Hof Arnhem-Leeuwarden, 07-12-2021, nr. 200.269.638/01
ECLI:NL:GHARL:2021:11256
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
07-12-2021
- Zaaknummer
200.269.638/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2021:11256, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 07‑12‑2021; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2020:8718
Cassatie: ECLI:NL:HR:2023:312, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:GHARL:2020:8718, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 27‑10‑2020; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2021:11256
Uitspraak 07‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Geldlening. Bewijs (contante) aflossing geldlening geleverd.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.269.638/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7084947)
arrest van 7 december 2021
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats1] ,
appellant,bij de kantonrechter: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. M.P.C. Breeuwer, die kantoor houdt te Tynaarlo,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats2] ,
geïntimeerde,
bij de kantonrechter: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. K.D. de Boer, die kantoor houdt te Groningen.
1. De verdere procedure bij het hof
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 27 oktober 20201.hier over.
1.2
Op grond van dit tussenarrest hebben op 19 mei en op 23 september 2021 getuigenverhoren plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken.
1.3
Daarna heeft [appellant] een memorie na enquête (met producties) ingediend, waarop door [geïntimeerde] is gereageerd met een antwoordmemorie na enquête.
1.4
Ten slotte hebben partijen de vanaf het tussenarrest geproduceerde processtukken overgelegd en heeft het hof een datum voor het arrest vastgesteld.2. De verdere beoordeling van het geschil
Inleiding
2.1
Het gaat er in deze zaak om of [geïntimeerde] het door hem van [appellant] geleende bedrag van € 4.500,- heeft terugbetaald. [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij het geleende bedrag in drie contante betalingen van € 1.000,-, € 1.500,- en € 2.000,- heeft terugbetaald. In hoger beroep staat alleen de laatste terugbetaling nog ter discussie. Volgens [geïntimeerde] heeft hij dit bedrag eind 2016 terugbetaald door het in een envelop te doen en deze envelop te deponeren in de brievenbus van de woning van [appellant] .
2.2
In het tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat hij eind 2016 het bedrag contant heeft betaald aan [appellant] . Het hof vond dat [geïntimeerde] dat bewijs met de schriftelijke verklaring en de getuigenverklaring van zijn (toenmalige)partner nog niet had geleverd.
Getuigenverhoren 2.3 [geïntimeerde] en [appellant] zijn als getuigen gehoord. [geïntimeerde] heeft - als partijgetuige - onder meer het volgende verklaard:“Mijn vriendin en ik hadden geld gespaard. Dat geld was afkomstig van contante ontvangsten die zij en ik hadden gehad. Mijn vriendin werkte in de horeca en zij ontving wel eens contante bedragen. Dat ging voornamelijk om fooien, maar ze kreeg ook wel eens een bonus van haar werkgever in contante. Ook ik ontving wel eens contant geld, bijvoorbeeld van [appellant] wanneer ik voor hem klussen had gedaan. We bewaarden het geld in huis, in de middelste la van de tv-kast. Het geld was bestemd voor een vakantie. Op dit moment kan ik me niet meer herinneren hoeveel geld we hadden liggen. Ik weet wel dat ik er 2000 euro vanaf heb genomen. Dat geld heb ik in een envelop gedaan. Het ging vooral om briefjes van 50, maar er waren ook wat briefjes van 20 en twee of drie briefjes van 100 euro bij.
Met een envelop ben ik in de auto gestapt en naar [woonplaats1] gereden, waar [appellant] op dat moment woonde. Mijn toenmalige vriendin was met me mee. [appellant] woonde aan de [adres] . Ik wist waar hij woonde, omdat ik daar geregeld was geweest. Ik had er in de tuin gewerkt en ook wel klussen in zijn garage gedaan. De auto van [appellant] stond voor het huis op het moment dat ik de envelop daar in de brievenbus deed. Ik heb niet aangebeld. Mijn vriendin bleef in de auto zitten toen ik uitstapte om de envelop in de brievenbus te doen. Het was een brievenbus die aan de gevel vastzit, geen brievenbus in een deur.
Ik heb geen contact opgenomen met [appellant] voordat ik het geld bij hem in de brievenbus deed. Ook daarna heb ik dat niet gedaan. Ik wilde voorkomen dat ik een confrontatie met hem zou krijgen. Ik had er geen enkele behoefte aan om met hem te spreken. Ik heb de betaling ook niet via Whatsapp aangekondigd. U vraagt mij wat daarvan de reden is. Ik antwoord dat ik geen enkele zin had om op enigerlei wijze contact met hem te hebben. Ik hield er geen rekening mee dat [appellant] de ontvangst van het bedrag zou ontkennen. Hij heeft weleens gezegd dat hij mij als een kind zag en dan ga je er niet vanuit dat wanneer je geleend geld terugbetaalt die terugbetaling wordt ontkend.
U vraagt mij hoeveel tijd er zat tussen de tweede betaling, die dus via mijn ouders verliep, en deze betaling, met het geld in de envelop. Ik weet dat niet meer precies. Het zal eerder een periode van enkele weken zijn geweest, dan een periode van enkele maanden of een jaar.
(...)Ik hield bij hoeveel geld we contant spaarden. Dat deed ik door wanneer er geld bij kwam het gespaarde bedrag te tellen.
De bedragen die we spaarden, varieerden. De hoogte ervan hing af van het geld dat we verdiend hadden.
Hoe vaak we geld bij het spaargeld voegden, hing af van onze ontvangsten. De ene week hadden we beiden contant geld ontvangen, een week daarna weer niet.
Ik weet op dit moment niet meer hoeveel geld mijn vriendin in de ‘spaarpot’ heeft gedaan. Die ‘spaarpot’ was overigens niet werkelijk een spaarpot, maar een lade in de tv-kast.
Mijn vriendin wist ook hoeveel geld we gespaard hadden. Als zij geld toevoegde, telde ze het totale bedrag. We telden het ook wel eens samen.
Toen ik het geld voor de terugbetaling uit de ‘spaarpot’ haalde, was mijn vriendin in de kamer. Ze heeft niet gecontroleerd hoeveel geld ik er uitpakte. Ik heb wel tegen haar gezegd dat het om 2000 euro ging. Dat ik dat vertelde was ook logisch, omdat het ook haar geld was.
Ik heb het geld in een blanco envelop gedaan waarop ik mijn naam schreef zodat [appellant] wist van wie het geld afkomstig was.”
2.4
[appellant] heeft onder meer het volgende verklaard: “Ik heb [geïntimeerde] € 4.500,00 geleend voor zijn huis.
Hij heeft niets terugbetaald. Op een gegeven moment zou hij een deel terugbetalen, maar daar is niets van gekomen, omdat hij toen in de gevangenis terecht kwam voor de handel in drugs.
[geïntimeerde] heeft ook niet via zijn ouders iets aan mij betaald. Hij heeft ook geen envelop in mijn brievenbus gedeponeerd met daarin € 2.000,00.
Ik was bevriend met [geïntimeerde] en zijn ouders. Een jaar of drie geleden is die vriendschap geëindigd. Er waren problemen ontstaan rond de verbouwing door de vader van [geïntimeerde] van de garage van mijn dochter.
U toont mij een WhatsApp-bericht dat in de procedure is overgelegd (productie 4 bij de conclusie van antwoord). Daar staat: “Hay [geïntimeerde] ! Heb van je vader al een deel van jou gehad!!! [appellant] !”. Dat bericht is niet van mij afkomstig. Het telefoonnummer dat daarboven vermeld staat, [nummer1] , is wel van mij. Ik heb er geen verklaring voor dat ik dit bericht niet heb gestuurd, maar dat er wel een schermafdruk is van zo’n bericht.
Op een vraag van mr. Breeuwer antwoord ik dat ik in mijn huis aan de [adres] te [woonplaats1] een brievenbus in de voordeur had. Ik had daar geen brievenbus aan de zijgevel. Ik laat u op mijn telefoon een foto zien van een voordeur, met daarin een brievenbus. Ik hoor dat de advocaat van [geïntimeerde] , die de foto ook heeft gezien, zegt dat zij niet kan controleren of dit een foto is van de voordeur aan de [adres] , omdat er geen huisnummer zichtbaar is. Daarnaast is de zijgevel niet zichtbaar op de foto.”
Is het bewijs geleverd? 2.5 De verklaringen van [appellant] en van [geïntimeerde] staan lijnrecht tegenover elkaar. Ze kunnen niet beide juist zijn. Dat zou het geval kunnen zijn wanneer [geïntimeerde] wel geld in de brievenbus heeft gedeponeerd, maar het geld er door een ander is uitgehaald. Uit de foto’s die [appellant] heeft overgelegd over de brievenbus volgt dat de kans dat een onbevoegde derde iets uit de brievenbus haalt verwaarloosbaar klein is. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat indien [geïntimeerde] een envelop met € 2.000,- in de brievenbus van [appellant] heeft gedeponeerd, de envelop met die inhoud bij [appellant] is terechtgekomen.
2.6
Opvallend is dat [appellant] heeft verklaard dat [geïntimeerde] hem niets heeft terugbetaald, dus ook geen € 2.500,-. Op dat punt is zijn verklaring onjuist. Niet alleen heeft hij het oordeel van de kantonrechter dat hij ook € 2.500,- heeft ontvangen in hoger beroep niet aangevochten, dat hij € 2.500,- ontvangen heeft, heeft [geïntimeerde] ook bewezen. De whatsappconversatie tussen partijen is op dit punt duidelijk genoeg. Dat de door [geïntimeerde] overgelegde whatsappberichten niet van [appellant] afkomstig zijn, zoals [appellant] tijdens zijn getuigenverhoor voor het eerst heeft aangevoerd, heeft hij op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [appellant] als getuige op dit punt niet de waarheid heeft gesproken. Dat doet ook afbreuk aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring op het punt van de ontvangst van € 2.000,- in een envelop.
2.7
De verklaring van [geïntimeerde] over de betaling van € 2.000,- is consistent en komt overeen met wat [geïntimeerde] gedurende de procedure steeds heeft aangevoerd. De verklaring [geïntimeerde] wordt bovendien op cruciale punten bevestigd door de schriftelijke verklaring en de bij de kantonrechter afgelegde getuigenverklaring van zijn voormalige partner. Bovendien heeft [geïntimeerde] een aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij de betaling van€ 2.000,-, anders dan de eerdere betalingen, niet in een whatsappbericht heeft aangekondigd. Ook heeft hij een aannemelijke, en niet door [appellant] bestreden, toelichting gegeven op de het feit dat hij over substantiële bedragen aan contant geld beschikte.
2.8
De verklaring van [geïntimeerde] is, anders dan [appellant] aanvoert, op het punt van de brievenbus van [appellant] niet feitelijk onjuist. Uit de door [appellant] overgelegde foto’s blijkt dat [appellant] in zijn vroegere woning in [woonplaats1] niet een standaard brievenbus had - een horizontale gleuf in de voordeur -, maar een verticale gleuf in het kozijn van de deur, net naast de gevel. De verklaring van [geïntimeerde] over de brievenbus van [appellant] - “Het was een brievenbus die aan de gevel vastzit, geen brievenbus in een deur”- is in dat licht bezien niet zo verwonderlijk en benadert de feitelijke situatie heel behoorlijk, zeker wanneer in aanmerking wordt genomen dat [geïntimeerde] de verklaring ruim viereneenhalf jaar heeft afgelegd na de dag waarop hij, volgens zijn verklaring, de envelop met inhoud in de brievenbus van [appellant] heeft gedeponeerd.
2.9
Al met al heeft [geïntimeerde] met zijn verklaring als partijgetuige en de (getuigen)verklaringen van zijn gewezen partner en gelet op het feit dat aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [appellant] sterk getwijfeld moet worden het bewijs geleverd dat hij naast € 2.500,- ook nog € 2.000,- heeft afgelost op de lening van [appellant] aan hem, waardoor de gehele lening is afgelost.
De conclusie 2.10 Omdat [geïntimeerde] heeft bewezen dat naast € 2.500,- ook nog € 2.000,- is afgelost, is de vordering van [appellant] niet toewijsbaar. De bezwaren (‘grieven’) van [appellant] tegen het vonnis van de kantonrechter falen om die reden.
2.11
Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. [appellant] zal als de in de procedure bij het hof in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten (geliquideerd salaris van de advocaat: 3 punten, tarief I).
3. 3. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 28 mei 2019;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure bij het hof en stelt deze kosten, voor zover die tot op heden door [geïntimeerde] zijn gemaakt, vast op € 324,- aan verschotten en op € 2.361,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.H. Kuiper en O.E. Mulder en is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2021, in aanwezigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑12‑2021
Uitspraak 27‑10‑2020
Inhoudsindicatie
Geldlening. Getuigenbewijs over contante aflossing.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.269.638/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7084947)
arrest van 27 oktober 2020
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. M.P.C. Breeuwer, kantoorhoudend te Tynaarlo,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [B] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. K.D. de Boer, kantoorhoudend te Groningen.
1. Het verloop van de procedure bij de kantonrechter
1.1
Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit de vonnissen van
28 augustus 2018, 4 december 2018 en 28 mei 2019 van de kantonrechter (rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen).
2. 2 Het verloop van de procedure bij het hof
2.1
Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:- de appeldagvaarding van 27 augustus 2019;- de memorie van grieven (met twee producties);- de memorie van antwoord (met één productie);- de akte van [appellant] ;- de akte van [geïntimeerde] .
2.2
Vervolgens hebben partijen de processtukken overgelegd en heeft het hof een datum voor arrest vastgesteld.
2.3
De vordering van [appellant] in hoger beroep komt erop neer dat het vonnis van de kantonrechter van 28 mei 2019 wordt vernietigd en dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
3. 3 Waar gaat het om?
3.1
[appellant] , die bevriend was met de ouders van [geïntimeerde] , heeft op 3 april 2016 een bedrag van € 4.500,- geleend aan [geïntimeerde] . De leningovereenkomst is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, waarin onder meer is bepaald dat geen rente verschuldigd is en dat het geleende bedrag uiterlijk na twee jaren moet zijn terugbetaald.
3.2
De toenmalige advocaat van [appellant] heeft [geïntimeerde] in een brief van
9 mei 2018 gesommeerd tot terugbetaling van het geleende bedrag.
3.3
De rechtsbijstandsverzekeraar van [geïntimeerde] heeft daarop laten weten dat het geleende bedrag in contanten is terugbetaald, € 1.000,- in oktober 2016, € 1.500,- in november 2016 en € 2.000,- eind 2017.
3.4
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 4 december 2018 [geïntimeerde] toegelaten te bewijzen dat hij het geleende bedrag van € 4.500,- geheel aan [appellant] heeft terugbetaald. Nadat de moeder van [geïntimeerde] en [C] (hierna: [C] ), de partner van [geïntimeerde] , als getuigen waren gehoord, heeft de kantonrechter in het eindvonnis van 28 mei 2019 geoordeeld dat [geïntimeerde] het door hem te leveren bewijs had geleverd en heeft hij de vordering van [appellant] afgewezen.
3.5
In hoger beroep staat de vraag centraal of [geïntimeerde] heeft bewezen dat hij ook de laatste door hem gestelde betaling - de betaling van € 2.000,- - heeft gedaan.
4. 4 De bespreking van het geschil
4.1
In zijn vonnis van 28 mei 2019 heeft de kantonrechter een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de door [geïntimeerde] gestelde contante betalingen van € 1.000,- en € 1.500,- en anderzijds die van € 2.000,-. Over de beide eerste betalingen heeft de kantonrechter overwogen dat die betalingen - die volgens [geïntimeerde] via zijn ouders zijn verlopen - met de getuigenverklaring van de moeder van [geïntimeerde] zijn bewezen. Het hof stelt vast dat [appellant] in hoger beroep geen bezwaar maakt tegen deze beslissing. De grieven I en II, waarmee [geïntimeerde] opkomt tegen de waardering van het bewijs door de kantonrechter, richten zich alleen tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] ook de betaling van € 2.000,- heeft bewezen.
4.2
Dat betekent dat er in hoger beroep van kan worden uitgegaan dat [geïntimeerde] van het geleende bedrag in elk geval € 2.500,- heeft terugbetaald. Er kan ook van worden uitgegaan dat [appellant] zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [geïntimeerde] niets heeft terugbetaald.
4.3
Het gaat er nu dus nog om of [geïntimeerde] ook het resterende bedrag van € 2.000,- heeft terugbetaald. Volgens [geïntimeerde] is dat het geval. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (en dus niet pas in hoger beroep, zoals [appellant] ten onrechte opmerkt) heeft [geïntimeerde] gesteld dat hij eind 2016 (en dus niet eind 2017 zoals zijn rechtsbijstandsverzekeraar had geschreven) in het bijzijn van zijn partner een envelop met daarin een bedrag van€ 2.000,- in de brievenbus van [appellant] aan de [a-straat 1] te [A] heeft gedeponeerd. [geïntimeerde] beroept zich op een schriftelijke verklaring van [C] van
10 juli 2018, waarin zij onder meer schrijft: “De derde keer dat mijn partner een betaling heeft gedaan was eind 2016, enkele dagen/weken na het bovenstaande. De exacte datum weet ik niet meer. Deze keer is de envelop door mijn partner in de brievenbus gedeponeerd van de heer [appellant] en bevatte deze 2000 euro.”
4.4
Als getuige heeft [C] haar schriftelijke verklaring in grote lijnen bevestigd en van details voorzien. Zij heeft onder meer het volgende verklaard: “Op enig moment, ik weet niet meer wanneer, vertelde [geïntimeerde] mij dat hij onze gemeenschappelijke spaarpot had aangesproken voor een bedrag van € 2.000. Na afloop zat er nog € 700 in die spaarpot waardoor ik ook weet dat er € 2.000 is uitgehaald omdat er € 2.700 in zat. [geïntimeerde] heeft die € 2.000 in een envelop gedaan. De coupures weet ik niet precies. Ik dacht briefjes van vijftig. Hogere briefjes hadden we niet in huis. Ik heb dat geld niet nageteld, maar ben er vanuit gegaan dat de envelop ook daadwerkelijk € 2.000 bevatte. [geïntimeerde] had mij verteld dat hij nog een restantschuld aan [appellant] had en gelet op de verhouding met [appellant] en mijn ‘schoonouders’ wilden wij ook schoonschip met [appellant] maken. [geïntimeerde] heeft die envelop bij [appellant] door de brievenbus gedaan. Ik ben in de auto blijven zitten. Ik heb niet gezien dat [geïntimeerde] die envelop ook daadwerkelijk in de brievenbus heeft gedaan of aan [appellant] heeft gegeven. De auto stond wat dat betreft niet gunstig geparkeerd. Mij staat nog bij dat [appellant] iedere betaling contant wilde ontvangen. Ik twijfel er niet aan dat [geïntimeerde] die envelop in de brievenbus heeft gedaan. Ik kan mij niet herinneren of en wat [geïntimeerde] bij terugkeer in de auto tegen mij heeft gezegd.”
4.5
In de procedure bij de kantonrechter heeft [appellant] de verklaring van [C] niet weersproken. Dat heeft hij in hoger beroep wel gedaan. Hij heeft gesteld dat hij geen envelop met daarin € 2.000,- heeft ontvangen. Ook heeft hij de vinger gelegd bij onduidelijkheden in de verklaring van [C] , die volgens hem moet worden gezien als een partijgetuige.
4.6
Het feit dat [C] de partner van een partij is, maakt haar nog geen partijgetuige. Wel is er, gezien de relatie tussen [C] en [geïntimeerde] , reden om haar verklaring met behoedzaamheid te benaderen; er moet vanuit worden gegaan dat [C] (in elk geval enig) belang heeft bij de uitkomst van de procedure tussen [appellant] en [geïntimeerde] . Dat gegeven, gecombineerd met het feit dat de verklaring van [C] nu wel gedetailleerd wordt weersproken en op enkele punten - het tijdstip van de terugbetaling en de inhoud van de envelop - vragen openlaat, brengt het hof tot het oordeel dat [geïntimeerde] met het horen van [C] nog niet heeft bewezen dat hij ook het bedrag van € 2.000,- heeft terugbetaald. Het hof merkt in dit verband op dat het opmerkelijk is dat [geïntimeerde] de betalingen van € 1.000,- en € 1.500,- in whatsappberichten aan [appellant] heeft aangekondigd, maar de door hem gestelde betaling van € 2.000,- niet. Bovendien roept het vragen op dat [geïntimeerde] om de beide eerste betalingen te kunnen doen bankopnamen heeft gedaan, maar dat hij voor de betaling van € 2.000,- heeft geput uit een spaarpot, die een wel heel fors bedrag bevatte.
4.7
[geïntimeerde] , op wie naar niet ter discussie staat de bewijslast rust van de door hem gestelde betaling, heeft aanvullend getuigenbewijs aangeboden, door het horen van zichzelf als partijgetuige. Volgens [geïntimeerde] was hij in de procedure bij de kantonrechter verhinderd een getuigenverklaring af te leggen. Het hof zal hem tot dat bewijs toelaten.
4.8
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het bepalen van een datum voor het getuigenverhoor. [appellant] heeft aangegeven dat hij zichzelf ook als getuige wil laten horen. Indien [geïntimeerde] en [appellant] (in contra-enquête) de enige getuigen zijn, kunnen hun verhoren wellicht aansluitend plaatsvinden. Het hof geeft partijen in overweging daarover voorafgaand aan de datum van het getuigenverhoor afspraken te maken.
5. 5 De beslissing
Het hof:
draagt [geïntimeerde] op te bewijzen dat hij eind 2016 € 2.000,- contant heeft betaald aan [appellant] ;
bepaalt dat, indien [geïntimeerde] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H. de Hek, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
bepaalt dat [geïntimeerde] het aantal voor te brengen getuigen en de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum
10 november 2020, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor vaststelt;
bepaalt dat [geïntimeerde] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.H. Kuiper en O.E. Mulder en is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2020 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.