NJB 2022/1206:Beslagbeklag, art. 552a jo 94 Sv: de Hoge Raad herhaalt het beoordelingskader en benadrukt nog eens dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van zo’n klaagschrift een summier en voorlopig karakter heeft. In casu heeft de rechtbank dit onvoldoende onderkend. De rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard omdat zij het hoogst onwaarschijnlijk acht dat de strafrechter, later oordelend, de onder de klager inbeslaggenomen voertuigen verbeurd zal verklaren. Dat oordeel is in de kern erop gebaseerd dat, gelet ‘op hetgeen waarop het strafrechtelijk onderzoek zich thans toespitst’, ‘niet met enige zekerheid’ zal kunnen worden vastgesteld dat de inbeslaggenomen voertuigen geheel of grotendeels door middel van of uit baten van het witwassen zijn verkregen dan wel dat het witwassen met betrekking tot deze voertuigen is begaan. Daarbij is verder overwogen ‘dat de door de klager afgelegde verklaringen over de herkomst van de contante gelden, die door de klager werden gebruikt voor de financiering van de aankopen van de voertuigen, niet als onmiskenbaar onvoldoende concreet of niet min of meer verifieerbaar of op voorhand als onwaarschijnlijk terzijde kunnen worden gelaten’.