Inhoudsopgave
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4.2.9:2.4.2.9 Samenvatting rechtspraak 1905-1992
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4.2.9
2.4.2.9 Samenvatting rechtspraak 1905-1992
Documentgegevens:
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS388449:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de erfpachtjurisprudentie van de Hoge Raad uit de periode 1905-1992 kwam de rechtsverhouding tussen erfverpachter en erfpachter veel vaker dan eerder aan de orde, met name vanaf de jaren zeventig bleek een toename van de aandacht voor de rechtsverhouding. Van oorsprong verbintenisrechtelijke leerstukken zoals uitleg en goede trouw werden vaker betrokken op de goederenrechtelijke rechtsverhouding omdat deze kenmerken van een contractuele relatie vertoonde. Erfpachtvoorwaarden uit de vestigingsakte werden uitgelegd naar partijbedoeling. Op grond van art. 779 OBW bleef de rechtsverhouding bestaan zolang het recht doorliep, maar na opzegging en na verzet van de grondeigenaar tegen verlenging eindigde het recht van erfpacht en daarmee de rechtsverhouding. De vraag naar de zakelijke werking van erfpachtvoorwaarden stelde het onderscheid tussen bedingen met zakelijke en bedingen met louter obligatoire werking op de agenda. Het verplichte lidmaatschap van een beheervereniging en delen in onderhoudskosten vormden verbintenissen die volgden uit algemene of bijzondere erfpachtvoorwaarden omdat hierbij een machtsverhouding tot de in erfpacht gegeven zaak ontbrak. Uit de voorbeelden van lagere rechtspraak bleek dat de inhoud van de rechtsverhouding vrijwel uitsluitend aan de hand van de vestigingsakte moest worden bepaald, waarbij soms een objectieve uitleg van de bewoordingen van de akte nodig was om de bedoeling van partijen te achterhalen. Andere feiten en omstandigheden speelden geen rol, het ging om de tekst van de akte in afwijking van of in aanvulling op de tekst van de wet. Over het algemeen werd de rechtsverhouding in deze periode beschouwd in goederenrechtelijke termen, maar speelden bij de oordelen over erfpachtgeschillen verbintenisrechtelijke leerstukken een toenemende rol zonder dat sprake was van een problematisering van dit gebruik van verbintenissenrecht.