HR, 25-11-2025, nr. 24/02394
ECLI:NL:HR:2025:1771
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2025
- Zaaknummer
24/02394
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1771, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2069
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:893
ECLI:NL:PHR:2025:893, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1771
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0373
Uitspraak 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit witwassen. Motivering schatting w.v.v. Is schatting w.v.v. d.m.v. het in strafzaak bewezenverklaarde witwassen toereikend gemotiveerd? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof en Rb hebben in bewijsmotivering niet uiteengezet wat precies wettelijke en feitelijke grondslag is voor voordeelsontneming. Evenmin hebben ontnemingsrechters uiteengezet welke logische gedachtegang schuilgaat achter vaststelling van omvang van voordeel dat is verkregen uit misdrijven die mogelijk feitelijke grondslag van voordeelsontneming uitmaken. Ontnemingsrechters hebben volstaan met te verwijzen naar (vele) pagina’s uit omvangrijk ‘politierelaas’, waarvan niet blijkt dat het is opgesteld door financieel specialisten. Overzicht van dat relaas heeft enigszins contouren van kasopstelling maar elementaire onderdelen daarvan ontbreken. Bovendien bevat deze opstelling verscheidene ongelijksoortige geldbedragen waarvan niet z.m. duidelijk is waarom zij hierin zijn opgenomen. Bewijsmotivering schiet tekort. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/02424, 24/02445, 24/02449, 24/02466, 24/02467, en 24/02506.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02394 P
Datum 25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 juni 2024, nummer 20-001215-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van of uit de baten van het in de strafzaak bewezenverklaarde (gewoonte)witwassen, ontoereikend is gemotiveerd.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.
Conclusie 26‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Samenhang met 24/02424, 24/02449, 24/02467, 24/02466, 24/02445 en 24/02506. Middel klaagt dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte heeft gelijkgesteld aan het bewezen verklaarde witwasbedrag van € 259.800, althans dat 's hofs oordeel onvoldoende is gemotiveerd,. Het middel is terecht voorgesteld nu het hof noch de rechtbank in de bewijsmotivering uiteen heeft gezet wat de wettelijke en feitelijke grondslag is voor de voordeelsontneming en evenmin hoe de omvang van het voordeel is vastgesteld. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02394 P
Zitting 26 augustus 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene 1] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de betrokkene.
Inleiding
1. Bij vonnis van 22 april 2021 (parketnummer 02-283436-19) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, is aan de betrokkene, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter hoogte van € 259.800 opgelegd.
2. Bij arrest van 20 juni 2024 met parketnummer 20-001215-21 heeft het gerechtshof ’sHertogenbosch zich – met uitzondering van de inhoud van voetnoot 1 – met dit vonnis verenigd.
3. Er bestaat samenhang met de zaken 24/02424 ( [medeverdachte 2] ), 24/02449 ( [medeverdachte 5] ), 24/02467 ( [medeverdachte 3] ), 24/02466 ( [medeverdachte 4] ), 24/02445 ( [medeverdachte 7] ) en 24/02506 ( [medeverdachte 6] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
De strafzaak en de ontnemingszaak
De strafzaak
5. In de strafzaak die verband houdt met deze ontnemingszaak, is ten laste van de betrokkene bewezen verklaard – voor zover relevant voor de beoordeling van het middel – dat hij:
“2. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 november 2019 te Bergen op Zoom en/of Sas van Gent en/of Almere, tezamen en in vereniging met een ander, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen
immers hebben hij, verdachte en zijn mededader (van)
- een personenauto Mercedes [kenteken 1] en/of een bedrag van 21.500 euro (ten behoeve van de aankoop van die auto)
de werkelijke aard en de herkomst verhuld en/of voorhanden gehad en/of omgezet en/of van dat voorwerp en/of geldbedrag gebruik gemaakt,
terwijl hij en zijn mededader wisten, dat dat voorwerp - en/of geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,
en
in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 november 2019 te Bergen op Zoom en/of elders in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers heeft hij, verdachte, meermalen (van) voorwerpen en/of geldbedragen, te weten van onder meer
- een personenauto BMW 335i en/of een bedrag van € 18.000,= en/of,
- een motorfiets (Harley Davidson) [kenteken 2] en/of
- een horloge, merk Rolex, type Submariner, voorzien van groene wijzerplaat (ibn nr. 02.01.003, [nummer 1] ) en/of
- een horloge, merk Rolex, goudkleurig met zwarte wijzerplaat (ibn nr. 01.02.004, [nummer 2] ) en/of
- een horloge, merk Rolex, zilverkleurig met blauwe wijzerplaat (ibn nr. 01.02.005, [nummer 3] ) en/of
- een horloge, merk Rolex, zilverkleurig mét zwarte wijzerplaat (ibn nr. 02.01.004, [nummer 4] ) en/of
- een horloge, merk Rolex met zwart wijzerplaat (ibn nr. 05.07.001, [nummer 5] ) en/of
- een personenauto (Mercedes Benz SL350, [kenteken 3] ) en/of een geldbedrag van € 19.000,= en/of
- een personenauto (Mini Cooper), [kenteken 4] en/of
- een zitbank (Chesterfield) en/of een salontafel ter waarde van in totaal € 13.650,=, althans enig geldbedrag en/of
- een aantal contante stortingen ter waarde van € 6.925,= aan [betrokkene 2] en/of
- contante betalingen ten behoeve van meerdere CJIB boetes tot een bedrag van € 1.976,= en/of 3210,81 althans enig geldbedrag en/of
- 8.080 euro contant geld
de werkelijke aard en de herkomst verhuld en/of voorhanden gehad en/of omgezet en/of van die voorwerpen en/of geldbedragen gebruik gemaakt,
terwijl hij wist, dat die voorwerpen en/of geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
De ontnemingszaak
6. Het hof heeft zich ten aanzien van de ontnemingszaak met het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 april 2021 verenigd, alsook met de redengeving waarop dit berust, met uitzondering van de inhoud van voetnoot 1 op pagina 2 van het vonnis. Het hof overweegt in dat kader nog als volgt:
“De rechtbank heeft in deze voetnoot verwezen naar ‘Map 27, pagina’s 81 en 82’. Het hof vult deze paginanummers voor wat betreft de grondslag van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan, zodat voetnoot 1 als volgt komt te luiden:
1. Map 27, relaas proces-verbaal, in het bijzonder:
a. Pag. 7-8, onder 4;
b. Pag. 11, onder 17-19;
c. Pag. 12-13, onder 20-22;
d. Pag. 14-15, onder 25;
e. Pag. 15-18, onder 26-29;
f. Pag. 20-55, onder 32;
g. Pag. 56, onder 33.3;
h. Pag. 57-58, onder 34;
i. Pag. 58-59, onder 36;
j. Pag. 70-71, onder 50-51;
k. Pag. 72-73, onder 54;
l. Pag. 73-81, onder 56-60;
m. Pag. 81-82, onder 61.
Het hof heeft bronnen waarnaar wordt verwezen en die in de bijlagen zijn opgenomen gecontroleerd en komen overeen met wat in het relaas proces-verbaal is opgenomen.
In verband met hetgeen in hoger beroep door de raadsman in het kader van de ontnemingsvordering naar voren is gebracht, overweegt het hof nog dat dit het hof niet heeft gebracht tot een andere beslissing dan de rechtbank.”
7. In haar vonnis van 22 april 2021 heeft de rechtbank overwogen:
“Dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan, blijkt uit het vonnis in de hoofdzaak. Bij het bepalen van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van de bewijsoverweging en de bewijsmiddelen als opgenomen bij voornoemd vonnis.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk moet worden gesteld aan het bewezenverklaarde totale witgewassen bedrag, nu het wederrechtelijk verkregen voordeel hoger kan zijn dan het bewezenverklaarde totale witgewassen bedrag. Artikel 36e Wetboek van Strafrecht geeft namelijk twee mogelijkheden om een ontnemingsmaatregel op te leggen: het strafbare feit waarvoor betrokkene is veroordeeld en andere strafbare feiten. Het kan derhalve ook gaan om strafbare feiten waarvoor niet is vervolgd en veroordeeld. In casu zijn er, met name op basis van de door de politie opgestelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in combinatie met de veroordeling van betrokkene in de hoofdzaak, voldoende aanwijzingen dat door betrokkene een hoger bedrag is witgewassen dan waarvoor betrokkene is vervolgd en veroordeeld.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, neergelegd in het proces-verbaal van relaas van 12 mei 2020 juist is. Daarnaast is zij van oordeel dat het onder betrokkene inbeslaggenomen contante geldbedrag ter hoogte van € 8.080,00, neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen van 26 november 2019 met als bijlage de lijst van inbeslaggenomen goederen bij dit bedrag dient te worden opgeteld.
Gelet op het vorenstaande wordt het netto wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 251.720,00 + € 8.080,00 = € 259.800.”
8. De rechtbank, en daarmee ook het hof, is bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van het relaas van 12 mei 2020. Dit betreft een onderzoek naar de betrokkene, opgesteld over de periode 1 januari 2013 tot 26 november 2019, waarbij het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de uitkomst van die kasopstelling het door de betrokkene daadwerkelijk verkregen wederrechtelijk voordeel representeert.
Het middel
De toelichting op het middel
9. Het middel werpt de klacht op dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd heeft gelijkgesteld aan het bewezen verklaarde witwasbedrag van in totaal € 259.800.
10. In de toelichting wordt aangevoerd dat die gelijkstelling berust op een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend gemotiveerd is, nu uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de enkele omstandigheid dat een geldbedrag of een goed, voorwerp is van witwassen, niet zonder meer meebrengt dat dit bedrag ook wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. Het hof miskent hiermee dat voor de vaststelling van voordeel uit witwassen aanvullende vaststellingen vereist zijn omtrent daadwerkelijk genoten vermogensvoordeel.
11. Voorts wordt opgemerkt dat het hof zijn oordeel – dat het volledige bedrag van € 251.720 als wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen moet worden aangemerkt – heeft gebaseerd op een opsomming van (voornamelijk) contante in- en verkopen van horloges en andere betalingen, zoals opgenomen in het politierelaas. Daarbij is het hof, in navolging van de verbalisant, telkens uitgegaan van het inkoopbedrag (indien bekend) of het verkoopbedrag (indien inkoop onbekend was) als witwasbedrag, zonder onderscheid te maken tussen investering en vermogensvermeerdering.
12. Het hof heeft echter bedragen als witwasvoordeel aangemerkt zonder vast te stellen welk voordeel daadwerkelijk door de betrokkene is genoten en zelfs zonder na te gaan of bepaalde bedragen niet dubbel zijn geteld of slechts transactiewaarde betroffen zonder opbrengst. Hierdoor wordt de winst buiten beschouwing gelaten, terwijl het zogenoemde 'witte' misdaadgeld volledig wordt aangemerkt als voordeel. Een voorbeeld betreft horloge 32.35 dat is ingekocht voor € 7.000 en verkocht voor € 8.300, waarbij het hof enkel het inkoopbedrag als voordeel aanmerkt, terwijl het daadwerkelijke vermogensvoordeel hooguit € 1.300 bedraagt.
De bespreking van het middel
13. Uit het vonnis in de strafzaak volgt dat de betrokkene is veroordeeld voor – kort gezegd – gewoontewitwassen van een groot aantal voorwerpen en geldbedragen, gepleegd in een periode van bijna zeven jaar. Deze bewezenverklaring omvat zowel het voorhanden hebben als het verhullen van de herkomst van diverse voertuigen, luxegoederen en contante geldbedragen. Niet is vastgesteld uit welke concrete gronddelicten deze goederen afkomstig zijn, de bewezenverklaring blijft beperkt tot het witwassen zelf.
14. Als algemeen uitgangspunt geldt – zoals in het middel terecht wordt opgemerkt – dat de enkele omstandigheid dat sprake is van (gewoonte)witwassen niet zonder meer met zich brengt dat de volledige waarde c.q. opbrengst van het voorwerp van het witwassen als wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van artikel 36e Sr dient te worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft herhaaldelijk geoordeeld dat een dergelijke gevolgtrekking zonder nadere toelichting ontoereikend gemotiveerd is.
15. In de onderhavige zaak heeft het hof noch de rechtbank in de bewijsmotivering uiteengezet wat in deze zaak precies de wettelijke en feitelijke grondslag is voor de voordeelsontneming waartoe de opgelegde maatregel strekt. Evenmin hebben de ontnemingsrechters uiteengezet welke logische gedachtegang schuilgaat achter de vaststelling van de omvang van het voordeel dat is verkregen uit de misdrijven die mogelijk de feitelijke grondslag van de voordeelsontneming uitmaken. Een en ander wordt hier node gemist. De ontnemingsrechters hebben namelijk volstaan met te verwijzen naar (vele) pagina’s uit een omvangrijk ‘politierelaas’ van 12 mei 2020, waarvan overigens niet blijkt dat het is opgesteld door financieel specialisten. Het overzicht op de pagina’s 81 en 82 van dat relaas heeft enigszins de contouren van een kasopstelling, maar elementaire onderdelen daarvan ontbreken. Bovendien bevat deze opstelling verscheidene ongelijksoortige geldbedragen waarvan niet zonder meer duidelijk waarom zij hierin (in deze vorm) zijn opgenomen.
16. Met hun verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad omtrent voordeelsontneming uit witwassen leggen de stellers van het middel dan ook een vinger op één van de zere plekken in deze bewijsmotivering. Bovendien bespreken zij in hun ‘nadere adstructie’ begrijpelijke vragen waarop het politierelaas (en dus ook de bewijsmotivering) het antwoord schuldig blijft. Kortom, de bewijsmotivering schiet tekort. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.
Slotsom
17. Het middel slaagt.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG