Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/7.3.2
7.3.2 Onafhankelijke taakvervulling
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS387373:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de toelichting bij de wet tot aanpassing van de structuurregeling, Kamerstukken II 2001-2002, 28 179, nr. 3, p. 33.
Hiervoor werd de MvT uit 1970 bij artikel 2:140 en 250 lid 2 BW al aangehaald waarin te lezen is dat “het gemeenschappelijk belang van de bij de vennootschap en onderneming betrokkenen bij commissarissen zwaarder moet wegen dan welk groeps- of particulier belang ook” en dat “commissarissen hun taak niet behoren uit te oefenen ten dienste van bepaalde deelbelangen”.
Dortmond 2008. Dortmond haalt de parlementaire geschiedenis bij de wijziging van de structuurregeling aan (Kamerstukken II 2001/2002, 28 179, nr. 3, p.37 en Kamerstukken II 2001-2002, 22 063, nr. 5-6) waaruit blijkt dat de overheidscommissaris bij de structuurvennootschap in de nieuwe regeling van 2004 werd geschrapt, aangezien het recht van benoeming van een dergelijke bijzondere commissaris volgens de Ministers van Justitie, Economische Zaken en Financiën het gevaar van belangenverstrengeling met zich brengt. De Minister van Economische Zaken lichtte destijds ook toe dat hij het beter vond om de constructie van benoeming van een commissaris door de overheid te vermijden, aangezien het dan lijkt alsof de overheid invloed heeft op het beleid van de onderneming, terwijl dat niet zo is.
Voor veel stichtingen gelden, bijvoorbeeld op grond van sectorcodes, formele onafhankelijkheidsregels, zoals de regel dat een lid van de raad van toezicht niet mag zijn een voormalig werknemer van de stichting of iemand die (in het recente verleden) bestuurder van de stichting is geweest. Wel is toegestaan dat een lid van de raad van toezicht wordt benoemd of voorgedragen door een belanghebbendenorgaan (zoals een cliëntenraad), de ondernemingsraad, een partij die belanghebbende is bij de stichting, een overheidsinstantie of een andere derde. Alle leden van de raad van toezicht, ook leden die “afhankelijk” zijn omdat zij zijn voorgedragen of benoemd door een dergelijke partij, dienen hun taak op onafhankelijke wijze, zonder last of ruggespraak, te vervullen.1
Onafhankelijke taakvervulling betekent dat leden van de raad van toezicht niet aan hun eigen belang of aan een bepaald deelbelang voorrang mogen geven.2 Een voorbeeld van een deelbelang waaraan niet zonder meer, zonder afweging van andere betrokken belangen, voorrang mag worden gegeven, is het belang van het stichtingsbestuur of het belang van de overheidsinstantie die subsidie heeft verstrekt. Indien een lid van de raad van toezicht is benoemd door een overheidsinstantie betekent dit niet dat de overheid als benoemende instantie instructiebevoegdheid heeft ten opzichte van dit lid, ook niet als hij als ambtenaar in dienst is bij de overheid.3 Het is echter de vraag of dergelijke leden ook daadwerkelijk onafhankelijk kunnen zijn. In het laatstgenoemde voorbeeld kan het desbetreffende lid van de raad van toezicht worden ontslagen door de overheidsinstantie en dit zal een zekere mate van afhankelijkheid met zich meebrengen.
Hierna zal worden nagegaan wat onafhankelijkheid inhoudt, hoe onafhankelijkheid met regels bevorderd kan worden en hoe belangenverstrengeling zo veel mogelijk voorkomen kan worden.