Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.3.3
6.3.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS589483:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Onder het beslag zullen mede zijn begrepen de wettelijke rente en de vertragingsschade. Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 175.
Vgl. voor pand, Verdaas 2008a, nr. 361 en nr. 362. Vgl. voor derdenbeslag, Broekveldt 2003a, nr. 292 en nr. 214, p. 375; en H.J. Snijders in zijn noot (sub 9) onder HR 31 mei 1991, NJ 1992,261 (Willems/FMN). Bij het meerderjarigenbewind kunnen ook toekomstige goederen onder bewind worden gesteld of kan het bewind worden uitgebreid, zie Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1135 en 1149. De vordering tot vergoeding van vertragingsschade ex art. 6:7 4 jo 6:85 BW is een toekomstige vordering die rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaande rechtsverhouding (art. 3:94 lid 3 BW, art. 3:239 lid 3 BW en art. 475 Rv).
Zie r.o. 3.2, HR 31 mei 1991, NJ 1992, 261 (Willems/FMN), m.nt. HJS; en vgl. HR 15 april1994, NJ 1995, 268 (Roham/McGregor), m.nt. HJS. Zie ook hierna 484.
Zie A-G Hartkamp in zijn conclusie (sub 2b) voor HR 31 mei 1991, NJ 1992, 261 (Willems/FMN); Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 298; Broekveldt 2003a, nr. 214; Faber 2005, nr. 266.
Zie A-G Hartkamp in zijn conclusie (sub 2b) voor HR 31 mei 1991, NJ 1992, 261 (Willems/FMN); H.J. Snijders in zijn noot (sub 4) onder het arrest; Broekveldt 2003a, nr. 214; en vgl. Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 445; Mijnssen & Van Mierlo 2009, par.3.3 sub (b). Kennelijk wordt (terecht) aangenomen dat het derdenbeslag mede de (ten tijde van de beslaglegging toekomstige) vordering tot betaling van de wettelijke rente omvat.
Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 175.
Zie art. 6:61 lid 1 BW, dat bepaalt dat het verzuim van de schuldeiser een einde aan het verzuim van de schuldenaar maakt. Vgl. H.J. Snijders in zijn noot (sub 8) onder HR 31 mei 1991, NJ 1992,261 (Willems/FMN); Vademecum Executie en Beslag (Van Oven) 2000, par. 8.1.5; en met enige aarzeling Broekveldt 2003a, nr. 214. Anders: A-G Hartkamp in zijn conclusie (sub 2d) voor HR 31 mei 1991, NJ 1992, 261 (Willems/FMN); en Hof 's-Gravenhage 22 december 2009, JOR 2010/284, dat oordeelde dat ook tijdens het derdenbeslag de rente over de vordering doorloopt en dat het enkele feit dat ten laste van de schuldeiser derdenbeslag is gelegd, onvoldoende is om schuldeisersverzuim aan te nemen.
Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 175.
Vgl. Broekveldt 2003a, nr. 214.
Zie hiervóór nr. 335.
347. De vordering tot vergoeding van de vertragingsschade ontstaat in het vermogen van de schuldeiser van de hoofdvordering. Na de stille cessie ontstaat de vordering derhalve in het vermogen van de stille cessionaris, omdat hij de schuldeiser van de hoofdvordering is en de schuldenaar derhalve jegens hem tekortschiet in de nakoming. Is de stille cedent bevoegd om de stil gecedeerde hoofdvordering te innen, dan is het de vraag of hij op grond daarvan ook bevoegd dient te zijn om de vordering tot vergoeding van de vertragingschade te innen. Een bepaling daaromtrent ontbreekt bij de stille cessie en bij lastgeving. Ook bij de andere rechtsfiguren waarbij een derde andermans vordering mag innen, ontbreekt een regeling.
De pandhouder, vruchtgebruiker, beslaglegger en bewindvoerder die inningsbevoegd zijn ten aanzien van de hoofdvordering, worden uit dien hoofde niet van rechtswege bevoegd om een aanvullende schadevergoedingsvordering van de schuldeiser te innen. Van zaaksvervanging (substitutie) is bij aanvullende schadevergoeding géén sprake. Ook uit andere bepalingen volgt niet dat de genoemde derden inningsbevoegd zouden worden ten aanzien van de schadevergoedingsvordering. De derde dient afzonderlijk inningsbevoegd te worden ten aanzien van de schadevergoedingsvordering, bijvoorbeeld door afzonderlijke bezwaring (bij voorbaat, art. 3:97 BW), beslaglegging (art. 475 Rv)1 of onderbewindstelling (art. 1:433 BW).2 De curator, de executeur en de vereffenaar van een nalatenschap zijn uit hoofde van hun zeggenschap ten aanzien van het faillissementsvermogen respectievelijk de nalatenschap bevoegd om de aanvullende schadevergoedingsvordering te innen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de bewindvoerder en de vruchtgebruiker die bevoegd zijn ten aanzien van een geheel vermogen.
Bij derdenbeslag rust op de derde-beslagene (de schuldenaar van de beslagen hoofdvordering) niet de verplichting tot betaling van de wettelijke rente zolang het beslag voortduurt. Zolang de derde-beslagene verplicht is om de prestatie onder zich te houden, is hij geen wettelijke rente verschuldigd.3 Er is sprake van schuldeisersverzuim aan de kant van de beslaglegger.4 De schuldenaar is om die reden niet in verzuim.5 De beslaglegger kan eerst in verzuim zijn nadat hij ex art. 476a Rv derdeverklaring heeft gedaan. Vanaf dat moment kan en dient hij (weer) bevrijdend te betalen, ditmaal aan de beslaglegger.6 Hij is vanaf dat moment niet van rechtswege in verzuim; in de regel zal daarvoor eerst ingebrekestelling nodig zijn. De derde-beslagene zal bijvoorbeeld tijd moeten worden gegund om voor een girale betaling zorg te dragen.7 Als de schuldenaar al in verzuim was vóór het derdenbeslag, loopt de wettelijke rente niet door zolang de beslaglegger door het derdenbeslag verplicht is de prestatie onder zich te houden.8 De derde-beslagene is de wettelijke rente en de vertragingsschade verschuldigd aan de geëxecuteerde; het derdenbeslag komt ook op deze vorderingen te rusten.9 De derde-beslagene is daarentegen wettelijke rente verschuldigd aan de beslaglegger als hij toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van zijn betalingsverplichting jegens de beslaglegger op grond van art. 477a lid 1 Rv.10
348. Net als bij de regelingen van pand, vruchtgebruik, bewind en derdenbeslag ontbreekt ook bij de stille cessie en bij lastgeving een bepaling omtrent de vertragingsschade. Uit de rechtsverhouding uit lastgeving tussen de stille cedent en stille cessionaris moet blijken of de stille cedent ook bevoegd is ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de vertragingsschade (waaronder wettelijke rente) die is ontstaan in het vermogen van de stille cessionaris. Tenzij anders is overeengekomen, mag worden aangenomen dat de lastgeving ook op deze vordering betrekking heeft. Hoewel deze regel niet bij de meeste andere rechtsvormen geldt, dient bij een last tot inning aan de stille cedent al snel anders te worden aangenomen. Zou de stille cessionaris de aanvullende schadevergoeding zelf vorderen, dan dient hij zichzelf bekend te maken als de schuldeiser van de hoofdvordering en ligt hierin mededeling in de zin van art. 3:94 lid 3 BW besloten. De last tot inning zal derhalve in de regel een last tot inning van de vordering tot vergoeding van de vertragingsschade omvatten.
Gaat het om wettelijke rente, dan behoeft de stille cedent de vertragingsschade van de stille cessionaris niet nader toe te lichten. Er bestaat geen noodzaak om openheid van zaken te geven over de cessie. Vordert hij andere vertragingsschade dan wettelijke rente, dan bestaat deze noodzaak mogelijk wel. Ten aanzien van de omvang van de aanvullende wettelijke schadevergoeding geldt hetzelfde als hiervoor opgemerkt ten aanzien de vervangende wettelijke schadevergoeding: op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW kan de stille cedent niet meer schadevergoeding vorderen dat hij zelf zou hebben geleden.11
Is de schuldenaar doorlopend in verzuim als de stille cessie plaatsvindt, dan vordert de stille cedent vergoeding van de vertragingsschade in twee hoedanigheden: als schuldeiser, van de schadevergoedingsvordering die voor het moment van de stille cessie in zijn vermogen is ontstaan; en als lasthebber, van de schadevergoedingsvordering die na het moment van de stille cessie in zijn vermogen is ontstaan. Het ligt voor de hand dat de stille cedent het totaalbedrag vordert en dat hij zelf uitsplitst waar hij en de stille cessionaris ieder recht op hebben.