Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.8
10.8 Samenvatting en conclusie
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS497011:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Boersma & Van den Heuvel wezen naar aanleiding van het Groenboek beslag op bankrekeningen al op de te verwachten problemen bij harmonisatie van beslagregels op Europees niveau, indien nauw verwante onderwerpen als de gevolgen voor beslag in geval van faillissement van de beslagene en rangregeling worden overgelaten aan nationaal recht (Boersma & Van den Heuvel 2009). De vrees voor een Europees bankbeslag dat niet goed kan worden ingepast in het Nederlandse systeem is bewaarheid geworden.
Zie ook: paragraaf 1.8.
Vergelijkbaar met het in Nederland in de praktijk tot stand gekomen voorlopig verlof (paragraaf 5.2.3, slot).
Er is een tendens waarneembaar om het huidige, op een territorialiteitsbeginsel geënte beslagrecht, te Europeaniseren. De hiervoor behandelde wetgevingsinitiatieven van de Commissie om tot nieuwe dan wel gewijzigde regelgeving te komen, zijn gericht op het buiten werking stellen van het territorialiteitsbeginsel en beogen tot een verdere versterking van de erkenning en tenuitvoerlegging van conservatoire beslagmaatregelen tussen de lidstaten te komen. De omstandigheid dat nationale rechtsregels binnen de lidstaten op het gebied van tenuitvoerlegging niet zijn geharmoniseerd brengt het risico van collisie met zich tussen nationale wetgeving en Europese (initiatief) regelgeving. Met name het voorstel Europees bankbeslag wordt gekenmerkt door aanzienlijke uitvoeringsproblemen die zijn terug te voeren op het in eenzelfde regeling van toepassing verklaren van rechtsregels van individuele lidstaten in combinatie met Europese rechtsregels.1 Daarnaast leidt de huidige opzet, waarin de regels voor grensoverschrijdende situaties worden geplaatst naast nationale regelingen van lidstaten op het gebied van conservatoir beslag, tot problemen doordat de positie van de beslaglegger en beslagene in een nationale setting ten opzichte van een grensoverschrijdende situatie verschilt. Het voorstel Europees bankbeslag lijdt in zijn huidige vorm bovendien aan een gebrek aan duidelijkheid en transparantie, zelfs in een mate dat het niet mogelijk is om een gefundeerde waardering te geven van de evenwichtigheid van deze voorstel regeling.
In het kader van de Herschikking EEX-Vo zijn de lidstaten niet bereid gebleken om de beperkingen die het Hof van Justitie in het Denilauler arrest met betrekking tot de erkenning en tenuitvoerlegging van ex-parte verleende verloven tot conservatoire beslaglegging formuleerde, zonder meer overboord te zetten. Dit is terug te vinden in de uiteindelijke EEX-Ibis-Vo. De argumenten die ruim dertig jaar geleden in het Denilauler arrest werden geformuleerd zijn ook nu nog geldend. Nog steeds is het zo dat het toestaan van dergelijke maatregelen van de rechter bijzondere behoedzaamheid vereist (het gaat immers om een vergaande maatregel) alsmede een grondige kennis van de concrete omstandigheden waarin de maatregel haar gevolgen moet doen gevoelen. De rechter op de plaats van tenuitvoerlegging moet ook in de huidige tijd geacht worden het beste in staat te zijn om te beoordelen op grond waarvan gevraagde maatregelen moeten worden toegestaan of geweigerd en de voorwaarden te bepalen waaronder beslag wordt toegestaan (zoals zekerheidstelling door de beslaglegger en invulling geven aan proportionaliteitsbepalingen).
Zoals reeds eerder aan de orde is gekomen, wordt de ontwikkeling van regelgeving, zeker in de huidige tijd, (mede) omgeven door beleidsdoelstellingen.2 Het ontwikkelen van de interne Europese markt is een sterke drijfveer bij de totstandkoming van wetgevingsinitiatieven door de Commissie. De vraag die men zich in het geval van bewarende en conservatoire maatregelen kan stellen is in hoeverre de overheid zich zou moeten of mogen mengen in private rechtsverhoudingen (de Commissie gaat schuldeisers ‘helpen’ om vorderingen te innen; is dat niet een verantwoordelijkheid die primair bij private (contracts)partijen zelf dient te blijven?) en ten koste waarvan. Bij dit laatste doel ik met name op de inbreuk op grondrechten zoals eigendomsrecht en privacy. Ik meen dat het ongehoord is dat een overheid bankrekeninggegevens zou verstrekken in het kader van conservatoire beslagacties tussen private particuliere en/of zakelijke partijen.
Bovendien is er aanleiding om zich ernstig af te vragen of er niet een omkeerpunt dreigt te ontstaan in de feitelijke werking van conservatoire maatregelen, indien deze voornamelijk en eenzijdig zijn gericht op de belangen van de beslaglegger. Wie voelt zich immers uitgenodigd om grensoverschrijdend zaken te doen indien men daarmee in het geval van een eventueel geschil het risico van beslaglegging op al diens bankrekeningen riskeert, terwijl de overheid de beslaglegger die een vermeende vordering heeft ook nog eens van dienst is met het verstrekken van bankgegevens? En daarenboven de mogelijkheden tot opheffing c.q. verweer relatief kostbaar en onduidelijk zijn, de termijnen onredelijk lang, en wellicht in een andere lidstaat geprocedeerd moeten gaat worden? Op zeker moment zal de risicobalans zodanig beoordeeld worden dat het aantrekkelijk wordt om te kiezen voor nationaal zaken doen.
Desalniettemin zijn de pogingen van de Commissie om iets te doen aan de huidige problemen die gepaard gaan met grensoverschrijdende conservatoire beslaglegging niet geheel onbegrijpelijk. De vraag is echter of de huidige stand van regelgeving op het gebied van tenuitvoerlegging wel geschikt is om de handen van lidstaten op elkaar te krijgen voor vergaande maatregelen op dit gebied, die naast de problemen inzake collisie met qua diversiteit zeer uiteenlopende nationale regelingen, ook leiden tot gerechtvaardigde twijfel over voldoende aanwezigheid van de aan dit soort regelingen noodzakelijk te verbinden waarborgen.
Ik meen dat voor een Europees bankbeslag enige vorm van een binnen de EU werkzame Europese aanvraag tot voorlopig verlof, in te dienen bij een centraal punt binnen de lidstaat waar de bankrekening zich bevindt,3 en mits voorzien van voldoende waarborgen voor de beslagene, in dit stadium beter aansluit op de huidige stand van regelgeving op het gebied van tenuitvoerlegging binnen de lidstaten en ook daadwerkelijk in een behoefte kan voorzien.