontving van [betrokkene 3] niets wordt benoemd over vertrouwelijkheid.
- —
Er gold slechts geheimhouding voor het concept-besluit en de nota portefeuillehouder.
- —
[verdachte] heeft het raadsvoorstel gedeeld met [betrokkene 1], omdat deze plaatsnam in de klankbordgroep. Dit raadsvoorstel is op geen enkel moment geheim geweest. Sterker nog, uit de notitie Openbaar of geheim6. die is bedoeld als praktische handreiking voor medewerkers van de gemeente blijkt dat in beginsel ‘alle raadsstukken, dus ook raadsvoorstellen en alle bijlagen, openbaar zijn’. Het college kan op grond van de Gemeentewet en artikel 10 WOB geheimhouding opleggen. Daar was geen sprake van.
- —
Alleen het college kan in gezamenlijke zitting besluiten dat er geheimhouding op een besluit wordt gelegd; daar was geen sprake van. [medeverdachte] heeft geen geheim stuk gedeeld, waardoor er geen sprake kan zijn van schending van het ambtsgeheim.’’
5.
Voorts heeft de verdediging, vanaf randnummer 434 van de pleitnota in eerste aanleg7., het navolgende uitdrukkelijk onderbouwd naar voren gebracht:
‘Om te beginnen met de stukken met betrekking tot het Onderwijs- en Cultuurcomplex (OCC), later genoemd Amare. Dit dossier kent een relevante politieke context, nu het ging om het meest gevoelige politieke dossier, waarover al tijdens de coalitieonderhandelingen uitgebreid is gesproken. [verdachte] noemde het tijdens de inhoudelijke behandeling ‘het meest gevoelige politieke dossier van de afgelopen twintig jaar’. [verdachte] en [medeverdachte] hebben daar uitvoerig over verklaard tijdens de inhoudelijke behandeling.
De verdenking van schending ambtsgeheim ten aanzien van [verdachte] ziet op de e-mail die [verdachte] op 26 juni 2018 ontving van [betrokkene 3] met als onderwerp ‘afspraken wethouders [naam 1] en [verdachte] inzake scope uitbreiding Spuikwartier’. Belangrijk gegeven is dat in deze mail niets wordt gezegd over een eventuele geheimhouding dan wel vertrouwelijkheid die zou gelden. Zoals [verdachte] ook bij de Rijksrecherche heeft aangegeven met betrekking tot deze set met papieren, ‘kan de classificatie per stuk verschillend zijn’. Je kunt niet zomaar ieder stuk classificeren.
Volgens de Rijksrecherche zou dit de voorbereiding zijn geweest op het raadsvoorstel, waarna bepaalde aspecten van deze mail uiteindelijk ook onderdeel zijn gaan uitmaken van het totale raadsvoorstel. Op vrijdag 29 juni 2018 om 21.50 en 21.53 uur stuurt [verdachte] deze mail door aan [medeverdachte] en [naam 1], vergezeld met acht en zeven foto's van tekst met daarop zijn aantekeningen betrekking tot vier stukken: de nota portefeuillehouder, het concept-besluit van het college, het raadsvoorstel en een brief van de portefeuillehouder. Bovenaan de pagina van het concept-besluit stond ‘Geheim WOB GEHEIM ogv art. 86 lid 2 Gem. Wet juncto art. 10, lid 2 sub a b c d e f g WOB’. Het gaat hier dus om het concept-besluit van het college, waarvan alleen collegeleden mogen kennisnemen. Naast het concept-besluit gold de geheimhouding alleen voor de nota portefeuillehouder, zo blijkt ook uit de Besluitenlijst voor de vergadering van het college van Den Haag op dinsdag 3 juli 2018
In het digitale beslag van [verdachte] wordt een mail afkomstig van [betrokkene 1] d.d. 30 juni 2018 aangetroffen met het onderwerp ‘memo [naam 1]’. In die mail beschrijft [betrokkene 1] dat het meeste hem wel duidelijk is, maar dat hij de dekking van 20 miljoen voor ontwerpverbetering niet begrijpt. Op 1 juli 2018 om 22.04 uur stuurt [verdachte] aan [betrokkene 1] de eerdergenoemde mail die hij kreeg van [betrokkene 3] door aan [betrokkene 1]. De Rijksrecherche schrijft dan op in het dossier (onderstreping door verdediging):
‘Deze e-mail geeft de afspraken weer die kennelijk zijn gemaakt tussen [verdachte] en [naam 1] en gaat over de dekkingsmogelijkheden van de Scopeuitbreiding van het Spuikwartier (OCC). De meeste in deze e-mail vermelde bedragen worden eveneens vermeld in het als geheim geclassificeerde 'Raadsvoorstel van het college inzake het Onderwijs- en Cultuurcomplex-Spuikwartier:
Gezien het feit dat de inhoud van deze e-mail ‘afspraken wethouders [naam 1] en [verdachte]’ grotendeels overeenkwam met het geheime ‘Raadsvoorstel van het College inzake het Onderwijs- en Cultuurcomplex-Spuikwartier’ had [verdachte] redelijkerwijs kunnen vermoeden dat deze afspraken tussen twee wethouders niet mochten worden gedeeld met iemand die werkzaam was in de vastgoedsector.
Door het versturen van deze e-mail naar [betrokkene 1] wordt [verdachte] verdachte van schenden van zijn ambtsgeheim.’
Kennelijk ging het de Rijksrecherche erom dat [verdachte] het ‘als geheim geclassificeerde’ raadsvoorstel had gedeeld met [betrokkene 1]. Het hele punt is dat dit raadsvoorstel op geen enkel moment geheim is geweest. Uit de notitie Openbaar of geheim die is bedoeld als praktische handreiking voor medewerkers van de gemeente, maar ook nuttige informatie voor college en raad behelst, blijkt dat in beginsel ‘alle raadsstukken, dus ook raadsvoorstellen en alle bijlagen, openbaar zijn’. Het college kan op grond van de Gemeentewet en artikel 10 WOB geheimhouding opleggen. Met betrekking tot het raadsvoorstel was dat niet gebeurd.
De reden dat [verdachte] de mail doorstuurde aan [betrokkene 1] was gelegen in politieke interne besluitvorming, nu [betrokkene 1] lid was van de klankbordgroep en hij op het punt stond om bestuurslid van Groep [medeverdachte] te worden. Iets wat niet per definitie verboden is. Daarnaast wordt volledigheidshalve ook opgemerkt dat de vastgoedondernemers zelf geen betrokkenheid hadden bij het Spuikwartier.
Het Openbaar Ministerie stelt dat de getuige [naam 1] heeft verklaard dat ‘hij de stukken betreffende OCC als geheim had gekwalificeerd’ en verwijst in dat verband naar zijn verhoor door de Rijksrecherche, maar in dit verhoor is te lezen dat [naam 1] heeft verklaard: ‘Ja, er zit op een aantal documenten geheimhouding. Dat betrof in ieder geval de brieven tussen de gemeente en Cadanz’.
Het door [verdachte] versturen van een e-mail van zijn eigen ambtenaar naar [betrokkene 1], met daarin informatie uit een raadsvoorstel. Levert dit een opzettelijke schending van het ambtsgeheim als bedoeld in artikel 272 Sr? De verdediging stelt zich op het standpunt dat een bewezenverklaring hiervan niet kan volgen. Op de agenda van het college staan veel stukken die niet als geheim of vertrouwelijk zijn geclassificeerd, zoals bijvoorbeeld de beantwoording Schriftelijke Vragen. Er is geen enkele wettelijke beperking om dié stukken voorafgaand aan de vergadering te bespreken met belanghebbenden, zodat politieke afstemming plaatsvindt en stukken ‘goed vallen’. Dit alles is toegestaan, zolang dit niet valt onder de uitzonderingsbepalingen van de WOB. Uit het verhoor met [betrokkene 3] blijkt ook dat de informatie uit de mail in het raadsvoorstel zit, waarbij hij niets zegt over informatie die geheim zou zijn (het was immers al verwerkt in een openbaar raadsvoorstel). Overigens werd het raadsvoorstel na het collegebesluit ook openbaar.
Het Openbaar Ministerie komt na een lang betoog over het (in sommige gevallen niet bestaan van een) onderscheid tussen schending van vertrouwelijkheid en geheimhouding tot de conclusie dat ook het openbaren van vertrouwelijke stukken kan worden beschouwd als een schending van de geheimhoudingsplicht. Daarbij wordt verwezen naar een uitspraak uit 2008 van het hof Den Bosch. In die zaak had een gemeenteraadslid ondanks herhaaldelijke verzoeken en waarschuwingen om bepaalde vertrouwelijke stukken niet openbaar te maken, deze stukken toch aan een groot aantal journalisten en media gedeeld. Totaal onvergelijkbaar met de onderhavige zaak dus.
Gelet op voorgaande kan dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat [verdachte] zijn ambtsgeheim opzettelijk heeft geschonden.’
6.
Het hof overweegt in enkele inleidende beschouwingen het volgende:
‘Het hof dient de vraag te beantwoorden of, gelet op de omstandigheden van het geval, de verdachte uit hoofde van zijn ambt als wethouder tussen 29 juni 2018 en 9 juli 2019 verplicht was tot geheimhouding van de in de tenlastelegging genoemde informatie. Zoals hiervoor overwogen vervulde de verdachte in de tenlastegelegde periode het ambt van wethouder.’
En:
‘Een verplichting tot geheimhouding van bepaalde informatie kan ook besloten liggen in het uitoefenen van een functie in het openbaar bestuur, zoals een functie als wethouder. Dat volgt ook uit de eed die wethouders afleggen en uit de gedragscode Integriteit B&W Den Haag 2016, die op grond van artikel 41c lid 2 van de Gemeentewet was vastgesteld. Anders dan de verdediging kennelijk veronderstelt betekent het feit dat er (nog) geen geheimhouding was opgelegd op grond van de Gemeentewet, dus op zichzelf niet dat er voor stukken of informatie geen geheimhouding als bedoeld in artikel 272 Sr kan gelden.’
7.
Voorts overweegt het hof heeft ten aanzien van de e-mail van 26 juni 2018 het volgende:
‘Het hof komt tot een bewezenverklaring omdat uit de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte met het doorsturen van (de inhoud van) de e-mail van bestuursadviseur [betrokkene 3], zijn ambtsgeheim schond. Op de vragen van [betrokkene 1] stuurde de verdachte de e-mail die voornoemde adviseur Concerncontrol van de gemeente eerder had gemaakt van een bespreking met daarin afspraken tussen hem en [naam 1]. Deze e-mail zag op dezelfde kwestie als het raadsvoorstel, dat bij de OCC-stukken in de enveloppe zat en lag (politiek) gevoelig. De inhoud van deze afspraken vormde een belangrijk onderdeel van het raadsvoorstel.
De verdachte wist dat [naam 1] het raadsvoorstel met de andere stukken in de gesloten envelop had rondgestuurd aan de collegeleden in hun hoedanigheid van burgemeester en wethouders ten behoeve van de collegevergadering van 3 juli 2018. Hij wist ook (of behoorde te weten) dat die vergadering besloten was (net als collegevergaderingen, op grond van artikel 54 Gemeentewet; en anders dan raadsvergaderingen). Hij had redelijkerwijs moeten vermoeden dat de inhoud van de stukken vertrouwelijk was en ook dat het raadsvoorstel nog geheim zou kunnen worden verklaard en aan hem en [medeverdachte] vertrouwelijk was toegekomen om (eerst) alleen met de collegeleden op de besloten vergadering van 3 juli 2018 te bespreken. Daarbij is niet doorslaggevend voor vertrouwelijkheid dat het college op 29 juni 2018 nog niet tot al dan niet geheimhouding had besloten, want een beslissing tot geheimhouding kon het college pas nemen op het eerste moment waarop het — na het concipiëren en rondsturen van het raadsvoorstel — bijeen zou komen. Dat was de eerstvolgende vergadering op 3 juli 2018, de vergadering waartoe [naam 1] het raadsvoorstel nu juist ook (uiterlijk de vrijdag ervoor) op papier en in een gesloten enveloppe aan alle collegeleden had toegestuurd. De verdachte had ook moeten begrijpen dat het voor een goede geheimhoudingsbeslissing belangrijk was dat de burgemeester en wethouders over de inhoud van het (mogelijke) raadsvoorstel als eersten (en enigen) kennis konden nemen. Zou de inhoud van het raadsvoorstel al openbaar gemaakt zijn voordat een beslissing over al dan niet geheimhouding van het raadsvoorstel zou worden genomen, dan zou feitelijk de mogelijkheid om het voorstel geheim te verklaren als zijn ontnomen.
Daarnaast geldt in het algemeen dat in de fase waarin de beleidsvoorbereiding zich bevindt als het college zich erover buigt, in het college een open overleg mogelijk moet zijn over veelal onvoldragen standpunten en voorstellen. Het naar buiten brengen van — mogelijk onvoldragen — standpunten van enkele wethouders, waarover (de overige leden van) het college nog moet beraadslagen en beslissen, frustreert dat. Toen (en zodra) die afspraken onderdeel werden van het raadsvoorstel dat het tot de vertrouwelijke informatie waarover het college eerst nog moet beraadslagen en beslissen, frustreert dat. Toen (en zodra) die afspraken onderdeel werden van het raadsvoorstel dat het tot de vertrouwelijke informatie waarover het college eerst vrij moest kunnen beslissen.
De verdachte mocht de e-mail die informatie bevatte die een belangrijk onderdeel van het betreffende raadsvoorstel is geworden dan ook niet doorsturen aan derden, niet-collegeleden. Hij had (tenminste) redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij uit hoofde van zijn wethouderschap verplicht was om deze e-mail op dat moment geheim te houden totdat in het college over het raadsvoorstel zou zijn gesproken en totdat over de geheimhouding door het college negatief zou zijn beslist. [betrokkene 1] was een derde met wie (de informatie in) de e-mail niet gedeeld mocht worden. Dat [betrokkene 1] lid van de klankbordgroep was, maakt niet dat hij tot de kring behoorde met wie de verdachte de e-mail mocht delen. [betrokkene 1] was geen ambtenaar binnen de gemeente met betrokkenheid bij het OCC-projecten hij was niet beëdigd. Of zelf tot(verdere) geheimhouding verplicht. Het hof is aldus van oordeel dat dit deel van de tenlastelegging bewezen kan worden verklaard. Niet gebleken is dat sprake is geweest van bewuste en nauwe samenwerking zodanig-dat sprake was van medeplegen.’
Deelklacht 1:
8.
's Hofs oordeel dat sprake is van ‘enig geheim’ in de zin van artikel 272 Sr, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd. De daarop gebaseerde veroordeling van rekwirant kan dientengevolge geen stand houden.
9.
Blijkens vaste rechtspraak van Uw Raad dient voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een geheim in de zin van artikel 272 Sr acht te worden geslagen op onder meer de aard van de informatie, het moment dat de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en de hoedanigheid waarin deze hiervan kennis kreeg.8.
10.
In aanvulling op vorenstaande merkt A-G Hofstee op dat:
‘Als gezegd kan worden dat — mede gelet op de aard van de betreffende gegevens en de hoedanigheid waarin de verdachte van deze gegevens kennis kreeg — op begrijpelijke wijze door de feitenrechter is vastgesteld dat zij bestemd waren om niet verder te worden bekendgemaakt, dan is daarmee de bewezenverklaring van het aan art. 272 Sr ontleende begrip geheim al toereikend gemotiveerd. Dat er wellicht formele, administratiefrechtelijke, gebreken kleven aan (de totstandkoming van) een besluit waarbij geheimhouding aan de verdachte is opgelegd, impliceert niet dat de gegevens waarop dat ‘besluit’ ziet niet meer kunnen worden beschouwd als gegevens die bestemd waren om niet verder te worden bekendgemaakt. De aard van de verstrekte gegevens en de omstandigheden waaronder zij aan de verdachte zijn verstrekt, kunnen ook in die omstandigheden namelijk leiden tot de conclusie dat van enig geheim als bedoeld in art. 272 Sr sprake is. Ten behoeve van vaststellingen over de aard van de verstrekte gegevens en over het moment waarop en de hoedanigheid waarin de verdachte hiervan kennis kreeg, kan de strafrechter notitie nemen van de inhoud van het ‘besluit’ tot oplegging van geheimhouding en van wat in het kader van de ‘totstandkoming’ daarvan door het bestuursorgaan is overwogen en aan de verdachte is medegedeeld. Ook als het besluit en de totstandkoming daarvan mogelijk niet overeenkomstig de geldende (vorm)voorschriften zijn geschied, kunnen documenten met betrekking tot het ‘besluit’ en de ‘totstandkoming’ daarvan dus in strafrechtelijke zin voor het bewijs van de tenlastegelegde overtreding van art. 272 Sr redengevende feiten en omstandigheden bevatten. De strafrechter heeft gelet op het hiervoor weergegeven juridisch kader en naar aanleiding van het tenlastegelegde immers een eigen oordeel te geven over de vraag of er bewijs is voor een geheim dat de verdachte verplicht is om te bewaren in de zin van art. 272 Sr.
Voor de opvatting dat het voor de strafrechter in het kader van zijn oordeel over de tenlastegelegde overtreding van art. 272 Sr niet van doorslaggevend belang is of (vorm)voorschriften omtrent de oplegging van de geheimhouding zijn nageleefd, vind ik steun in HR 17 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4610, NJ 2005/374. In dit — ook door het hof in zijn overwegingen als toetsingskader aangemerkte — arrest heeft de Hoge Raad benadrukt dat het niet aan de strafrechter is om te beoordelen of de door een bestuursorgaan aan de verdachte opgelegde plicht tot geheimhouding terecht is opgelegd. Het is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan aan wie de bevoegdheid tot het verplichten van geheimhouding door de rechter is verleend, om te beoordelen of redenen bestaan voor het opleggen van de plicht tot geheimhouding. Die opgelegde geheimhoudingsplicht kan vervolgens in een administratieve (bezwaar- en beroeps)procedure op juistheid en houdbaarheid worden getoetst. In dat verband kunnen voor zover mij bekend ook eventuele formele gebreken die aan de administratiefrechtelijke totstandkoming van de opgelegde geheimhoudingsplicht kleven ter discussie worden gesteld. De taak van de strafrechter, zo overweegt de Hoge Raad nadrukkelijk, is in het kader van de beoordeling van een tenlastegelegde overtreding van art. 272 Sr echter beperkt tot een onderzoek naar de vraag of de aan de verdachte opgelegde geheimhoudingsplicht formeel in overeenstemming is met de wettelijke regeling waarop de plicht tot geheimhouding is gebaseerd. Ik lees hierin dat de strafrechter moet onderzoeken of het bestuursorgaan een wettelijke bevoegdheid had tot oplegging van de geheimhoudingsplicht, maar ook dat het niet aan de — daartoe immers minder goed toegeruste — strafrechter is om te beoordelen of het bestuursorgaan bij de uitoefening van de wettelijke bevoegdheid conform alle geldende administratiefrechtelijke voorschriften heeft gehandeld. Dat de strafrechter ervan uit dient te gaan dat een besluit in beginsel in rechte onaantastbaar is geworden als daartegen geen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, past ook bij het leerstuk van de formele rechtskracht, al lijkt dat voor de strafrechter minder beperkingen mee te brengen dan voor de civiele rechter.’ 9.
11.
De verdediging heeft, blijkens de pleitnota, het onderbouwde standpunt ingenomen dat het (concept-)raadsvoorstel in kwestie niet als een geheim is aangemerkt. In dat kader is gewezen op de notitie Openbaar of geheim, waarin staat vermeld dat in beginsel ‘alle raadstukken, dus ook raadvoorstellen en alle bijlagen, openbaar zijn’. Slechts indien door het college van burgemeester en wethouders geheimhouding is opgelegd op grond van artikel 25, eerste lid, Gemeentewet, in samenhang met artikel 10 van de destijds geldende Wet openbaarheid van bestuur (Wob), is sprake van een rechtsgeldige geheimhoudingsplicht. Een dergelijke oplegging van geheimhouding heeft in het onderhavige geval niet plaatsgevonden. Voor het onderhavige raadsvoorstel gold dan ook geen formeel vastgestelde geheimhoudingsplicht.
12.
Voorts heeft het hof de navolgende verklaring van rekwirant gedurende de terechtzitting in hoger beroep voor het bewijs gebezigd:
- ‘1.
(…) Een raadsvoorstel (…) is bedoeld om direct na de collegevergadering openbaar te worden.’
Het hof heeft deze verklaring echter gedenatureerd, nu rekwirant aan het voorstaande het volgende heeft toegevoegd:
‘Het betreft dus geen geheime informatie. Het juridisch kader betrof de WOB. Ik zag geen enkele reden dat op basis daarvan sprake was van een geheim stuk. De andere stukken waren wel geheim; die stukken heb ik niet besproken en ook niet gedeeld.’
Deze verklaring onderstreept het standpunt van de verdediging dat het raadsvoorstel een publiek karakter droeg, tenzij daar op grond van een formeel besluit expliciet van werd afgeweken — wat hier niet is gebeurd.
13.
Rekwirant verklaarde in hoger beroep tevens:
‘U houdt mij voor dat [naam 2] bij de rechtercommissaris heeft verklaard dat er geen vertrouwelijke stukken met de klankbordgroep gedeeld mogen worden. Er moet worden gekeken naar de wet. Op basis daarvan betrof het geen vertrouwelijk stuk én had het stuk niet het doel om vertrouwelijk te blijven.’
14.
Het hof heeft niet, althans niet toereikend, gemotiveerd waarom is afgeweken van het door de verdediging onderbouwde standpunt dat het raadsvoorstel — kortgezegd — nimmer geheim is geweest. Het hof heeft daarbij miskend dat de uitzondering op het uitgangspunt van openbaarheid van raadsstukken uitsluitend bestaat indien expliciet geheimhouding is opgelegd op grond van de Gemeentewet jo. artikel 10 Wob. Dat is in dit geval uitdrukkelijk niet gebeurd. Uit de inhoud van het strafdossier volgt dat wél ten aanzien van andere documenten geheimhouding is opgelegd, hetgeen het ontbreken daarvan ten aanzien van dit specifieke raadsvoorstel des te pregnanter maakt.
15.
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het raadsvoorstel nog geheim had kunnen worden verklaard, miskent het dat zulks irrelevant is in het kader van de beoordeling van artikel 272 Sr. De strafrechter dient zich immers, zoals eerder uiteengezet, te beperken tot het onderzoek naar de vraag of de opgelegde geheimhoudingsplicht formeel is gebaseerd op een wettelijke regeling. Het hof heeft dit kader miskend, dan wel is zonder de vereiste motivering daaraan voorbijgegaan. De overweging dat rekwirant redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het stuk geheim was — mede omdat het nog geheim had kunnen worden verklaard — is in strijd met het kader dat bij de toepassing van artikel 272 Sr voorop dient te staan. Daarmee geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd.
16.
Derhalve kan het arrest van het hof niet in stand blijven.
Deelklacht 2:
17.
's Hofs oordeel dat rekwirant ‘wist of redelijkerwijs moest vermoeden’ dat de inhoud van het e-mailbericht van 26 juni 2018 enig geheim betrof dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht was te bewaren, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd.
18.
Blijkens de vaste jurisprudentiële lijn van Uw Raad is, voor strafbaarheid ex artikel 272 Sr, vereist dat de dader wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij, uit hoofde van zijn ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht was het geheim te bewaren. Het is niet noodzakelijk dat de stukken waarop de plicht tot geheimhouding rust, als zodanig zijn aangemerkt; de jarenlange ervaring van de betrokken functionaris met geheime stukken, in combinatie met diens bekendheid met de procedure rondom die stukken, kan in de weg staan aan de stelling dat die functionaris niet wist dat de betreffende stukken geheim waren.10.
19.
In dat kader is van belang de conclusie van A-G Harteveld in ECLI:NL:PHR:2013:2550, waarin het middel werd besproken dat zag op de verwerping van het verweer dat de door de verdachte in de vragen 52 en 53 van bijlage 1 bij de brief van 21 september 2009 bekend gemaakte informatie niet geheim was, omdat geen geheimhoudingsplicht ex artikel 25 Gemeentewet tot stand was gekomen, althans dat de verdachte zich niet bewust kon zijn van het geheime dan wel vertrouwelijke karakter van die stukken.
20.
Het hof in die zaak overwoog dat de informatie afkomstig was uit een expliciet als vertrouwelijk aangemerkte notitie, waarvan de inhoud — mede gelet op de context, de aard van de gegevens en mededelingen tijdens eerdere raadsvergaderingen — onmiskenbaar een vertrouwelijk karakter had. De verdachte, die jarenlange raadservaring had en actief was in rekenkamercommissies, had dat moeten begrijpen. Het enkele ontbreken van een stempel ‘geheim’ of ‘vertrouwelijk’ deed daaraan volgens het hof niet af.
21.
A-G Harteveld concludeerde vervolgens:
‘Blijkens de toelichting daarop klaagt het middel erover dat op geen enkele van de (ter inzage) verstrekte stukken was aangetekend dat zij geheim c.q. vertrouwelijk waren zodat, met verwijzing naar HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7668, het ‘voor de geadresseerde niet kenbaar is dat er een geheimhoudingsplicht is opgelegd en ten aanzien van welke stukken deze geheimhoudingsplicht geldt’. Aldus zou niet zijn voldaan aan art. 25, tweede lid, Gemeentewet. Daartoe wijst de steller van het middel op de tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige], waarin deze verklaarde dat het ‘de bedoeling was dat het dossier tevoren werd gescreend op de aanwezigheid van vertrouwelijke stukken’. Ook zou dit blijken uit de opmerking van de voorzitter van de gemeenteraadsvergadering dat de gemeenteraad ‘alle informatie met betrekking tot het project Bergse Haven, ook vertrouwelijke en geheime informatie, mocht inzien’, waardoor het — zo klaagt het middel — temeer van belang is aan te geven welke van de verstrekte stukken onder een geheimhoudingsplicht vallen. Ten slotte wordt gesteld dat de verdachte er tevens op heeft gewezen dat de informatie die hij in zijn vraagstelling had verwerkt, al was ingebracht in een gerechtelijke procedure bij de Raad van State.
Uit HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7668, waaraan de steller van het middel refereert, maak ik op dat de strekking van art. 25, tweede lid, Gemeentewet is dat van meet af aan duidelijk is dat het om stukken gaat waarvan de inhoud geheim moet blijven en voorts dat die vermelding niet een voorwaarde is voor het ontstaan van de geheimhoudingsverplichting. Het Hof heeft het verweer dat de verdachte niet wist dat de bedoelde bekend gemaakte informatie geheim was, verworpen op de grond dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat het vertrouwelijke informatie betrof vanwege — kort samengevat — verdachtes jarenlange raadservaring en ervaring in rekenkamercommissies en de in verband met het karakter van de stukken tijdens de vergaderingen van 23 januari en 25 juni 2009 gedane mededelingen en de bespreking van 15 juli 2009. Daaraan doet naar het oordeel van het Hof niet af dat de betreffende informatie niet was voorzien van een stempel ‘geheim’ of ‘vertrouwelijk’, en evenmin dat die informatie (beweerdelijk) in een gerechtelijke procedure aan de orde was gekomen en daardoor bij een of meer belanghebbenden bekend was geworden. Uit 's Hofs overwegingen blijkt dat het voor de verdachte ‘van meet af aan’ duidelijk was dat het stukken betrof waarvan de inhoud geheim moest blijven, zodat aan het voorschrift van art. 25, tweede lid, Gemeentewet is voldaan. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ten overvloede merk ik op dat de thans in cassatie geponeerde stelling mij wel bevreemdt, nu de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2012 verklaarde dat totdat deze kwestie speelde in de gemeente Bergen op Zoom stukken die vertrouwelijk waren nooit werden gekenmerkt met een stempel ‘vertrouwelijk’.’11.
22.
A-G Harteveld wees er dus op dat uit het arrest van Uw Raad van 22 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB7668) volgt dat het karakter van een stuk van meet af aan duidelijk moet zijn, maar dat de vermelding van geheimhouding op het stuk zelf geen formele voorwaarde vormt voor het ontstaan van de geheimhoudingsplicht. In dat arrest overwoog Uw Raad dat een begeleidend schrijven, met daarin expliciete mededelingen omtrent geheimhouding, voldoende kan zijn om te voldoen aan het vereiste dat het geheime karakter voor de geadresseerde kenbaar is.
23.
In de onderhavige zaak ontbreekt echter elke vorm van aanduiding, mededeling of begeleidende context waaruit rekwirant moest of had kunnen afleiden dat de betreffende informatie uit het e-mailbericht een geheim betrof. De verdediging heeft — blijkens de pleitnotitie — het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ingenomen dat het betreffende raadsvoorstel nimmer als geheim is aangemerkt, en dat uit de gemeentelijke notitie Openbaar of geheim volgt dat raadsvoorstellen en bijlagen in beginsel openbaar zijn. Gelet daarop was het voor rekwirant niet kenbaar dat op het moment van de gestelde gedraging sprake was van een geheimhoudingsplicht ten aanzien van de e-mail die aan hem was toegezonden.
24.
De motivering van het hof komt er in de kern op neer dat rekwirant redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de inhoud van het e-mailbericht van 26 juni 2018 een geheim betrof, omdat deze een relatie had met het raadsvoorstel dat in een gesloten envelop aan de collegeleden was toegezonden en bestemd was voor bespreking in een besloten collegevergadering. Daarmee stelt het hof echter niet vast dat sprake was van geheime informatie conform de Wob (een formeel opgelegde geheimhoudingsplicht), maar redeneert het uitsluitend op basis van omstandigheden die pas achteraf — en hypothetisch — kunnen duiden op een mogelijk vertrouwelijk karakter. De enkele mogelijkheid dat het college op een later moment tot geheimhouding had kunnen besluiten, volstaat niet om het bestanddeel ‘wist of redelijkerwijs moest vermoeden’ in de zin van artikel 272 Sr te kunnen dragen. Voor strafbaarheid is vereist dat de geheimhoudingsplicht op het moment van de verweten gedraging, formeel in overeenstemming is met een wettelijke regeling waarop die verplichting is gebaseerd.
25.
In dit verband is tevens van belang dat het e-mailbericht waar de tenlastelegging op ziet, is opgesteld vóórdat het raadsvoorstel bestond. De inhoud van de e-mail ziet enkel op de wijze waarop de financiële dekking van een voorgenomen scopeuitbreiding zou kunnen worden vormgegeven. In de e-mail is afgesproken dat deze dekking zou worden verwerkt in het nog op te stellen raadsvoorstel. Deze context maakt duidelijk dat de e-mail een voorbereidende ambtelijke notitie betreft, die bovendien uitsluitend ziet op begrotingstechnische aspecten. Legt men deze informatie langs de meetlat van de toen geldende Wet openbaarheid van bestuur, dan bestaat er geen enkele grondslag om deze als geheim aan te merken. Ook om die reden kon rekwirant niet weten of redelijkerwijs vermoeden dat sprake was van een geheim in de zin van artikel 272 Sr.
26.
Nu het hof geen enkel formeel besluit of enige mededeling aanwijst waaruit volgt dat ten aanzien van het betreffende raadsvoorstel op het relevante moment een geheimhoudingsplicht gold, en evenmin vaststelt dat rekwirant van een zodanige plicht op de hoogte was of had moeten zijn, geeft het oordeel dat rekwirant ‘wist of redelijkerwijs moest vermoeden’ dat hij verplicht was de betreffende informatie geheim te houden, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd.
27.
Derhalve kan het arrest in zoverre niet in stand blijven.
28.
In aanvulling hierop wordt namens rekwirant het volgende aangevoerd. Het hof overweegt dat het ontbreken van een formeel besluit tot geheimhouding op grond van de Gemeentewet, op zichzelf niet uitsluit dat er desalniettemin sprake kan zijn van geheimhouding in de zin van artikel 272 Sr. Daarbij verwijst het hof naar de eed die wethouders afleggen en naar de gedragscode Integriteit B&W Den Haag 2016. Daarmee miskent het hof echter het formele kader dat binnen het college van burgemeester en wethouders van Den Haag geldt voor het opleggen van geheimhouding.
29.
Ingevolge de artikelen 3 en 4 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (2020), dienen alle vergaderstukken voorafgaand aan de vergadering te voldoen aan specifieke kwaliteitseisen (bijlage 1). Indien het een geheim stuk betreft, moet dit voorzien zijn van een expliciete geheimhoudingsgrond, een onderbouwing voor het opleggen van geheimhouding, en — indien van toepassing — een expiratiedatum (artikel 4, eerste lid, onder h). Daarnaast dienen deze stukken aantoonbaar geparafeerd te zijn door de portefeuillehouder, betrokken algemeen directeuren, concerncontrol financiën en BSD juridische zaken (artikel 4, eerste lid, onderdelen b t/m e). Stukken die niet aan deze vereisten voldoen, worden in beginsel niet geagendeerd, tenzij de burgemeester anders beslist (artikel 4, tweede lid).
30.
Gelet hierop is het niet in overeenstemming met het reglement — en in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur — om een stuk tijdens de collegevergadering alsnog als geheim aan te merken zonder dat deze procedure voorafgaand is doorlopen.
31.
Door te overwegen dat rekwirant wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het stuk mogelijk nog geheim zou kunnen worden verklaard, zonder vast te stellen dat aan deze formele en bestuursrechtelijk vereiste stappen was voldaan, heeft het hof een onjuiste maatstaf aangelegd, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
Deelklacht 3:
32.
's Hofs oordeel dat rekwirant enig geheim ‘opzettelijk heeft geschonden’ geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd.
33.
Deze deelklacht hangt nauw samen met hetgeen is besproken onder deelklacht 2, waarin uiteengezet is dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat rekwirant ‘wist of redelijkerwijs moest vermoeden’ dat het gedeelde stuk een geheim betrof. Voor zover het hof vervolgens heeft aangenomen dat rekwirant dit geheim opzettelijk heeft geschonden, wordt voortgeborduurd op diezelfde ondeugdelijke motivering. Indien reeds niet kan worden vastgesteld dat rekwirant wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat sprake was van een geheim, kan evenmin worden aangenomen dat hij dat geheim opzettelijk heeft geschonden.
34.
In zijn conclusie van 23 juni 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:623) zet A-G Hofstee uiteen welke betekenis toekomt aan het bestanddeel ‘opzettelijk schenden’ in de zin van artikel 272 Sr. Hij wijst erop dat met de Wet van 30 juni 1967 (Stb. 1967, 377) het woord ‘bekendmaken’ is vervangen door ‘schenden’, teneinde tot uitdrukking te brengen dat niet iedere vorm van bekendmaking strafbaar is. Uit de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel blijkt dat slechts sprake is van schending indien het geheim bekend wordt gemaakt aan iemand die daartoe niet gerechtigd is. Zo is — volgens de toelichting — geen sprake van schending wanneer een ambtsdrager een geheim deelt met een persoon aan wie hij het ambtshalve juist moet bekendmaken. In de woorden van de memorie van toelichting:
‘Nieuw is in de voorgestelde redactie van het artikel ook het werkwoord ‘schenden’. Dit lijkt juister dan het door de bestaande tekst gebezigde ‘bekendmaken’. Niet strafbaar is immers de ambtsdrager, die een geheim bekend maakt aan degene, aan wie hij het ambtshalve juist moet bekendmaken; zo zal bij voorbeeld de opsporingsambtenaar straffeloos het opgespoorde feit moeten kunnen vastleggen in een proces-verbaal, en het lid ener adviescommissie de hem bekende gegevens moeten kunnen gebruiken bij de opstelling van een (zo nodig geheim) advies. In deze niet-strafbare gevallen nu, wordt het geheim wel degelijk aan iemand ‘bekend gemaakt’, doch het wordt niet ‘geschonden’.’ (Kamerstukken II 1952/53, 3030, nr. 3, p. 5).’ 12.
35.
In lijn met deze uitleg, heeft ook de rechtbank in eerste aanleg geoordeeld dat in de onderhavige zaak geen sprake was van opzettelijke schending van een ambtsgeheim. De rechtbank overwoog dat rekwirant en medeverdachte [medeverdachte] in aanloop naar de collegevergadering van 3 juli 2018 overlegden met [wethouder naam 1] en [betrokkene 1], adviseurs op het gebied van vastgoed die vanuit hun rol in de klankbordgroep bij de coalitieonderhandelingen op de achtergrond bij het dossier betrokken waren geweest. Het concept-raadsvoorstel week aanzienlijk af van de gemaakte afspraken tijdens die onderhandelingen. In dat licht vroegen rekwirant en [medeverdachte] om advies ten aanzien van het in te nemen politieke standpunt. De rechtbank overwoog dat het houden van ruggespraak met partijadviseurs bij belangrijke politieke beslissingen, niet ongebruikelijk is en in zekere zin zelfs als noodzakelijk kan worden beschouwd. Daarbij werd van belang geacht dat [wethouder naam 1] en [betrokkene 1] geen zakelijke belangen bij het OCC-project hadden en slechts als inhoudelijk adviseurs optraden. Tegen deze achtergrond kon — aldus de rechtbank — niet zonder meer worden gezegd dat gesproken kan worden van het opzettelijk schenden van een geheim als bedoeld in artikel 272 Sr.
36.
De verdediging heeft in hoger beroep opnieuw het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ingenomen dat — kort gezegd — het raadsvoorstel met [betrokkene 1], als lid van de klankbordgroep, is gedeeld in het kader van een advies over de interne politieke besluitvorming, en dat dit niet zonder meer als strafbaar kan worden aangemerkt. Er bestaat immers geen wettelijke regeling die het informeren van partijadviseurs in aanloop naar een collegevergadering categorisch verbiedt.13.
37.
[betrokkene 1] maakte als adviseur deel uit van de klankbordgroep, een interne adviesstructuur binnen groep [medeverdachte], en was in die hoedanigheid ook eerder betrokken geweest bij de coalitieonderhandelingen over het OCC-dossier. Gelet op die inhoudelijke betrokkenheid lag het in de rede dat [betrokkene 1] werd geraadpleegd. Daarbij komt dat hij op het punt stond om bestuurslid te worden van de partij (en dat later ook is geworden), en dat hij als vastgoedondernemer geen enkel zakelijk belang had bij het Spuikwartier. Tegen deze achtergrond heeft de verdediging uitdrukkelijk betoogd dat van het opzettelijk schenden van een geheim, in de zin van artikel 272 Sr, geen sprake kan zijn geweest. De betreffende informatie werd gedeeld binnen een kleine, besloten en politiek functionele context, uitsluitend ten behoeve van interne advisering in de aanloop naar politieke besluitvorming over een gevoelig dossier. Van het bewust en ongeoorloofd prijsgeven van informatie aan een derde met het oogmerk om het geheim te schenden, is onder deze omstandigheden in geen enkel opzicht gebleken. Daarmee ontbreekt het vereiste opzet volledig, zo heeft de verdediging betoogd.
38.
Gelet op de memorie van toelichting zoals geciteerd in de conclusie van A-G Hofstee en door Uw Raad herhaaldelijk aangehaald in de rechtspraak, had het hof het oordeel dat rekwirant zijn ambtsgeheim opzettelijk heeft geschonden nader moeten motiveren. Indien acht wordt geslagen op de strekking die de wetgever aan het begrip ‘schenden’ heeft toegekend, blijkt dat niet iedere bekendmaking strafbaar is, maar uitsluitend die gevallen waarin sprake is van een niet-geoorloofde openbaarmaking aan een onbevoegde derde, verricht met het daarop gerichte opzet. Uit de context van het onderhavige geval — zoals door de verdediging uitvoerig uiteengezet — volgt dat de betreffende informatie werd gedeeld binnen een gesloten, partijpolitiek overlegkader en zodoende uitdrukkelijk niet met het oogmerk om een geheim prijs te geven.
39.
Door niet inzichtelijk te maken waarom in dit geval desalniettemin sprake zou zijn van opzettelijke schending in de zin van artikel 272 Sr, heeft het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging onvoldoende gemotiveerd verworpen. Het oordeel van het hof is daarmee ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd.
40.
Derhalve kan het arrest niet in stand blijven.
41.
Rekwirant heeft belang bij cassatie, daar het volgen van het vorengaande onmiskenbaar tot vrijspraak zou hebben geleid. Het hof is afgeweken van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging, zonder dat het daaraan ten grondslag gelegde oordeel voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Voorts geldt dat het hof het in dit verband gevoerde verweer heeft verworpen op basis van gronden die de verwerping niet kunnen dragen, althans heeft het die verwerping niet, naar de eis der wet, met redenen omkleed.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid net zich meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 40 Sr en 350, 358 en 359 in verbinding met artikel 415 Sv geschonden, doordat de verwerping van het namens rekwirant gedane beroep op overmacht in noodtoestand onbegrijpelijk is, althans met onvoldoende redenen is omkleed.
Toelichting:
1.
Namens rekwirant hebben de raadslieden ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de overgelegde en aan het dossier toegevoegde pleitnota, onder meer betoogd dat:
‘Dit het meest politiek gevoelige dossier betrof waar al tijdens de coalitieonderhandelingen uitgebreid over is gesproken, waarbij de in eerste aanleg door de verdediging geschetste context er wel degelijk toe doet. Na de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft de enquêtecommissie Amare gerapporteerd: ‘Amare staat er nu; de wijze waarop de besluitvorming door de jaren heen tot stand is gekomen, is absoluut niet vlekkeloos verlopen. De komst van Amare is het meest politiek gevoelige dossier van de afgelopen 20 jaar gebleken.’ (bijlage 2). Het bevestigt het standpunt van [medeverdachte] en [verdachte] dat dit het meest gevoelige dossier betrof.’14.
En:
‘Voordat wordt ingegaan op de concrete verdenking van het schenden van het ambtsgeheim, is het goed om stil te hebben gestaan bij wat eerder in dit pleidooi reeds naar voren is gebracht en waar niet zomaar aan voorbij kan worden gegaan. In de politiek is het usance dat er ruggespraak wordt gehouden met de achterban, zeker bij dé meest belangrijke en gevoelige onderwerpen die spelen. Allereerst om het simpele gegeven dat dit vanzelfsprekend je achterban is en je hen op de hoogte wilt houden van, en wilt meenemen in, belangrijke beslissingen die zullen moeten worden genomen. Ten tweede is dat omdat een specifiek en deskundig deel van je achterban veel, zo niet meer, weet van de materie waarover beslissingen moeten worden genomen. Een bepaald deel van de achterban kan daarmee als geen ander inschattingen maken, adviezen geven en meedenken over het besluitvormingsproces.15.
De verdediging realiseert zich terdege dat het feit dat het in de politiek usance is om ruggespraak bij de achterban te houden, niets zegt over mogelijk gepleegde ambtsmisdrijven, zoals schending van het ambtsgeheim. Het doet echter geen recht aan de daadwerkelijke politieke situatie in Nederland om hier volledig aan voorbij te gaan. Feit is dat politieke partijen contact onderhouden met hun achterban over belangrijke te nemen beslissingen.’16.
En:
‘Mocht uw hof — anders dan de rechtbank — oordelen dat [medeverdachte] en/of [verdachte] wél hun ambtsgeheim hebben geschonden, dan stelt de verdediging zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van de rechtvaardigingsgrond overmacht in noodtoestand, en dat [medeverdachte] en/of [verdachte] ontslagen dienen te worden van alle rechtsvervolging. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat deze grond aan de orde kan komen bij schending van het ambtsgeheim en dat daarbij door de strafrechter dient te worden beoordeeld of en in hoeverre de niet naleving van de geheimhoudingsplicht in het concrete geval kan worden gerechtvaardigd op grond van de door de verdachte gediende belangen.17. Uit de inhoud van de pleitnotitie in eerste aanleg volgt dat [medeverdachte] en [verdachte] handelden zoals zij hebben gehandeld, doordat het om gigantische bedragen ging (elf miljoen euro extra), en [medeverdachte] en [verdachte] aan hun water voelden dat er iets niet klopte. Het betrof het politiek meest gevoelige dossier. Daarbij hebben zij de — voor noodtoestand vereiste — proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen, door slechts te delen met (een klein deel van de) klankbordgroep. Om zo tot een afgewogen beslissing te kunnen komen over dit gigantische bedrag.’18.
2.
In dupliek heeft mr. L'Homme ten aanzien van het beroep op overmacht tevens het navolgende aangevoerd:
‘Met betrekking tot de schending van het ambtsgeheim heeft de verdediging subsidiair een beroep op overmacht gedaan. Ten aanzien van het OOC waren de belangen groot. Het ging om veel geld. Uitgangspunt bij het beroep op overmacht is dat het aan de rechter is om te beoordelen of en in hoeverre niet-naleving van de geheimhoudingsplicht kan worden gerechtvaardigd op grond van de belangen die cliënt en [medeverdachte] moeten dienen. Er was sprake van een belangenconflict. Volgens het openbaar ministerie moet vaststaan dat de verdachte alternatieve wegen heeft gezocht. Dat zou volgen uit een uitspraak uit 2015. In dat arrest wordt echter slechts overwogen dat niet is gezocht naar alternatieve wegen en dat dit moet meewegen bij de vraag of sprake was van een acute noodsituatie. Het is dus geen keiharde eis dat moet zijn gezocht naar een alternatieve weg. Ik verwijs naar de feiten en omstandigheden zoals die in het pleidooi zijn benoemd met betrekking tot het OCC, waaronder de volgende twee. Ten eerste dat [medeverdachte] en [verdachte] aan hun water aanvoelden dat iets niet klopte. Dat dit zo was blijkt al uit het latere onderzoek door de raadsenquêtecommissie. Daarnaast geldt dat zij nieuwbakken wethouders waren en dat alles onder hoge tijdsdruk plaatsvond. Kan gelet hierop gesproken worden van een acute noodsituatie? De verdediging meent van wel. [medeverdachte] en [verdachte] handelden vervolgens op een proportionele wijze, door slechts de informatie te delen met een paar leden van de klankbordgroep die geen belang hadden bij het OCC. Er was een gerechtvaardigd belang gediend van de stad Den Haag.’19.
3.
Het hof heeft het beroep op overmacht als volgt verworpen:
‘Het hof stelt voorop dat een beroep op overmacht in noodtoestand slechts kan slagen wanneer er sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele concrete nood, bestaande uit een belangenconflict, en die geëigend is om daaraan een einde te maken. Daarbij geldt dat het gedrag aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit dient te voldoen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit zou volgen dat sprake was van een noodtoestand, in die zin dat het beroep van de verdachte op overmacht gehonoreerd moet worden. Dat het om gigantische bedragen ging, hij of [medeverdachte] aanvoelde dat er misschien iets niet klopte (wat daar verder ook van zij nu niet is gebleken dat het (concept-)collegebesluit of het raadsvoorstel is tegengehouden) en daarom bereid was informatie te geven aan leden van de klankbordgroep, is daarvoor niet voldoende.
Het verweer wordt verworpen en het in zoverre bewezenverklaarde levert een strafbaar feit op.’
4.
's Hofs oordeel dat rekwirant geen beroep op overmacht in noodtoestand toekomt, is niet begrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed en kan de verwerping van het door de verdediging van rekwirant gevoerde verweer niet dragen.
5.
Noodtoestand, als een vorm van overmacht in de zin van artikel 40 Sr, wordt ook wel omschreven als een conflict van rechtsplichten: enerzijds de plicht om de strafwet na te leven tegenover, anderzijds een (ongeschreven) maatschappelijke verplichting die in de gegeven omstandigheden noopt tot ander handelen, ook al leidt dit tot overtreding van de strafwet. Dit is voor het eerst aangenomen in het zogenoemde ‘Opticien-arrest’20., waarin een opticien — in strijd met de winkeltijdenwetgeving — een slechtziende buiten sluitingstijd van een bril voorzag. Ook bij een belangenconflict kan sprake zijn van een noodtoestand, wanneer de verplichting om de wet na te leven botst met een veroorlovende norm die in de concrete situatie zwaarder weegt. Een klassiek voorbeeld is het stelen van brood ten tijde van hongersnood.21.
6.
In haar conclusie van 22 november 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:1086) merkt A-G Spranken — in navolging van De Hullu — op dat het onderscheid tussen een conflict van plichten en een belangenconflict binnen het kader van noodtoestand gradueel is. Beide categorieën worden volgens haar door de Hoge Raad gelijkwaardig erkend. Zij sluit zich aan bij het uitgangspunt zoals dat door Uw Raad sinds 2011 wordt gehanteerd, inhoudende dat zowel het conflict van rechtsplichten als het belangenconflict kan leiden tot een beroep op noodtoestand. Daarbij citeert zij de formulering van de Hoge Raad dat:
‘uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen — in het algemeen gesproken — dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren.’22.
7.
Voor de beoordeling van een beroep op de rechtvaardigingsgrond overmacht in de vorm van een noodtoestand heeft Uw Raad de volgende maatstaven geformuleerd:
- ‘—
het conflict van belangen of plichten moet voortkomen uit een actuele concrete noodsituatie, door Remmelink beeldend beschreven als ‘een concrete crepeersituatie’, waarbij het handelen moet zijn gericht op de beëindiging van die situatie en daartoe ook geëigend moet zijn;
- —
de verdachte dient een objectief redelijke keuze te maken, wat impliceert dat de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit moeten worden nageleefd;
- —
daarbij geldt dat er geen alternatief of minder vergaand middel had kunnen worden aangewend om hetzelfde belang te dienen;
- —
dit impliceert ook dat er op de verdachte een onderzoekplicht kan rusten om te bezien of er redelijke niet-strafbare alternatieven voorhanden zijn;
- —
verder moet worden vooropgesteld dat het steeds gaat om een toetsing van de bijzonderheden van het individuele geval.’23.
8.
Met betrekking tot het eerste element, inhoudende dat er sprake moet zijn van een actuele en concrete nood, merkt De Hullu op dat waar aanvankelijk in de jurisprudentie de eis werd gesteld dat het zou moeten gaan om een acuut conflict van plichten, waarvoor direct een oplossing moest worden geboden, zoals bijvoorbeeld het geval was in het ‘Opticien-arrest’. Deze eis is in de loop der tijd naar de achtergrond geschoven:
‘Weloverwogen kiezen en daarvoor de tijd nemen kunnen goed samengaan met een beroep op noodtoestand, zoals bijvoorbeeld de euthanasierechtspraak duidelijk maakt.’24.
9.
In de zaak van rekwirant heeft het hof het verweer dat er sprake is van een gedraging die voortvloeide uit een actuele, concrete nood, bestaande uit een belangenconflict, en die geëigend was om daaraan een einde te maken, onvoldoende met redenen omkleed verworpen. Blijkens vaste rechtspraak van Uw Raad dient de strafrechter te beoordelen of, en zo ja in hoeverre, de niet-naleving van de geheimhoudingsplicht in het concrete geval kan worden gerechtvaardigd op grond van de door de verdachte gediende belangen.25.
10.
Het hof heeft voornoemd toetsingskader miskend, dan wel in onvoldoende mate rekenschap gegeven van voornoemd toetsingskader. Immers, het hof heeft zich niet, althans onvoldoende, uitgelaten over de (door de verdediging uitvoerig geschetste) context, waartegen de informatie door rekwirant is gedeeld. Zo stelt de verdediging onder meer dat de reden dat rekwirant de e-mail doorstuurde aan [betrokkene 1] was gelegen in de politieke interne besluitvorming, nu [betrokkene 1] lid was van de klankbordgroep en hij op het punt stond om bestuurslid van Groep [medeverdachte] te worden. De informatie werd gedeeld, omdat de inhoud van het concept-collegebesluit en het concept-raadsvoorstel een forse en onverwachte afwijking was van de tijdens die onderhandelingen gemaakte afspraken over het OCC.
11.
Voorts heeft rekwirant ter terechtzitting bij het hof de volgende verklaring afgelegd:
‘Er was sprake van tijdsdruk. In korte tijd moest over dit dossier een mening gevorm worden. Ik benadruk nogmaals dat het raadsvoorstel het doel had om openbaar te worden. Dat is ook in het college besloten, net zoals dat is besloten dat de rest geheim moest blijven.’26.
12.
In dat kader overwoog de rechtbank ten aanzien van haar vrijspraak voor feit 4 treffend dat ‘de stukken zijn gedeeld in de snelkookpan van politieke besluitvorming.’ Daarmee erkent de rechtbank uitdrukkelijk dat de gedragingen van rekwirant plaatsvonden binnen een intens en tijdsgebonden politiek krachtenveld, waarin snelle afstemming en ruggespraak met partijadviseurs, incluis de klankbordgroep, gebruikelijk en in zekere zin onvermijdelijk zijn. Deze vaststelling ondersteunt rechtstreeks het standpunt van de verdediging, inhoudende dat de gedraging van rekwirant niet voortkwam uit lichtvaardigheid of onverschilligheid, maar uit een concrete bestuurlijke en politieke noodsituatie waarin zorgvuldig beraad, binnen beperkte kring, geboden was. Juist deze context maakt het onbegrijpelijk dat het hof aan het beroep op overmacht in noodtoestand is voorbijgegaan, zonder op deze feitelijke achtergrond in te gaan.
13.
Het voorgaande maakt dat het oordeel van het hof — dat rekwirant geen geslaagd beroep op overmacht in de vorm van een noodtoestand toekomt — niet begrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed. Het hof is niet, althans onvoldoende, ingegaan op de door de verdediging uitvoerig geschetste context, de bijzondere politieke dynamiek waarin de gedraging plaatsvond, noch op de uitzonderlijke gevoeligheid van het dossier. Daarmee is het hof ten onrechte en op onjuiste gronden voorbijgegaan aan het verweer dat rekwirant handelde uit overmacht, binnen een concrete en actuele belangenafweging, die hem noopte tot beperkte informatie-uitwisseling teneinde tot een verantwoord politiek oordeel te kunnen komen.
14.
Ondanks dat de steller van het middel zich terdege bewust is van het gegeven dat het hof, bij de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer, niet op elk detail hoeft te reageren en dat de feitenrechter bij de selectie van het bewijs een grote mate van vrijheid toekomt, wordt hierbij namens rekwirant naar voren gebracht dat de voormelde elementen dusdanig essentieel zijn, dat bij een verwerping daarvan een (nadere) motivering noodzakelijk en vereist was geweest.
15.
Om deze redenen kan het arrest niet in stand blijven.
Rekwirant heeft belang bij cassatie, daar het volgen van diens verweren zou maken dat een bewezenverklaring voor feit 4 niet kan volgen.
Rekwirant verzoekt Uw Edelhoogachtbaar College derhalve het door hem bestreden arrest van het hof Den Haag d.d. 21 juni 2024 te vernietigen en betreffende de verdere afhandeling te beslissen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. J.L. L'Homme en J.E. Kötter, kantoor houdende te (1071 VG) Amsterdam aan de Roelof Hartstraat 31, die hierbij verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Amsterdam, 12 mei 2025
mr. J.L. L'Homme en mr. J.E. Kötter, raadslieden
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 12‑05‑2025
Vgl. HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1070, NJ 1995/662, m.nt. Schalken. Zie over de uitleg van het begrip ‘geheim’ in art. 272 Sr, met (jurisprudentiële) bronvermeldingen, nader de conclusie van Bleichrodt vóór HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1662, NJ 2015/358, m.nt. Mevis.
HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1264; HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1197, NJ 2020/299; HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:527, NJ 2020/162.
Vgl. HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2855, NJ 2005/354.
Vgl. HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2855, NJ 2005/354.
HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1135, NJ 2019/417, m.nt. Jörg en HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2343, NJ 2003/274.
Te raadplegen via: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR407922.
Pleitnota hoger beroep, p. 121
HR 14 juni 2005, NJ 2005/354
PHR 31 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:421
HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7668
PHR 17 december 2013, ECLI:NL:PHR:2013:2550, r.o. 6.3. en 6.4.
Parket bij de Hoge Raad 23 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:623 r.o. 32
Pleitnota verdediging, randnummer 439.
Pleitnota hoger beroep, randnummer 424
Pleitnota eerste aanleg, randnummer 428
Pleitnota eerste aanleg, randnummer 429
HR 17 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4610, NJ 2005, 374
Pleitnota hoger beroep, randnummer 424
Proces-verbaal ter terechtzitting hoger beroep, p. 17.
HR 15 oktober 1923, NJ 1923, 1329
PHR 8 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1086, r.o. 6.1.1.
PHR 8 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1086, r.o. 6.1.1.
PHR 8 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1086, r.o. 6.1.2.
De Hullu, materieel strafrecht, p. 295
HR 17 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4610, r.o. 3.5.2.
P-V ter terechtzitting d.d. 5 maart 2024, p. 6